Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2010:BO3660

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
10-11-2010
Datum publicatie
11-11-2010
Zaaknummer
10-2031 ZW
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Beëindiging recht op ziekengeld berust op goede gronden. Maatgevende arbeid. De genoemde hoofdpijn- en knieklachten zijn niet medisch objectiveerbaar. Appellant heeft zijn stellingen in hoger beroep niet onderbouwd met medische stukken die aanleiding zouden kunnen geven te twijfelen aan de zorgvuldigheid van de onderzoeken en de conclusies van de (bezwaar)verzekeringsartsen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

10/2031 ZW

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[appellant], wonende te [woonplaats] (hierna: appellant),

tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 25 februari 2010, 08/1507 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellant

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv).

Datum uitspraak: 10 november 2010

I. PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. S.A. Adjiembaks, advocaat te Amsterdam, hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 29 september 2010. Appellant is verschenen, bijgestaan door mr. Adjiembaks en A. El Manouzi, tolk. Het Uwv heeft zich niet laten vertegenwoordigen.

II. OVERWEGINGEN

1.1. Op 29 augustus 2007 heeft appellant zich met hoofdpijn en duizeligheidsklachten ziek gemeld voor zijn werk als schoonmaker/afwasser. De verzekeringsarts A. Meij heeft appellant op 4 december 2007 en 7 februari 2008 onderzocht en heeft appellant na het onderzoek op laatstgenoemde datum per 14 februari 2008 hersteld verklaard voor zijn eigen werk. Bij besluit van 7 februari 2008 is aan appellant meegedeeld dat hij dienovereenkomstig met ingang van 14 februari 2008 geen recht meer heeft op ziekengeld.

1.2. Bezwaarverzekeringsarts R.H.J. van Glabbeek heeft appellant op de hoorzitting op 20 maart 2008 gezien en heeft geconcludeerd dat sprake lijkt van spierspanningshoofdpijn met migraineuze component. De bezwaarverzekeringsarts heeft hierbij de informatie betrokken van behandelend neuroloog dr. V.I.H. Kwa, die heeft aangegeven dat de CT-scan begin 2008 geen afwijkingen liet zien en dat hij geen neurologische verklaring heeft voor de hoofdpijn. De bezwaarverzekeringsarts heeft appellant, met inachtneming van diens beperkingen per 14 februari 2008, geschikt geacht voor de functie electronicamonteur, die was geselecteerd in het kader van een eerdere beoordeling ingevolge de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO).

1.3. Het tegen het besluit van 7 februari 2008 gemaakte bezwaar heeft het Uwv bij besluit van 7 april 2008 ongegrond verklaard. Tegen dit besluit (hierna: het bestreden besluit 1) heeft appellant beroep ingesteld.

1.4. Hangende het beroep tegen het bestreden besluit 1 heeft het Uwv op 16 oktober 2009 een nieuw besluit op bewaar genomen (hierna: het bestreden besluit 2), waarbij het bestreden besluit 1 werd ingetrokken en het bezwaar van appellant ongegrond werd verklaard omdat appellant geschikt werd geacht tot het verrichten van zijn eigen werk als schoonmaker/afwasser bij [naam werkgever]. Aan dit besluit liggen de rapporten van de bezwaararbeidsdeskundige P.W.A. Thoen van 9 oktober 2009 en van de bezwaarverzekeringsarts Van Glabbeek van 14 oktober 2009 ten grondslag.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank geoordeeld dat met toepassing van artikel 6:18 en 6:19 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) het beroep geacht moet worden mede te zijn gericht tegen bestreden besluit 2. De rechtbank heeft het beroep tegen bestreden besluit 1 niet-ontvankelijk verklaard en bepalingen gegeven ten aanzien van vergoeding van proceskosten. De rechtbank heeft het beroep tegen bestreden besluit 2 ongegrond verklaard.

3. In hoger beroep heeft appellant zich op het standpunt gesteld dat hij vanwege hoofdpijn- en knieklachten niet in staat is zijn werk als schoonmaker/afwasser te verrichten. De belasting van zijn werk is te licht vastgesteld. Ter zitting heeft appellant aangevoerd dat hij voor het in- en uitruimen van de vaatwasser dient te knielen en hurken en dat knielen of hurken ook nodig is bij de schoonmaakwerkzaamheden. Tevens wordt volgens appellant ten onrechte aangenomen dat de spierspanningshoofdpijn geen belemmering vormt bij het verrichten van de eigen werkzaamheden.

