Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2010:BO3662

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
20-10-2010
Datum publicatie
11-11-2010
Zaaknummer
10-2696 CSV
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Uitspraak na cassatieberoep. Correctienota's. Brutering. Vaststellingsovereenkomst tussen appellanten en belastingdienst, op grond waarvan de naheffingsaanslagen loonbelasting zijn gematigd. Dit gematigde bedrag heeft, in de zin van de arresten van de Hoge Raad, te gelden als het bedrag van de wettelijk verschuldigde loonheffing. De werknemers van appellanten hebben een voordeel uit dienstbetrekking genoten ten bedrage van de niet ingehouden loonbelasting, waarover premies ingevolge de sociale werknemersverzekeringswetten zijn verschuldigd. Nu het bedrag van de niet ingehouden loonbelasting bij vaststellingsovereenkomst naar beneden is bijgesteld, is dat voordeel lager geworden en dienen de daarover verschuldigde premies opnieuw te worden berekend. De brutering is dus in het geding. Beroep wordt alsnog gegrond verklaard.

Wetsverwijzingen
Coördinatiewet Sociale Verzekering
Coördinatiewet Sociale Verzekering 4
Coördinatiewet Sociale Verzekering 10
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
RSV 2011/72
USZ 2010/396
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

10/2696 CSV

10/2700 CSV

10/2702 CSV

10/2703 CSV

10/2704 CSV

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[Appellant 1], gevestigd te [vestigingsplaats] (hierna: appellante I),

[Appellant 2], gevestigd te [vestigingsplaats] (hierna: appellante II),

[Appellant 3], gevestigd te [vestigingsplaats] (hierna: appellante III),

[Appellant 4], gevestigd te [vestigingsplaats] (hierna appellante IV),

[Appellant 5], gevestigd te [vestigingsplaats] (hierna: appellante V),

tegen de uitspraak van de rechtbank Rotterdam van 6 november 2006, 05/5831, 05/5832, 05/5833, 05/5834 en 06/6057 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellanten

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv)

Datum uitspraak: 20 oktober 2010

I. PROCESVERLOOP

De Raad heeft bij uitspraak van 20 december 2007, 06/6954, 06/6962, 06/6969, 06/6976 en 06/6982, de aangevallen uitspraak bevestigd voorzover aangevochten.

Appellanten hebben tegen de uitspraak van de Raad van 20 december 2007 beroep in cassatie ingesteld.

Bij arresten van 22 januari 2010, 08/00259, 08/00288, 08/00258, 08/00289 en 08/00290, heeft de Hoge Raad der Nederlanden de beroepen in cassatie gegrond verklaard, de uitspraak van 20 december 2007 vernietigd en de gedingen verwezen naar de Raad ter verdere behandeling en beslissing van de zaken met inachtneming van deze arresten.

Het Uwv heeft desgevraagd op de arresten van de Hoge Raad gereageerd, op welke reactie appellanten weer hebben geantwoord.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 8 september 2010. Voor appellanten zijn verschenen mr. F.H.H. Sijbers en mr. D.M. Drok, beiden advocaat te ’s-Gravenhage. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. E. Kuipers, werkzaam bij het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen.

II. OVERWEGINGEN

1. De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.

1.1. Appellanten hebben over de in geding zijnde jaren een deel van de uitbetaalde lonen niet in de loonadministratie verantwoord. Het Uwv heeft de verschuldigde premies aan de hand van een schatting vastgesteld, omdat appellanten niet alle gegevens van deze zwart uitbetaalde lonen hadden bewaard en ook gegevens hadden vernietigd. Bij het vaststellen van de premienota’s is het Uwv afgegaan op de bevindingen en conclusies van de belastingdienst. Het vorenstaande heeft er toe geleid dat aan appellanten I tot en met IV correctienota’s over de jaren 2000 tot en met 2003 en aan appellante V correctienota’s over de jaren 2001 tot en met 2003 zijn opgelegd.

