Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2010:BO3670

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
02-11-2010
Datum publicatie
12-11-2010
Zaaknummer
09/4794 WWB + 09/4795 WWB + 09/5013 WWB + 09/5014 WWB + 10/1497 WWB + 10/1498 WWB
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Intrekking en terugvordering bijstand. Het was appellanten in 1996 niet duidelijk dat de hoogte van het vermogen van appellante van belang was voor de vaststelling van het recht op bijstand. De rechtbank heeft dat niet onderkend. Doende hetgeen de rechtbank zou behoren te doen, zal de Raad het beroep van appellanten ongegrond verklaren. Gezamenlijke huishouding. Schending inlichtingenverplichting. Vernietiging uitspraak. Beroep ongegrond.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

09/4794 WWB, 09/4795 WWB

09/5013 WWB, 09/5014 WWB

10/1497 WWB en 10/1498 WWB

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op de hoger beroepen van:

1. [Appellant] en [Appellante], beiden wonende te [woonplaats], en

2. het College van burgemeester en wethouders van de gemeente Slochteren (hierna: College)

tegen de uitspraak van de rechtbank Groningen van 8 juli 2009, 08/856 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellanten

en

het College

Datum uitspraak: 2 november 2010

I. PROCESVERLOOP

Namens appellanten heeft G.M. Hulst, verbonden aan het Administratie- en Belastingadvieskantoor Hulst, te Slochteren, hoger beroep ingesteld.

Ook het College heeft hoger beroep ingesteld.

Appellanten en het College hebben een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 10 augustus 2010. Appellanten zijn niet verschenen. Het College heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. I.M. Klok, werkzaam bij de gemeente Slochteren.

II. OVERWEGINGEN

1. De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.

1.1. Appellanten ontvingen, voor zover hier van belang, sinds 1 januari 1996 bijstand naar de norm voor gehuwden, laatstelijk ingevolge de Wet werk en bijstand (WWB). Appellanten, broer en zus, wonen samen op het adres [adres 1] te [woonplaats].

1.2. Nadat uit informatie van het Inlichtingenbureau was gebleken dat appellanten een op naam van appellant staande bankrekening bij de Rabobank met nummer [nr.] en twee op naam van appellante staande bankrekeningen, te weten bij de ABN AMRO bank met nummer [nr.] en bij de SNS bank met nummer [nr.], niet aan het College hadden opgegeven, heeft het College bij besluit van 17 mei 2006, voor zover hier van belang, de bijstand van appellanten met ingang van 1 juli 1997 ingetrokken op de grond dat vanwege de schending van de inlichtingenverplichting het recht op bijstand niet meer kan worden vastgesteld, en de over de periode van 1 juli 1997 tot 1 februari 2006 gemaakte kosten van bijstand tot een bedrag van € 36.245,30 bruto van appellanten teruggevorderd.

1.3. Bij besluit van 9 januari 2007 heeft het College het bezwaar van appellanten tegen het besluit van 17 mei 2006 ongegrond verklaard.

2. De rechtbank heeft bij uitspraak van 20 mei 2008, 07/152, met bepaling omtrent griffierecht, het beroep van appellanten tegen het besluit van 9 januari 2007 gegrond verklaard en dat besluit vernietigd. Daartoe heeft de rechtbank overwogen dat appellanten de inlichtingenverplichting hebben geschonden, omdat zij over meer bankrekeningen beschikten dan zij hebben gemeld, maar dat het College zich ten onrechte op het standpunt heeft gesteld dat het recht op bijstand niet is vast te stellen. De rechtbank heeft daarbij overwogen dat het College bij het nieuw te nemen besluit een belangenafweging zal moeten maken, waarbij ook de vraag aan de orde moet komen of appellanten gedurende de gehele periode in geding als gehuwden kunnen worden aangemerkt. Tegen deze uitspraak is geen hoger beroep ingesteld

3. Mede op grond van de bevindingen van een onderzoek door de Afdeling Sociale Recherche van het Samenwerkingsverband Sociale Recherche Groningen (hierna: sociale recherche) naar de rechtmatigheid van de aan appellanten verleende bijstand, welke bevindingen zijn neergelegd in een rapportage van 25 januari 2007, heeft het College op 13 augustus 2008 opnieuw op het bezwaar van appellanten tegen het besluit van 17 mei 2006 beslist. Bij dat besluit heeft het College de bijstand van appellanten ingetrokken over de periode van 1 juli 1997 tot 1 januari 2001 op de grond dat appellanten in deze periode over bankrekeningen hebben beschikt die zij niet hebben gemeld, en dat vanwege de schending van de inlichtingenverplichting het recht op bijstand over deze periode niet meer kan worden vastgesteld, en de bijstand over de periode van 1 januari 2001 tot 1 februari 2006 ingetrokken op de grond dat hun vermogen in deze periode de grens van het vrij te laten vermogen overschrijdt. Het College heeft daarbij overwogen dat geen sprake is van zorgbehoefte van appellant als bedoeld in artikel 3, tweede lid, aanhef en onder a, van de WWB, dat appellanten in de periode in geding een gezamenlijke huishouding hebben gevoerd en dat er geen aanleiding is om de terugvordering te matigen of om van gehele terugvordering af te zien. Bij het besluit van 13 augustus 2008 is voorts de terugvordering van de over de periode van 1 juli 1997 tot 1 februari 2006 gemaakte kosten van bijstand tot een bedrag van € 36.245,30 gehandhaafd.

4. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank, met bepalingen over griffierecht, proceskosten en wettelijke rente, het beroep tegen het besluit van 13 augustus 2008 gegrond verklaard voor zover dat is gericht tegen de intrekking en terugvordering van bijstand over de periode van 1 juli 1997 tot 1 januari 2001 respectievelijk 31 december 2002, het besluit in zoverre vernietigd en het College opgedragen opnieuw op het bezwaar van appellanten te beslissen.

5. Zowel appellanten als het College hebben zich in hoger beroep gemotiveerd tegen de aangevallen uitspraak gekeerd.

6. Ter uitvoering van de aangevallen uitspraak heeft het College op 4 maart 2010 een nieuw besluit op bezwaar genomen. De Raad merkt dit besluit aan als een besluit dat op de voet van de artikelen 6:18, 6:19, eerste lid, en 6:24 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) mede in de beoordeling dient te worden betrokken.

7. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

7.1. Naar aanleiding van hetgeen appellanten in hoger beroep hebben aangevoerd, overweegt de Raad het volgende.

7.1.1. De Raad is, anders dan appellanten, met de rechtbank van oordeel dat het College zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat appellanten in de periode van 1 juli 1997 tot 1 februari 2006 een gezamenlijke huishouding hebben gevoerd en dat er bij appellant geen sprake is geweest van zorgbehoefte als bedoeld in artikel 3, tweede lid, aanhef en onder a, van de WWB. De Raad onderschrijft hetgeen de rechtbank hierover heeft overwogen en maakt dat oordeel tot het zijne. De Raad acht daarbij van belang dat, nu aan appellanten gedurende de periode van 1 juli 1997 tot 1 februari 2006 bijstand is toegekend naar de norm van gehuwden en zij derhalve als gehuwden zijn aangemerkt, op appellanten de bewijslast rust om hun stelling aannemelijk te maken dat de feitelijke situatie waarin zij gedurende deze periode hebben verkeerd een andere was. Appellanten zijn hierin niet geslaagd. Ook in hoger beroep is niet aannemelijk geworden dat appellanten gedurende de periode van 1 juli 1997 tot 1 februari 2006 geen gezamenlijke huishouding hebben gevoerd of dat sprake is van zorgbehoefte bij appellant. Appellanten hebben niet aannemelijk gemaakt dat appellant gedurende deze periode aanspraak zou hebben kunnen maken op een plaats in een AWBZ-instelling of dat sprake is van ziekte of een of meer stoornissen van lichamelijke, verstandelijke of geestelijke aard waardoor appellant blijvend niet in staat is een eigen huishouding te voeren en is aangewezen op intensieve zorg.

7.1.2. Uit hetgeen onder 7.1.1 is overwogen volgt dat het hoger beroep van appellanten niet slaagt.

7.2. Naar aanleiding van hetgeen het College in hoger beroep heeft aangevoerd, overweegt de Raad het volgende.

7.2.1. Het College kan zich niet vinden in het oordeel van de rechtbank dat het over de periode van 1 juli 1997 tot 1 januari 2001 respectievelijk 31 december 2002 niet bevoegd was tot intrekking van de bijstand, omdat niet kan worden aangetoond dat de verzwegen bankrekeningen in deze periode reeds aanwezig waren.

