Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2010:BO3727

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
09-11-2010
Datum publicatie
12-11-2010
Zaaknummer
09-2829 WWB
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Terugvordering bijstand. Gezamenlijke huishouding. Schending inlichtingenverplichting.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

09/2829 WWB

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[appellant], wonende te [woonplaats] (hierna: appellant),

tegen de uitspraak van de rechtbank Zwolle-Lelystad van 24 april 2009, 08/2001 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellant

en

het College van burgemeester en wethouders van de gemeente Lelystad (hierna: College)

Datum uitspraak: 9 november 2010

I. PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. drs. M.P.J. Appelman, advocaat te Lelystad, hoger beroep ingesteld.

Het College heeft een verweerschrift ingediend.

De zaak is ter behandeling aan de orde gesteld ter zitting van 28 september 2010, waar partijen, het College met voorafgaand bericht, niet zijn verschenen.

II. OVERWEGINGEN

1. De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en

omstandigheden.

1.1. [H.] heeft vanaf 1 december 2004 bijzondere bijstand ontvangen voor diverse medische en andere kosten, alsmede langdurigheidstoeslag over de jaren 2004 en 2005 tot een bedrag van € 20.979,89. Naar aanleiding van een anonieme tip dat [H.] en appellant samen zouden wonen op het adres aan [adres 1] te [naam gemeente] is een onderzoek ingesteld naar de rechtmatigheid van de aan [H.] verleende bij stand.

1.2. Op grond van de bevindingen van dit onderzoek, waarvan de resultaten zijn neergelegd in een rapport van 2 maart 2006 heeft het College bij besluit van 18 april 2006, gehandhaafd bij besluit op bezwaar van 1 maart 2007, de bijzondere bij stand van [H.] over de periode 1 december 2004 tot en met 28 februari 2006 en de langdurigheidstoeslag over de jaren 2004 en 2005 ingetrokken en de gemaakte kosten van bijstand van [H.] teruggevorderd. Daaraan is ten grondslag gelegd dat [H.] in de periode van 1 december 2004 tot en met 28 februari 2006 met appellant een gezamenlijke huishouding heeft gevoerd zonder daarvan melding te maken bij het College.

1.3. Bij besluit van eveneens 18 april 2006 heeft het College het hiervoor genoemde bedrag mede van appellant teruggevorderd. Bij besluit van 16 oktober 2008 heeft het College het bezwaar van appellant tegen het besluit van 18 april 2006 ongegrond verklaard.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het besluit van 16 oktober 2008 gegrond verklaard, dat besluit vernietigd en de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit in stand gelaten, met bepalingen inzake proceskosten en griffierecht.

3. In hoger beroep heeft appellant zich gemotiveerd tegen deze uitspraak gekeerd, voor zover de rechtbank daarbij de rechtsgevolgen van het besluit 16 oktober 2008 in stand heeft gelaten.

4. De Raad overweegt het navolgende.

4.1. Ingevolge artikel 59, tweede lid, van de Wet werk en bijstand (WWB), voor zover bier van belang, kunnen, indien de bijstand als gezinsbijstand aan gehuwden had moeten worden verleend, maar zulks achterwege is gebleven omdat de belanghebbende de inlichtingenverplichting niet of niet behoorlijk is nagekomen, de kosten van bijstand

mede worden teruggevorderd van de persoon met wiens middelen bij de verlening van bijstand rekening had moeten worden gehouden.

4.2. Voor de vaststelling dat appellant die persoon is, is allereerst vereist dat appellant in de periode van 1 december 2004 tot en met 28 februari 2006 met [H.] een gezamenlijke huishouding heeft gevoerd.

4.3. Bij uitspraak van de Raad van 1 februari 2010, 07/4284, in het geding tussen [H.] en het College, heeft de Raad geoordeeld dat [H.] in de periode van 1 december 2004 tot en met 28 februari 2006 een gezamenlijke huishouding heeft gevoerd met appellant en dat zij daarvan in strijd met de inlichtingenverplichting geen mededeling heeft gedaan.

4.4. Hetgeen appellant in hoger beroep naar voren heeft gebracht, feitelijk dezelfde bezwaren inhoudende als [H.] heeft aangevoerd in de procedure 07/4282, werpt geen ander licht op het onder 4.3 vermelde oordeel.

4.5. Uit het onder 4.3 en 4.4 overwogene volgt dat ook in dit geding moet worden geoordeeld dat appellant en [H.] in de in geding zijnde periode een gezamenlijke huishouding hebben gevoerd en tevens vaststaat dat verlening van bijstand als gezinsbij stand aan gehuwden achterwege is gebleven, omdat [H.] haar inlichtingenverplichting niet is nagekomen.

4.6. Uit het voorgaande vloeit voort dat het College op grond van artikel 59, tweede lid, van de WWB bevoegd was de over de periode van 1 december 2004 tot en met 28 februari 2006 ten aanzien van [H.] gemaakte kosten van bijstand mede van appellant terug te vorderen. Anders dan appellant heeft aangevoerd is, voor de vaststelling of het College daartoe bevoegd is, niet van belang of appellant al dan niet profijt heeft gehad van de aan [H.] verleende bijstand.

Met betrekking tot de wijze waarop van die bevoegdheid gebruik is gemaakt is de Raad van oordeel dat het College heeft gehandeld overeenkomstig zijn beleidsregel ter zake van terugvordering. In hetgeen appellant heeft aangevoerd ziet de Raad geen grond voor het oordeel dat het College met toepassing van artikel 4:84 (slot) van de Algemene wet

bestuursrecht, in afwijking van de beleidsregel, geheel of gedeeltelijk van terugvordering had moeten afzien.

4.7. Het voorgaande betekent dat de rechtbank de rechtsgevolgen van het besluit van 16 oktober 2008 terecht in stand heeft gelaten en dat de aangevallen uitspraak, voor zover door appellant aangevochten, dient te worden bevestigd.

5. De Raad ziet geen aanleiding voor een veroordeling in de proceskosten.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak, voor zover aangevochten.

Deze uitspraak is gedaan door C. van Viegen als voorzitter en R. Kooper en J.F. Bandringa als leden, in tegenwoordigheid van M. Pijper als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 9 november 2010.

(get.) C. van Viegen.

(get.) M. Pijper.

HD