Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2010:BO3735

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
28-10-2010
Datum publicatie
12-11-2010
Zaaknummer
09-3323 AW
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Ambtenarenrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Geen toekenning FPU+ arrangement. Het feit dat de circulaire en het Tijdelijk besluit de mogelijkheid openen om ook 55- en 56-jarigen een FPU-arrangement toe te kennen, betekent niet dat de secretaris-generaal ook daartoe gehouden is. De secretaris-generaal heeft in redelijkheid kunnen komen tot de keuze om de doelgroep van het FPU+ arrangement te beperken tot personen van 57-jaar en ouder (hierna: 57-jarigen). Beroep op geleijkheidsbeginsel faalt. Beoordelingsvrijheid bevoegd gezag.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

09/3323 AW

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[appellant], wonende te [woonplaats], (hierna: appellant),

tegen de uitspraak van de rechtbank ’s-Hertogenbosch van 14 april 2009, 06/2023 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellant

en

de Secretaris-generaal van het Ministerie van Financiën (hierna: secretaris-generaal)

Datum uitspraak: 28 oktober 2010

I. PROCESVERLOOP

Appellant heeft hoger beroep ingesteld.

De secretaris-generaal heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 16 september 2010. Appellant is niet verschenen. De secretaris-generaal heeft zich laten vertegenwoordigen door L.P. de Jonge, werkzaam bij het ministerie van Financiën.

II. OVERWEGINGEN

1. Op grond van de gedingstukken en het verhandelde ter zitting gaat de Raad uit van de volgende hier van belang zijnde feiten en omstandigheden.

1.1. Bij circulaire van 8 april 2004, Stcrt. 21 juni 2004, nr. 115 (hierna: circulaire), heeft de minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties het in maart 2004 met de sociale partners overeengekomen sociaal flankerend beleid in de sector Rijk voor de periode van 1 maart 2004 tot 1 januari 2008 bekendgemaakt. Onderdeel daarvan is het zogenoemde FPU-arrangement, dat bestaat uit een aanvulling op de FPU-uitkering tot 70% van de FPU-berekeningsgrondslag gedurende maximaal acht jaar en/of een 50% voortzetting van de pensioenopbouw gedurende maximaal vier jaar op kosten van de werkgever. Voor ambtenaren van 55 of 56 jaar geldt de component van voortzetting van pensioenopbouw op kosten van de werkgever niet. Dit beleid is nadien neergelegd in een regeling: het Tijdelijk besluit sociaal flankerend beleid sector Rijk van 31 december 2004, Stb. 2005, 29 (hierna: Tijdelijk besluit).

1.2. Aan de Belastingdienst is als uitvloeisel van het Strategisch Akkoord en het Hoofdlijnenakkoord van achtereenvolgende kabinetten Balkenende een reductie van arbeidsplaatsen opgelegd van 3.450 fte per eind 2007. Met het oog daarop heeft de staatssecretaris van Financiën (hierna: staatssecretaris) in overeenstemming met het Georganiseerd Overleg Belastingdienst binnen de kaders van het hiervoor vermelde rijksbrede sociaal flankerend beleid op 10 mei 2004 een Tijdelijke regeling FPU-arrangement Belastingdienst (hierna: Tijdelijke regeling Belastingdienst) vastgesteld. Op grond van deze regeling komen FPU-gerechtigde ambtenaren van de Belastingdienst die geboren zijn vóór 1 januari 1948 gedurende een periode van maximaal acht jaar in aanmerking voor een aanvulling op de FPU-uitkering tot 70% van de FPU-berekeningsgrondslag en een gedeeltelijke voortzetting van de pensioenopbouw geheel voor rekening van de werkgever (hierna: FPU+ arrangement). Gevoegd bij een uitstroom wegens natuurlijk verloop van gemiddeld 2% per jaar zou daarmee volgens de staatssecretaris de noodzakelijke reductie van arbeidsplaatsen van 3.450 fte eind 2007 worden gehaald.

1.3. Appellant, geboren op 24 april 1949 en werkzaam bij de Belastingdienst, heeft bij brief van 27 april 2004 een verzoek ingediend om hem per 1 december 2005 ontslag te verlenen en hem in aanmerking te brengen voor een FPU+ arrangement. Bij brief van 5 mei 2004 is hierop namens het managementteam afwijzend gereageerd op de grond dat alleen medewerkers van 57 jaar of ouder een FPU+ arrangement wordt aangeboden. Dit besluit is gehandhaafd bij het bestreden besluit van de staatssecretaris van 8 maart 2006.

