Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2010:BO3729

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
11-11-2010
Datum publicatie
12-11-2010
Zaaknummer
09-4926 WAO
Formele relaties
Cassatie: ECLI:NL:HR:2011:BQ9066
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Weigering WAO-uitkering. Artikel 32, eerste lid, van de ZW mist in dit geval toepassing. Dit artikel regelt in gevallen van ongeschiktheid tot werken wegens ziekte de samenloop van het recht op ziekengeld op grond van de ZW met andere in dat artikel nader genoemde arbeidsongeschiktheidsuitkeringen. Van een dergelijke samenloop is in dit geval geen sprake.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

09/4926 WAO

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[appellant], wonende te [woonplaats] (hierna: appellant),

tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 3 augustus 2009, 08/802 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellant

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv)

Datum uitspraak: 11 november 2010

I. PROCESVERLOOP

Appellant heeft hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 19 augustus 2010. Appellant is verschenen. Het College heeft zich laten vertegenwoordigen door drs. J. Hut, werkzaam bij het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen.

II. OVERWEGINGEN

1. Voor een overzicht van de in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden verwijst de Raad naar de aangevallen uitspraak. Hij volstaat hier met het volgende.

1.1. Bij besluit van 2 juli 2002 heeft het Uwv de aanvraag van appellant om hem met ingang van 2 juli 2002 een uitkering ingevolge de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO) te verlenen afgewezen, op de grond dat de mate van zijn arbeidsongeschiktheid per die datum minder dan 15% bedraagt.

1.2. Bij besluit van 19 februari 2003 heeft het Uwv het besluit van 2 juli 2002 gehandhaafd. Aan dit besluit ligt ten grondslag dat appellant geschikt wordt geacht voor zijn eigen werk. Tegen het besluit van 19 februari 2003 is geen rechtsmiddel aangewend, zodat dit onherroepelijk is geworden.

1.3. Op 8 oktober 2007 heeft appellant een verzoek ingediend om het besluit van 19 februari 2003 te herzien in de zin dat aan hem een WAO-uitkering dient te worden verleend. De aanleiding voor dit verzoek is gelegen in de uitspraak van de Raad van

6 juni 2007, LJN BA7121, waarbij de Raad in het kader van de beoordeling van de afwijzing van de aanvraag van appellant om een uitkering ingevolge de Ziektewet (ZW) heeft geoordeeld dat het besluit niet op een adequate motivering berust nu sprake was van tegenstrijdige medische rapportages over de vraag of appellant geschikt was om zijn eigen werk te verrichten. Ter uitvoering van deze uitspraak heeft het Uwv bij besluit van 24 juli 2007 aan appellant een uitkering ingevolge de ZW toegekend.

1.4. Bij besluit van 15 november 2007 heeft appellant het verzoek van 8 oktober 2007 afgewezen. Bij besluit van

26 februari 2008 heeft het Uwv het bezwaar tegen het besluit van 15 november 2007 met overeenkomstige toepassing van artikel 4:6, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) ongegrond verklaard.

1.5. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het tegen het besluit van 15 november 2007 ingestelde beroep ongegrond verklaard.

2. Appellant betwist in hoger beroep niet het oordeel van de rechtbank dat de uitspraak van de Raad van 6 juni 2007 niet is aan te merken als een nieuw feit of veranderde omstandigheid als bedoeld in artikel 4:6 van de Awb en dat het Uwv op die grond bevoegd was om de aanvraag om herziening van het besluit van 19 februari 2003 af te wijzen. Appellant heeft uitsluitend aangevoerd dat de WAO-uitkering ten onrechte is afgewezen gelet op het bepaalde in artikel 32, eerste lid, van de ZW.

3. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

3.1. De Raad stelt vast dat artikel 32, eerste lid, van de ZW in het onderhavige geval toepassing mist. Dit artikel regelt in gevallen van ongeschiktheid tot werken wegens ziekte de samenloop van het recht op ziekengeld op grond van de ZW met andere in dat artikel nader genoemde arbeidsongeschiktheidsuitkeringen. Van een dergelijke samenloop is in het onderhavige geval geen sprake.

4. De aangevallen uitspraak komt gelet op het vorenstaande voor bevestiging in aanmerking.

5. De Raad ziet geen aanleiding voor een veroordeling in de proceskosten.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door R.C. Schoemaker, in tegenwoordigheid van R.L.G. Boot als griffier. De Beslissing is uitgesproken in het openbaar op 11 november 2010.

(get.) R.C. Schoemaker.

(get.) R.L.G. Boot.

SB