4. De Raad overweegt als volgt.

4.1. Ingevolge artikel 19, eerste en vierde lid, van de ZW heeft de verzekerde bij ongeschiktheid tot het verrichten van zijn arbeid, als rechtstreeks en objectief medisch vast te stellen gevolg van ziekte of gebreken, recht op ziekengeld.

4.2. De Raad stelt vast dat de bezwaarverzekeringsarts Van Glabbeek blijkens zijn rapport van 14 oktober 2009, bij de beoordeling van appellants geschiktheid voor zijn arbeid als maatgevende arbeid heeft aangemerkt zijn werk als schoonmaker/afwasser in een restaurant bij [naam werkgever]. Uit arbeidsdeskundig onderzoek blijkt dat appellant van

2 april 2007 tot en met 30 september 2007 bij [naam werkgever] in dienst is geweest voor twee tot vier uur per avond, maximaal 44 uur per maand.

4.3. De Raad is van oordeel dat de bezwaararbeidsdeskundige de belastingpunten van het eigen werk van appellant voldoende inzichtelijk heeft toegelicht. In de rapportage van 9 oktober 2009 heeft de bezwaararbeidsdeskundige, na telefonisch contact met [naam bedrijfsleider], bedrijfsleider bij het bedrijf [naam werkgever], aangegeven wat de belangrijkste belastingpunten in het eigen werk van appellant zijn. De bezwaararbeidsdeskundige heeft in de aanvullende rapportage van 10 augustus 2010 vermeld dat genoemde bedrijfsleider heeft aangegeven dat het in- en uitladen van de vaatwasmachine op werkhoogte plaatsvindt en dat knielen en hurken daarbij niet voorkomt. Schoonmaakwerkzaamheden komen soms voor en worden verricht met behulp van een borstel aan een steel en een trekker. Bij die werkzaamheden komen knielen en hurken evenmin voor. De Raad ziet geen enkele aanleiding om aan te nemen dat de belastingpunten van het eigen werk te licht zijn vastgesteld. De Raad constateert dat appellant zijn standpunt ten aanzien van de belasting van het eigen werk niet nader aan de hand van concrete gegevens heeft onderbouwd.

4.4. De Raad ziet in hetgeen door appellant in hoger beroep is aangevoerd ten aanzien van zijn hoofdpijn- en knieklachten geen aanleiding anders te oordelen dan de rechtbank in de aangevallen uitspraak heeft gedaan. De rechtbank is ingegaan op het onderzoek van de bezwaarverzekeringsarts en de zich onder de gedingstukken bevindende informatie uit de behandelend sector, waaronder de informatie van de neuroloog en orthopedisch chirurg, en is op basis daarvan tot de conclusie gekomen dat het Uwv appellant terecht met ingang van 14 februari 2008 geschikt heeft geacht voor zijn arbeid.

Hetgeen door appellant in hoger beroep en ter zitting naar voren is gebracht, heeft de Raad niet tot een ander oordeel kunnen leiden. De Raad is van oordeel dat de door appellant genoemde hoofdpijn- en knieklachten niet medisch objectiveerbaar zijn. Daarbij komt dat appellant met deze (knie)klachten in staat is geweest om van 2 april 2007 tot

29 augustus 2007 zijn werkzaamheden te verrichten. De Raad constateert dat appellant zijn stellingen in hoger beroep niet heeft onderbouwd met medische stukken die aanleiding zouden kunnen geven te twijfelen aan de zorgvuldigheid van de onderzoeken en de conclusies van de (bezwaar)verzekeringsartsen.

4.5. Het vorenoverwogene leidt tot de slotsom dat het Uwv op goede gronden het recht op ziekengeld van appellant met ingang van 14 februari 2008 heeft beëindigd. Het hoger beroep slaagt niet. De aangevallen uitspraak komt, voor zover aangevochten, voor bevestiging in aanmerking.

4.6. De Raad acht geen termen aanwezig voor een proceskostenveroordeling als bedoeld in artikel 8:75 van de Awb.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep,

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak voor zover aangevochten.

Deze uitspraak is gedaan door C.P.J. Goorden als voorzitter en A.A.H. Schifferstein en N.J.E.G. Cremers als leden, in tegenwoordigheid van M. Mostert als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 10 november 2010.

(get.) C.P.J. Goorden.

(get.) M. Mostert.

KR