Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2010:BO3732

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
04-11-2010
Datum publicatie
12-11-2010
Zaaknummer
09/3424 AW + 09/3429 AW
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBROT:2009:BL3292, Bekrachtiging/bevestiging
Rechtsgebieden
Ambtenarenrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Medewerking aan onroerendgoedtransacties door medewerker Belastingdienst. Schorsing, inhouding van bezoldiging en strafontslag. Appellant is (ook) gehoord door degene die bij de voorbereiding van de primaire besluiten betrokken was. Instandlating rechtsgevolgen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

09/3424 AW en 09/3429 AW

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[appellant], wonende te [woonplaats], (hierna: appellant),

tegen de uitspraak van de rechtbank Rotterdam van 13 mei 2009, 08/1538 en 08/2031 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellant

en

de Staatssecretaris van Financiën (hierna: staatssecretaris)

Datum uitspraak: 4 november 2010

I. PROCESVERLOOP

Appellant heeft hoger beroep ingesteld.

De staatssecretaris heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 23 september 2010. Appellant is verschenen, bijgestaan door mr. V.M. Weski, advocaat te Rotterdam. De staatssecretaris heeft zich laten vertegenwoordigen door L.P. de Jonge, werkzaam bij het ministerie van Financiën.

II. OVERWEGINGEN

1. Voor een meer uitgebreide weergave van de hier van belang zijnde feiten en omstandigheden verwijst de Raad naar de aangevallen uitspraak. Hij volstaat hier met het volgende.

1.1. Appellant was werkzaam als algemeen facilitair medewerker bij de eenheid Belastingdienst/CFD, unit Rijnmond. Bij brief van 13 augustus 2007 heeft de staatssecretaris aan appellant het voornemen kenbaar gemaakt hem wegens zeer ernstig plichtsverzuim de disciplinaire straf van onvoorwaardelijk ontslag op te leggen. Bij besluit van gelijke datum heeft de staatssecretaris bepaald dat appellant, in verband met dat voornemen, op grond van artikel 91, eerste lid, aanhef en onder b, van het Algemeen Rijksambtenarenreglement (ARAR) wordt geschorst en dat op grond van artikel 92, eerste lid, van het ARAR zijn bezoldiging gedurende zes weken voor één derde en na verloop van die zes weken volledig wordt ingehouden. Bij besluit van 19 september 2007 is appellant de straf van onvoorwaardelijk ontslag opgelegd.

1.2. De tegen de besluiten van 13 augustus 2007 en 19 september 2007 gemaakte bezwaren zijn bij besluiten op bezwaar van onderscheidenlijk 27 februari 2008 en 2 april 2008 (hierna: bestreden besluiten) ongegrond verklaard.

2. De rechtbank heeft bij de aangevallen uitspraak het beroep tegen de bestreden besluiten ongegrond verklaard.

3. In hoger beroep heeft appellant zijn in bezwaar en beroep naar voren gebrachte stellingen herhaald. De staatssecretaris heeft gemotiveerd verweer gevoerd. De Raad overweegt het volgende.

3.1. De gemachtigde van de staatssecretaris heeft er ter zitting van de Raad op gewezen, dat hij destijds als arbeidsjurist bij de voorbereiding van de (primaire) besluiten van

13 augustus 2007 en 19 september 2007 betrokken is geweest en deze namens de staatssecretaris heeft genomen en dat hij vervolgens, in strijd met artikel 7:5 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb), samen met een andere arbeidsjurist van het team Juridische Zaken appellant heeft gehoord inzake diens bezwaren tegen genoemde besluiten.

De Raad overweegt dat, zoals hij eerder heeft overwogen (CRvB 2 mei 2002, 00/2567 AW, LJN BJ3157), dit gebrek ertoe dient te leiden dat de bestreden besluiten wegens strijd met artikel 7:5, eerste lid, van de Awb worden vernietigd, evenals de aangevallen uitspraak waarbij die besluiten in stand zijn gelaten. Nu het horen, zoals blijkt uit de gedingstukken, overigens op correcte wijze heeft plaatsgevonden, van het horen een verslag is gemaakt dat voor akkoord is getekend door de gemachtigde van appellant, en ter zitting van de Raad van de zijde van appellant niet is gewezen op enigerlei nadeel, is de Raad niet gebleken dat appellant door genoemde overtreding in zijn belangen is geschaad. Aangezien niet verwacht kan worden dat hernieuwd horen tot andersluidende besluiten zal leiden ziet de Raad met betrekking tot dit gebrek aanleiding gebruik te maken van zijn bevoegdheid de rechtsgevolgen van de vernietigde besluiten in stand te laten. Daarbij heeft de Raad in zijn overwegingen betrokken dat die besluiten inhoudelijk juist kunnen worden geacht. Dit oordeel berust op de volgende overwegingen.

