Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2010:BO3714

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
04-11-2010
Datum publicatie
12-11-2010
Zaaknummer
09-5365 WUV
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Berekeningsbeslissing en terugvordering teveel Wuv-uitkering in verband met de vanaf september 2008 ontvangen toeslag op zijn AOW-uitkering en het van het GBF ontvangen pensioen. Verrekening door maandelijkse inhouding op Wuv-uitkering.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

09/5365 WUV

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

in het geding tussen:

[appellant], wonende te [woonplaats] (hierna: appellant),

en

de Raadskamer WUV van de Pensioen- en Uitkeringsraad (hierna: verweerster)

Datum uitspraak: 4 november 2010

I. PROCESVERLOOP

Appellant heeft beroep ingesteld tegen een door verweerster onder dagtekening 13 augustus 2009, kenmerk BZ 48449, JZ/L80/2009, ten aanzien van appellant genomen besluit (hierna: bestreden besluit) ter uitvoering van de Wet uitkeringen vervolgingsslachtoffers 1940-1945 (hierna: de Wuv).

Verweerster heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 23 september 2010. Appellant is, na voorafgaand schriftelijk bericht, niet verschenen. Verweerster heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. T.R.A. Dircke, werkzaam bij de Pensioen- en uitkeringsraad.

II. OVERWEGINGEN

1.1. Uit de gedingstukken leidt de Raad af dat aan appellant ingevolge de Wuv een periodieke uitkering is toegekend met ingang van 1 mei 1984. In maart 2007 is appellant 65 jaar geworden en is aan hem een pensioenuitkering ingevolge de Algemene Ouderdomswet (AOW) toegekend. Daarnaast ontvangt appellant meerdere aanvullende pensioenen, onder meer van de GBF (Grafische Bedrijfsfondsen). Van dit laatste pensioen heeft appellant pas in maart 2008 melding gemaakt. Verder bleek toen ook dat de inkomsten uit het AOW-pensioen hoger waren dan waar rekening mee was gehouden bij de voorlopige toekenning van de Wuv-uitkering, omdat aan appellant een toeslag op zijn AOW-uitkering was verleend voor zijn echtgenote.

1.2. Bij brief van 29 april 2009 heeft verweerster appellant onder meer ervan in kennis gesteld dat de hoogte van de aan hem toekomende Wuv-uitkering vanwege die nader gebleken inkomsten vanaf 1 januari 2008 voorlopig is bijgesteld. Over de periode van 1 januari 2008 tot 1 april 2009 bleek € 3.576,58 teveel aan uitkering te zijn betaald. Dit bedrag zou van appellant worden teruggevorderd. Vanaf april 2009 zou de uitkering van appellant verlaagd worden tot € 586,22 bruto per maand.

1.3. Bij brief van 19 mei 2009 heeft appellant verweerster erop gewezen dat de hem toegekende toeslag op zijn AOW-uitkering, in verband met een nabetaling ingevolge de Werkloosheidswet aan zijn echtgenote, over de periode van november 2007 tot en met augustus 2008 ten onrechte was toegekend en inmiddels was teruggevorderd door de Sociale Verzekeringsbank.

1.4. Bij berekeningsbeslissing van 31 mei 2009, en de daarbij behorende brief van 28 mei 2009, is van appellant € 1.943,71 teruggevorderd omdat teveel Wuv-uitkering is betaald in verband met de door hem vanaf september 2008 ontvangen toeslag op zijn AOW-uitkering en het van het GBF ontvangen pensioen. Ter verrekening heeft verweerster met ingang van mei 2009 maandelijks € 149,39 bruto op de Wuv-uitkering van appellant ingehouden. Tegen deze berekeningsbeslissing en terugvordering heeft appellant bezwaar gemaakt.

1.5. Bij het thans bestreden besluit is het bezwaar van appellant ongegrond verklaard. In een het bestreden besluit begeleidende brief heeft verweerster te kennen gegeven akkoord te gaan met een maandelijkse inhouding op de uitkering van € 100,- in plaats van € 149,39.

1.6. In beroep tegen het bestreden besluit is namens appellant naar voren gebracht dat hij aan de feitelijke uitbetaling van zijn Wuv-uitkering, hoewel deze een voorlopig karakter had, de zekerheid kon en mocht ontlenen dat die uitbetaling naar de juiste hoogte plaatsvond. Omdat de berekening van de uitkering nogal complex is, kon appellant immers niet weten dat teveel betaald werd. Terugvordering daarvan is volgens appellant daarom in strijd met het beginsel van rechtszekerheid.

2. De Raad staat in dit geding voor de vraag of het bestreden besluit, gelet op wat partijen in beroep hebben aangevoerd, in stand kan blijven. De Raad overweegt het volgende.

2.1. Niet is in geschil dat verweerster teveel Wuv-uitkering aan appellant heeft uitbetaald over het jaar 2008 omdat verweerster bij de voorlopige berekening van de hoogte van die uitkering niet bekend was met het GBF-pensioen en de aan appellant met ingang van september 2008 toegekende toeslag op zijn AOW-uitkering.

2.2. Evenmin is in geschil dat appellant wist of kon weten dat de hoogte van zijn Wuv-uitkering, omdat deze samenhangt met de overige door de uitkeringsgerechtigde te verwerven inkomsten, aan het begin van het kalenderjaar op grond van het bepaalde in artikel 59a, eerste lid, (oud) van de Wuv in de periode hier in geding een voorlopig karakter had en pas na afloop van dat jaar de definitieve hoogte van de uitkering kon worden vastgesteld na kennisname van alle (inkomens)gegevens. Naar uit het verweerschrift blijkt is dit systeem met voorlopige toekenningen op diverse manieren en jaarlijks aan uitkeringsgerechtigden kenbaar gemaakt, onder meer door het opsturen van Wuv-inlichtingenformulieren waarop zij de in het afgelopen kalenderjaar genoten inkomsten moesten opgeven.

2.3. Het voorgaande mede in aanmerking genomen vermag de Raad niet in te zien dat de - gezien de in artikel 59a, tweede lid (oud) van de Wuv imperatief voorgeschreven - terugvordering in het geval van appellant in strijd zou zijn met het rechtszekerheidsbeginsel. Een voorlopige toekenning heeft immers naar zijn aard een voorlopig en geen definitief karakter. Dat de berekeningsbeslissing zelf complex is kan niet worden ontkend, maar de Raad is van oordeel dat verweerster heeft voldaan aan haar uit het motiveringsbeginsel voortvloeiende verplichting om in voldoende mate inzicht te verschaffen in het feitencomplex, de regelgeving en de gedachtegang die aan het besluit ten grondslag liggen.

2.4. Het vorenstaande betekent dat het beroep van appellant ongegrond verklaard moet worden.

3. De Raad acht geen termen aanwezig toepassing te geven aan artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht inzake vergoeding van proceskosten.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door A. Beuker-Tilstra als voorzitter en A.J. Schaap en G.L.M.J. Stevens als leden, in tegenwoordigheid van I. Mos als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 4 november 2010.

(get.) A. Beuker-Tilstra.

(get.) I. Mos.

HD