1.2. Het Uwv heeft bij besluit van 28 oktober 2005 het namens appellante IV tegen de correctienota’s gemaakte bezwaar gegrond verklaard, voor zover het bezwaar betrekking heeft op de berekening van de omzet over de maanden oktober tot en met december 2002. Naar aanleiding hiervan zou de correctienota over het jaar 2002 worden aangepast. Het bezwaar van appellante IV is voor het overige ongegrond verklaard. De namens de appellanten I, II, III en V tegen de correctienota’s gemaakte bezwaren heeft het Uwv bij besluit van 28 oktober 2005 ongegrond verklaard.

1.3. Appellanten en de belastingdienst hebben in april 2007 een vaststellingsovereenkomst gesloten op grond waarvan (onder meer) de naheffingsaanslagen loonbelasting zijn gematigd.

1.4. De Raad heeft bij zijn uitspraak van 20 december 2007 hierover - kort samengevat - geoordeeld dat het Uwv niet gehouden is om de resultaten van het in de vaststellingsovereenkomst neergelegde compromis te volgen. De Hoge Raad heeft hieromtrent het volgende overwogen: “Brutering ter zake van loonbelasting en premieheffing volksverzekeringen (hierna gezamenlijk: loonheffing) dient te geschieden op basis van de wettelijk verschuldigde bedragen. Indien tussen de werkgever en de inspecteur een vaststellingsovereenkomst is gesloten ter beëindiging van onzekerheid of geschil omtrent het bedrag aan loonheffing dat tussen hen als wettelijk verschuldigd heeft te gelden, dient het Uwv met een dergelijke vaststellingsovereenkomst rekening te houden voor zover het gaat om de vaststelling van het bedrag dat met de brutering gemoeid is (vgl. Hoge Raad 14 september 2007, nr. 487, LJN BA6408, BNB 2007/313). Dat bedrag heeft immers te gelden als het bedrag van de wettelijk verschuldigde loonheffing dat de werkgever voor zijn rekening heeft genomen. Het is dan ook dat bedrag dat voor de heffing van premies werknemersverzekeringen als uitgangspunt dient te worden genomen bij de vaststelling van het gebruteerde loon.”

1.5. De Hoge Raad heeft voorts overwogen dat de Raad alsnog dient te onderzoeken of de vaststellingsovereenkomst van april 2007 de hiervoor bedoelde strekking heeft, en zo ja in hoeverre dat gevolgen heeft voor de onderhavige correctienota’s op het punt van de brutering ter zake van loonheffing.

2. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

2.1. De Raad stelt vast dat de vaststellingsovereenkomst van april 2007 de hiervoor onder 1.4 vermelde strekking heeft. Uit de vaststellingsovereenkomst blijkt dat de belastingdienst en appellanten hun geschillen over de naheffingsaanslagen bij wijze van compromis wensten te beëindigen door (onder meer) het bedrag van de verschuldigde loonbelasting naar beneden bij te stellen. Met name het bepaalde in hoofdstuk 4, onder 2 en 5, van de vaststellingsovereenkomst stelt buiten twijfel dat met volledige betaling van het aldus gematigde bedrag - behoudens de verschuldigdheid van invorderingsrente - de belastingschulden waarop de naheffingsaanslagen betrekking hadden zullen worden geacht te zijn tenietgegaan. Dit gematigde bedrag heeft dus, in de zin van de arresten van de Hoge Raad, te gelden als het bedrag van de wettelijk verschuldigde loonheffing.

2.2. Het standpunt van het Uwv dat alleen dan rekening met de vaststellingsovereenkomst dient te worden gehouden indien de belastingdienst zijn standpunt over de hoogte van de niet verantwoorde lonen heeft gewijzigd, kan niet worden gevolgd, nu dit standpunt zich niet verdraagt met de uitdrukkelijke overweging van de Hoge Raad - in aansluiting aan de onder 1.4 geciteerde passage - dat van een vaststellingsovereenkomst in de hier bedoelde zin ook sprake kan zijn zonder dat vaststaat dat de inspecteur is uitgegaan van onjuiste feiten of van een onjuiste berekeningswijze, en ook zonder dat de inspecteur daarbij een uitdrukkelijk standpunt inneemt.