7.2.2. De Raad is van oordeel dat de gedingstukken voldoende feitelijke grondslag bieden voor het standpunt van het College dat ook in de periode van 1 juli 1997 tot 1 januari 2003 sprake was van door appellanten verzwegen bankrekeningen. In het proces-verbaal van de door appellant op 6 december 2006 afgelegde verklaring is opgenomen dat appellant heeft verklaard dat hij de rekeningen bij de ABN AMRO bank en de SNS bank niet heeft opgegeven, dat hij beide rekeningen heeft opgeheven en tegen appellante heeft gezegd dat zij het geld op die rekeningen gewoon kon opmaken. Verder heeft appellant verklaard dat hij en appellante de ABN AMRO bankrekening en de SNS bankrekening niet hebben opgegeven, omdat zij het geld nodig hadden om van te leven. Uit het overzicht van de spaarrekening bij de ABN AMRO bank met nummer [nr.] dat door de ABN AMRO bank op 21 juni 2006 is verstrekt, blijkt dat deze spaarrekening van 31 december 1997 tot en met 31 december 2005 op naam heeft gestaan van appellant. Voor het standpunt dat sprake is van door appellanten verzwegen bankrekeningen kan voorts steun worden gevonden in het verslag van de op 2 oktober 2006 gehouden hoorzitting in bezwaar. In dat verslag wordt vermeld dat de gemachtigde van appellanten heeft aangevoerd dat op het moment dat appellant zijn bijstandsaanvraag in 1994 heeft ingediend, hij geen weet meer had van de rekeningen bij de ABN AMRO bank en de SNS bank en dat wanneer appellant van de bankrekeningen had geweten, hij deze zou hebben opgegeven en de afschriften in 1994 zou hebben overgelegd. Voorts blijkt uit dat verslag dat namens appellanten is aangevoerd dat het appellanten in 1996 niet duidelijk was dat de hoogte van het vermogen van appellante van belang was voor de vaststelling van het recht op bijstand.

7.2.3. De rechtbank heeft hetgeen onder 7.2.2 is overwogen niet onderkend, zodat de aangevallen uitspraak voor vernietiging in aanmerking komt. Doende hetgeen de rechtbank zou behoren te doen, zal de Raad het beroep van appellanten ongegrond verklaren. Hij overweegt daartoe als volgt.

7.2.4. Appellanten hebben in beroep tegen de intrekking van de bijstand over de periodes van 1 juli 1997 tot 1 januari 2001 en 1 januari 2001 tot 1 februari 2006 aangevoerd dat zij gedurende deze periode geen gezamenlijke huishouding hebben gevoerd en dat er sprake was van zorgbehoefte bij appellant. De Raad heeft onder 7.1.1 reeds overwogen dat het College zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat appellanten in de periode van 1 juli 1997 tot 1 februari 2006 een gezamenlijke huishouding hebben gevoerd en dat er bij appellant geen sprake is geweest van zorgbehoefte als bedoeld in artikel 3, tweede lid, aanhef en onder a, van de WWB, zodat de beroepsgronden van appellanten in zoverre niet slagen.

7.2.5. De Raad is verder van oordeel dat het College bevoegd was de bijstand over de periode van 1 juli 1997 tot 1 januari 2001 in te trekken op de grond dat appellanten in deze periode over bankrekeningen hebben beschikt die zij niet hebben gemeld en dat vanwege de schending van de inlichtingenverplichting het recht op bijstand over deze periode niet meer kan worden vastgesteld, en dat het College bevoegd was de bijstand over de periode van 1 januari 2001 tot 1 februari 2006 in te trekken op de grond dat het vermogen in deze periode de grens van het vrij te laten vermogen overschrijdt. De Raad ziet in hetgeen appellanten hebben aangevoerd geen aanleiding voor de conclusie dat het College in redelijkheid niet van zijn bevoegdheid tot intrekking gebruik heeft kunnen maken.

7.2.6. Uit hetgeen in 7.2.5 is overwogen vloeit voort dat het College ook bevoegd was de kosten van de als gevolg van de intrekking ten onrechte verleende bijstand over de periode van 1 juli 1997 tot 1 februari 2006 van appellanten terug te vorderen. De Raad ziet in hetgeen appellanten hebben aangevoerd geen aanleiding voor de conclusie dat het College in redelijkheid niet van zijn bevoegdheid tot terugvordering gebruik heeft kunnen maken.

7.3. Als gevolg van de vernietiging van de aangevallen uitspraak is aan het besluit van

4 maart 2010 de rechtsgrond komen te ontvallen. De Raad zal het besluit van 4 maart 2010 dan ook vernietigen.

8. De Raad ziet geen aanleiding voor een veroordeling in de proceskosten.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Vernietigt de aangevallen uitspraak;

Verklaart het beroep tegen het besluit van 13 augustus 2008 ongegrond;

Verklaart het beroep tegen het besluit van 4 maart 2010 gegrond en vernietigt dat besluit.

Deze uitspraak is gedaan door J.J.A. Kooijman als voorzitter en J.M.A. van der Kolk-Severijns en N.M. van Waterschoot als leden, in tegenwoordigheid van J.M. Tason Avila als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op

2 november 2010.

(get.) J.J.A. Kooijman.

(get.) J.M. Tason Avila.

SB