2. De rechtbank heeft het beroep van appellant tegen het bestreden besluit gegrond verklaard en het bestreden besluit vernietigd omdat naar het oordeel van de rechtbank niet de staatssecretaris, maar de secretaris-generaal bevoegd is om te beslissen op verzoeken om toepassing van het FPU+ arrangement op grond van Tijdelijke regeling Belasting-dienst. De rechtbank heeft wel de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit in stand gelaten, omdat de secretaris-generaal het besluit van 8 maart 2006 bij brief van 26 maart 2008 voor zijn rekening heeft genomen, appellant daardoor niet in zijn belangen is geschaad, en de rechtbank geen aanleiding heeft gevonden het bestreden besluit inhoudelijk aan te tasten.

2.1. Appellant betwist in hoger beroep de instandlating door de rechtbank van de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit. Volgens appellant is gehandeld in strijd met diverse beginselen van behoorlijk bestuur en met het recht.

3. De Raad overweegt als volgt.

3.1. De stelling van appellant dat in dit geval niet de secretaris-generaal, maar de Secretaris-generaal van het ministerie van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties (BZK) bevoegd is om een FPU+ arrangement aan te bieden onderschrijft de Raad niet. De regelgevende bevoegdheid van de minister van BZK op het terrein van de arbeidsvoorwaarden van rijksambtenaren dient onderscheiden te worden van de bevoegdheid tot het nemen van rechtspositionele beslissingen. Die laatste bevoegdheid komt in zijn algemeenheid toe aan het bevoegd gezag van het ministerie waar de ambtenaar werkzaam is, ook als de ambtenaar in algemene dienst van het Rijk is aangesteld.

Bovendien zijn de circulaire en het Tijdelijk besluit niet gebaseerd op artikel 49a van het ARAR, zoals appellant meent, maar op artikel 125 van de Ambtenarenwet.

In de circulaire is verder nog verwoord dat toekenning van de in onderdeel III opgenomen facultatieve voorzieningen, zoals het FPU-arrangement, ter beoordeling staat van het bevoegd gezag.

3.2. In navolging van de overwegingen van de Raad in zijn uitspraak van 12 juli 2007 (LJN BB0073 en TAR 2008, 3) overweegt de Raad dat het feit dat de circulaire en het Tijdelijk besluit de mogelijkheid openen om ook 55- en 56-jarigen een FPU-arrangement toe te kennen, niet betekent dat de secretaris-generaal ook daartoe gehouden is. Anders gezegd: aan de circulaire en het Tijdelijk besluit kan appellant geen absoluut recht op een FPU-arrangement ontlenen. Naar het oordeel van de Raad heeft de secretaris-generaal in redelijkheid kunnen komen tot de keuze om de doelgroep van het FPU+ arrangement te beperken tot personen van 57-jaar en ouder (hierna: 57-jarigen).

3.3. Vooruitlopend op de totstandkoming van de Tijdelijke regeling Belastingdienst is sinds december 2003 consequent het standpunt ingenomen dat slechts 57-jarigen in aanmerking konden komen voor een FPU+ arrangement. De onjuiste koppeling tussen de looptijd van een FPU-arrangement van maximaal acht jaar en het toepasselijk zijn van de regeling voor 57-jarigen in de brief van de Directeur-generaal Belastingdienst van 15 december 2003, maakt dat niet anders. Evenmin kan aan het feit dat die onjuiste koppeling is gemaakt het vertrouwen worden ontleend dat ook 55- en 56-jarigen in aanmerking konden komen voor een FPU-arrangement. Van enige andere rechtens te honoreren toezegging op dit punt is evenmin gebleken.

3.4. Zoals de Raad hiervoor en ook eerder in zijn uitspraak van 19 november 2009 (LJN BK8450 en TAR 2010, 42), heeft overwogen geven de circulaire en het Tijdelijk besluit aan elk bevoegd gezag binnen de sector Rijk een ruime beoordelingsvrijheid om te bepalen of en in hoeverre het gebruik van FPU-arrangementen dienstig is binnen zijn organisatie. De keuzes van een ander bevoegd gezag dan het voor appellant geldende kunnen in het kader van een beroep op het gelijkheidsbeginsel niet in aanmerking worden genomen voor een vergelijking met de keuze van de secretaris-generaal.

3.5. Ook overigens heeft de Raad in hetgeen appellant in hoger beroep heeft aangevoerd geen aanleiding gevonden om het bestreden besluit inhoudelijk aan te tasten, zodat geoordeeld moet worden dat de rechtbank de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit terecht in stand heeft gelaten.

4. De Raad acht tot slot geen termen aanwezig toepassing te geven aan artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht inzake vergoeding van proceskosten.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door M.C. Bruning als voorzitter en K.J. Kraan en B.J. van de Griend als leden, in tegenwoordigheid K. Moaddine als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 28 oktober 2010.

(get.) M.C. Bruning.

(get.) K. Moaddine.

HD