2.3. Ook het beroep dat het Uwv heeft gedaan op het arrest van de Hoge Raad van 14 september 2007, LJN BA6408, voor zover daarin is overwogen dat het moet gaan om een vaststellingsovereenkomst “waarin een onzekerheid omtrent de feitelijke grondslagen die bepalen wat tussen hen als wettelijk verschuldigd heeft te gelden, werd beëindigd”, treft geen doel. Hoewel de Hoge Raad in de arresten van 22 januari 2010 naar zijn arrest van 14 september 2007 verwijst, moet worden vastgesteld dat in de eerstgenoemde arresten - die thans door de Raad in acht moeten worden genomen - geen onzekerheid omtrent de bepalende feitelijke grondslagen maar onzekerheid omtrent het bedrag van de loonheffing wordt vereist. Ook in de verdere overwegingen van de Hoge Raad, zoals onder 1.4 aangehaald, staat het bedrag van de loonheffing centraal. Bovendien ging het in het arrest van 14 september 2007 niet - zoals in het onderhavige geval - om een nadere vaststelling van de verschuldigde bedrag aan loonheffing, maar om een gedeeltelijke kwijtschelding van de vordering.

2.4. De stelling van het Uwv dat het bij vaststellingsovereenkomst vastgestelde verschuldigde bedrag aan loonbelasting niet een met brutering gemoeid bedrag is, kan de Raad evenmin volgen. Het Uwv heeft op basis van de onderzoeksgegevens van de belastingdienst vastgesteld dat appellanten loonbetalingen hebben gedaan onder omstandigheden die verhaal op de werknemers van de ten onrechte achterwege gebleven inhoudingen bij voorbaat uitsluiten. Dit betekent dat de werknemers van appellanten een voordeel uit dienstbetrekking hebben genoten ten bedrage van de niet ingehouden loonbelasting, waarover premies ingevolge de sociale werknemersverzekeringswetten zijn verschuldigd. Nu het bedrag van de niet ingehouden loonbelasting bij vaststellingsovereenkomst naar beneden is bijgesteld, is dat voordeel lager geworden en dienen de daarover verschuldigde premies opnieuw te worden berekend. De brutering is dus wel degelijk in het geding.

2.5. Uit het vorenstaande volgt dat de aangevallen uitspraak - voor zover aangevochten - moet worden vernietigd. De Raad zal, doende wat de rechtbank zou behoren te doen, het beroep gegrond verklaren, het besluit van 28 oktober 2005 vernietigen en bepalen dat het Uwv met inachtneming van de uitspraak van de Raad een nieuw besluit op bezwaar dient te nemen.

3. De Raad acht termen aanwezig om het Uwv te veroordelen in de proceskosten van appellanten in beroep en hoger beroep tot een bedrag van € 1.449,-- wegens beroepsmatig verleende rechtsbijstand.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Vernietigt de aangevallen uitspraak voor zover aangevochten;

Verklaart het beroep gegrond;

Vernietigt het besluit van 28 oktober 2005;

Bepaalt dat het Uwv een nieuw besluit op bezwaar neemt met inachtneming van deze uitspraak;

Veroordeelt het Uwv in de proceskosten van appellanten tot een bedrag van € 1.449,--;

Bepaalt dat het Uwv aan appellanten het in hoger beroep betaalde griffierecht van in totaal € 2.110,-- vergoedt.

Deze uitspraak is gedaan door R.C. Schoemaker als voorzitter en G. van der Wiel en R. Kooper als leden, in tegenwoordigheid van R.L.G. Boot als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 20 oktober 2010.

(get.) R.C. Schoemaker.

(get.) R.L.G. Boot.

Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na de datum van verzending beroep in cassatie instellen bij de Hoge Raad der Nederlanden (Postbus 20303, 2500 EH ’s-Gravenhage) ter zake van schending of verkeerde toepassing van bepalingen inzake het begrip kring van verzekerden.

HD