3.2. Met betrekking tot de schorsing moet volgens vaste rechtspraak van de Raad (CRvB 31 juli 2008, LJN BD9714) bij gebruikmaking van deze bevoegdheid worden beoordeeld of de staatssecretaris beschikte over voldoende gronden voor het ontslagvoornemen. De Raad is van oordeel dat dit het geval was. In het bijzonder hetgeen ten tijde van het schorsingsbesluit bij de staatssecretaris bekend was over het - al dan niet bewust - meewerken door appellant aan het buiten zicht houden voor de belastingdienst van transactiewinsten en/of vermogen, acht de Raad een toereikende grondslag voor het ontslagvoornemen, en derhalve ook voor het schorsingsbesluit.

Wat betreft de inhouding van bezoldiging is de Raad, ook op dit punt in overeenstemming met de rechtbank, van oordeel dat de staatssecretaris doorslaggevende betekenis heeft mogen toekennen aan de ernst van het aan appellant verweten plichtsverzuim; ook de Raad is niet gebleken dat appellant door die inhouding voor onoverkomelijke financiële problemen is komen te staan.

3.3. Met betrekking tot het ontslag stelt de Raad vast dat appellant de aan hem als plichtsverzuim ten laste gelegde feiten op zichzelf niet bestrijdt. De Raad neemt dan ook, met de rechtbank, als vaststaand aan dat appellant heeft meegewerkt aan het buiten zicht brengen van transactiewinsten c.q. vermogen door in de privésfeer al dan niet bewust zijn medewerking te verlenen aan de aan- en verkoop van een tweetal panden te Rotterdam. Die panden zijn op naam van appellant aangekocht en diezelfde dag weer doorverkocht, met een transactiewinst van totaal € 50.000,-. Appellant heeft goedgevonden dat een persoon genaamd S.O. een aanmerkelijk bedrag op zijn bankrekening heeft laten storten, welke bedragen appellant vervolgens contant heeft opgenomen en aan S.O. heeft overhandigd. Appellant heeft hier twee keer een vergoeding van € 250,- voor ontvangen. Voorts is appellant bij herhaling de met hem gemaakte afspraken over zijn aanvangs- en werktijden niet nagekomen. Ook heeft hij ten onrechte zijn werkzaamheden niet hervat nadat hij hersteld is gemeld door de bedrijfsarts.

3.4. De stelling van appellant dat de opgelegde straf van ontslag onevenredig is aan de aard en de ernst van het vastgestelde plichtsverzuim kan de Raad niet volgen.

Wat betreft de medewerking aan onroerendgoedtransacties die aan appellant wordt verweten is de Raad van oordeel dat deze, ook indien appellant zich er niet (ten volle) van bewust zou zijn geweest dat het illegale praktijken betrof, ernstig plichtsverzuim oplevert. Appellant had zich, ongeacht zijn opleidings- en functieniveau, dat illegale karakter behoren te realiseren. Bij twijfel over de toelaatbaarheid had het op zijn weg gelegen daarover met zijn leidinggevende te overleggen. Dat appellant twijfel heeft gehad blijkt uit zijn eigen verklaring tijdens het verhoor door de FIOD, dat hij aan S.O. heeft gevraagd, naar aanleiding van diens aanbod, of hij geen problemen zou krijgen met de belastingdienst. Diens geruststellende antwoord, dat de belastingdienst hier buiten stond, had appellant - zeker nu hij zelf werkzaam was bij de belastingdienst - zonder meer aldaar moeten verifiëren.

Wat betreft de overige onderdelen van het plichtsverzuim - het zich niet houden aan aanvangs- en werktijden en het niet hervatten na hersteldmelding - is de Raad van oordeel dat hetgeen appellant naar voren heeft gebracht over de zorgen om zijn ouders en de slapeloosheid die daarvan mede het gevolg was, niet kan afdoen aan de ernst van deze feiten. In het bijzonder acht de Raad van belang dat het hier doorgaand gedrag betrof, aangezien appellant meermalen nieuwe kansen zijn geboden zich aan de afspraken te gaan houden, maar dit telkens tevergeefs bleek.

4. In het vorenstaande vindt de Raad aanleiding de staatssecretaris op grond van artikel 8:75 van de Awb te veroordelen in de proceskosten van appellant in beroep tot een bedrag van € 644,- en in hoger beroep tot een bedrag van € 644,-, tezamen € 1.288,- aan kosten van rechtsbijstand.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Vernietigt de aangevallen uitspraak;

Verklaart het beroep tegen de besluiten van 27 februari 2008 en 2 april 2008 gegrond, vernietigt deze besluiten en bepaalt dat de rechtsgevolgen van deze besluiten in stand blijven;

Veroordeelt de staatssecretaris in de proceskosten van appellant tot een bedrag van

€ 1.288,-;

Bepaalt dat de staatssecretaris aan appellant het in eerste aanleg en in hoger beroep betaalde griffierecht ten bedrage van € 513,- vergoedt.

Deze uitspraak is gedaan door K. Zeilemaker als voorzitter en M.C. Bruning en K.J. Kraan als leden, in tegenwoordigheid van P.W.J. Hospel als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 4 november 2010.

(get.) K. Zeilemaker.

(get.) P.W.J. Hospel.

HD