Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2010:BO3722

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
28-10-2010
Datum publicatie
12-11-2010
Zaaknummer
09/4136 AW + 09/4339 AW
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Ambtenarenrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Wijziging in ATP-status. Anders dan de rechtbank in de aangevallen uitspraak heeft overwogen, voert de korpsbeheerder - zoals hij onweersproken heeft gesteld - consequent het beleid dat medewerkers die zijn aangesteld ter uitvoering van de politietaak, ook daadwerkelijk worden ingezet ter uitvoering van deze taken. Indien een medewerker niet langer kan of wil worden ingezet voor deze taken volgt aanstelling als ATP-medewerker en verliest de medewerker zijn executieve status. Van dit beleid kan de Raad niet zeggen dat het buiten redelijkheidsgrenzen is gelegen, ook niet als kan worden vastgesteld dat in andere politieregio’s een beleid wordt gevoerd waarbij in bepaalde situaties een verplaatste medewerker zijn executieve status kan behouden.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
TAR 2011/24
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

09/4136 AW

09/4339 AW

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op de hoger beroepen van:

de Korpsbeheerder van de politieregio Zeeland (hierna: korpsbeheerder)

en

[betrokkene], wonende te [woonplaats], (hierna: betrokkene),

tegen de uitspraak van de rechtbank Middelburg van 16 juli 2009, 09/35 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

betrokkene

en

de korpsbeheerder

Datum uitspraak: 28 oktober 2010

I. PROCESVERLOOP

De korpsbeheerder en betrokkene hebben hoger beroep ingesteld.

Betrokkene en de korpsbeheerder hebben een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 30 september 2010. De korpsbeheerder heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. L.W.H. van den Berg en mr. P.J.M. de Smet, beiden werkzaam bij de politieregio Zeeland. Namens betrokkene is verschenen mr. N.D. Dane, werkzaam bij de Nederlandse Politie Bond.

II. OVERWEGINGEN

1. Op grond van de gedingstukken en het verhandelde ter zitting gaat de Raad uit van de volgende hier van belang zijnde feiten en omstandigheden.

1.1. Betrokkene was bij de politieregio Zeeland aangesteld voor de uitvoering van de politietaak, bedoeld in artikel 3, eerste lid, aanhef en onder a, van de Politiewet 1993. Hij had daarmee een zogenoemde executieve status. Omdat hij om medische redenen blijvend ongeschikt was geworden voor het uitoefenen van executieve werkzaamheden, is hij herplaatst en aangesteld voor de uitvoering van technische, administratieve en andere taken ten dienste van de politie, bedoeld in artikel 3, eerste lid, aanhef en onder b, van de Politiewet 1993.

1.2. In het desbetreffende, op artikel 49c van het Besluit algemene rechtspositie politie (Barp) gebaseerde, wijzigingsbesluit van 26 augustus 2008 is vastgesteld dat betrokkene de (zogenoemde) ATP-status heeft. Aan betrokkene is medegedeeld dat deze wijziging van status geen invloed heeft op zijn pensioen, welke mededeling door betrokkene niet is betwist.

Omdat betrokkene als gevolg van de statuswijziging geen uniform meer mocht dragen en zijn politierang kwijtraakte en verder te maken zou (kunnen) krijgen met de verplichting zijn vakkennis bij te houden ten behoeve van het behoud van de bevoegdheid van bijzonder opsporingsambtenaar, kon hij zich niet met de statuswijziging verenigen. De korpsbeheerder heeft dat bezwaar van betrokkene ongegrond verklaard bij besluit van 3 december 2008 (hierna: bestreden besluit).

2. De rechtbank heeft bij de aangevallen uitspraak het beroep van betrokkene tegen het bestreden besluit gegrond verklaard. Zij heeft het wijzigingsbesluit herroepen en bij haar uitspraak bepaald dat aan betrokkene de executieve status wordt toegekend. Zij heeft bepalingen gegeven over de vergoeding van griffierecht en proceskosten. Daarbij heeft zij geen beslissing gegeven betreffende het door betrokkene bij bezwaarschrift gedane verzoek hem de kosten te vergoeden van juridische bijstand in bezwaar (hierna: bezwaarkosten).

3. De korpsbeheerder kan zich niet verenigen met het oordeel van de rechtbank dat betrokkene zijn executieve status moest behouden.

Het hoger beroep van betrokkene is gericht tegen het kennelijke verzuim van de rechtbank de bezwaarkosten voor vergoeding in aanmerking te brengen.

4. De Raad overweegt naar aanleiding van de standpunten van partijen als volgt.

4.1.1. Anders dan de rechtbank in de aangevallen uitspraak heeft overwogen, voert de korpsbeheerder - zoals hij onweersproken heeft gesteld - consequent het beleid dat medewerkers die zijn aangesteld ter uitvoering van de politietaak, ook daadwerkelijk worden ingezet ter uitvoering van deze taken. Indien een medewerker niet langer kan of wil worden ingezet voor deze taken volgt aanstelling als ATP-medewerker en verliest de medewerker zijn executieve status.

4.1.2. Van dit beleid kan de Raad niet zeggen dat het buiten redelijkheidsgrenzen is gelegen, ook niet als kan worden vastgesteld dat in andere politieregio’s een beleid wordt gevoerd waarbij in bepaalde situaties een verplaatste medewerker zijn executieve status kan behouden. De Raad kan de korpsbeheerder volgen in zijn opvatting dat de circulaire van de Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties van 20 december 2001, EA2001/102376, niet tot een ander oordeel dwingt. De Raad wijst erop dat die “eindejaarscirculaire arbeidsvoorwaarden” blijkens het voorblad geen juridische grondslag heeft, niet meer dan informatie verschaft over de stand van zaken met betrekking tot een aantal onderwerpen en slechts een passage bevat over de status van de ambtenaar “naar aanleiding van de diverse malen gestelde vraag omtrent de status van ambtenaren in relatie tot de opbouw van AFUP-specifiek”, waarover het hier aan de orde zijnde geschil niet gaat.

4.1.3. Betrokkene heeft niet onderbouwd dat, los van de circulaire, uit het Barp of een ander op hem toepasselijk rechtspositievoorschrift voortvloeit dat in zijn situatie de executieve status behouden zou blijven. De Raad komt daarom tot de conclusie dat het door de korpsbeheerder bij het bestreden besluit gehandhaafde wijzigingsbesluit, anders dan betrokkene stelt en de rechtbank heeft overwogen, niet in strijd is met een geschreven of ongeschreven rechtsregel of een algemeen rechtsbeginsel. De rechtbank heeft het bestreden besluit ten onrechte vernietigd, zodat de aangevallen uitspraak moet worden vernietigd. Het beroep tegen het bestreden besluit is ongegrond.

4.2. Dit brengt mee dat het hoger beroep van betrokkene, dat voortborduurt op de vernietiging van het bestreden besluit, geen nadere bespreking behoeft.

5. De Raad ziet tot slot geen aanleiding om toepassing te geven aan artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht inzake vergoeding van proceskosten.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Vernietigt de aangevallen uitspraak;

Verklaart het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door H.A.A.G. Vermeulen als voorzitter en M.C. Bruning en W.H. Bel als leden, in tegenwoordigheid van I. Mos als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 28 oktober 2010.

(get.) H.A.A.G. Vermeulen.

(get.) I. Mos.

HD

Q