Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2010:BO3650

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
10-11-2010
Datum publicatie
11-11-2010
Zaaknummer
09-3391 WAO
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Herziening WAO-uitkering. Voldoende medische en arbeidskundige grondslag. Juiste vaststelling medische beperkingen. De Raad ziet geen aanleiding zich nader te laten voorlichten door een deskundige. Appellante wordt geschiktheid geacht voor de geselecteerde parttime functies.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

09/3391 WAO

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[appellante], wonende te [woonplaats] (hierna: appellante),

tegen de uitspraak van de rechtbank Arnhem van 11 mei 2009, 08/3642 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv)

en

appellante.

Datum uitspraak: 10 november 2010

I. PROCESVERLOOP

Namens appellante is hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 29 september 2010. Appellante is verschenen bij gemachtigde H.J.A. Aerts, werkzaam bij Delescen advocaten te Roermond. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door J. de Graaf.

II. OVERWEGINGEN

1.1. Aan appellante is met ingang van 17 april 1992 een uitkering ingevolge de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO) toegekend, laatstelijk berekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 80 tot 100%. In verband met het per 1 oktober 2004 aangepaste Schattingsbesluit heeft een verzekeringsgeneeskundig en arbeidskundig heronderzoek plaatsgevonden. Op grond van de bevindingen van dat onderzoek heeft het Uwv geconcludeerd dat appellante met inachtneming van haar medische beperkingen, waaronder een urenrestrictie, geschikt is te achten voor het verrichten van werkzaamheden in passende parttime functies.

1.2. Bij besluit van 10 november 2006 heeft het Uwv de WAO-uitkering van appellante met ingang van 2 januari 2007 herzien naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 55 tot 65%. Bij besluit op bezwaar van 24 april 2007 heeft het Uwv de datum van herziening gewijzigd in 18 juni 2007. Bij nieuw besluit op bezwaar van 2 augustus 2007 heeft het Uwv de mate van arbeidsongeschiktheid van appellante met ingang van 18 juni 2007 vastgesteld op 65 tot 80%. Bij uitspraak van 24 april 2008 (07/2136 en 07/3821) heeft de rechtbank het beroep van appellante tegen het besluit van 24 april 2007 niet-ontvankelijk verklaard. Bij die uitspraak heeft de rechtbank verder het beroep van appellante tegen het besluit van 2 augustus 2007 gegrond verklaard en dat besluit vernietigd, aangezien het medisch onderzoek is verricht door een niet geregistreerd verzekeringsarts en dat gebrek in bezwaar niet is hersteld. De rechtbank heeft het Uwv opgedragen een nieuw besluit op bezwaar te nemen met inachtneming van haar uitspraak. Ter uitvoering van die uitspraak heeft bezwaarverzekeringsarts M.P.W. Kreté een medisch onderzoek verricht, waarvan de bevindingen zijn vastgelegd in een rapport van 24 juni 2008.

1.3. Bij besluit van 3 juli 2008 (hierna: bestreden besluit) heeft het Uwv het bezwaar van appellante tegen het besluit van 10 november 2006 gegrond verklaard, het besluit van 10 november 2006 herroepen en de mate van arbeidsongeschiktheid van appellante met ingang van 18 juni 2007 herzien naar 65 tot 80%.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep van appellante tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard.

2.1. Met betrekking tot de medische grondslag van het bestreden besluit heeft de rechtbank overwogen dat het Uwv terecht heeft geoordeeld dat per datum in geding geen medisch objectiveerbare gronden aanwezig waren voor het aannemen van verdergaande beperkingen dan die tot uitdrukking zijn gebracht in de voor appellante opgestelde Functionele Mogelijkheden Lijst (FML) van 4 oktober 2006. Aan de aangevallen uitspraak, waar voor eiseres en verweerder dient te worden gelezen appellante en het Uwv, wordt het volgende ontleend:

“Uit het rapport van 24 juni 2008 komt voorts naar voren dat de bezwaarverzekeringsarts kennis heeft genomen van alle voorhanden medische informatie, waaronder de nadere reactie van zenuwarts H.L.S.M. Busard van

13 juni 2008. (…) De bezwaarverzekeringsarts heeft geconcludeerd dat er sprake is van chronische vermoeidheidsklachten waarbij de diagnosen somatoforme stoornis c.q. chronisch vermoeidheidssyndroom zijn gesteld. Voorts is aangegeven dat de medische afwijkingen objectief bezien gering zijn te noemen en dat de verzekeringsarts desondanks op basis van chroniciteit en de weging van de claimbeperkingen toch beperkingen heeft aangegeven. Deze beperkingen houden op energetisch terrein in dat eiseres beperkt is geacht voor zwaar werk en tempo, alsmede dat er een urenbeperking is gegeven. Geconcludeerd wordt dat er, gelet op het ontbreken van te objectiveren afwijkingen, geen reden is verdergaande beperkingen aan te nemen. Hetgeen Busard in zijn rapport heeft aangegeven maakt dat, aldus de bezwaarverzekeringsarts, niet anders, nu de door Busard aangegeven beperkingen niet berusten op medisch objectiveerbare afwijkingen.

De rechtbank is van oordeel dat de bezwaarverzekeringsarts in zijn standpunt ten aanzien van de aan te nemen beperkingen gevolgd moet worden. Naar vaste rechtspraak van de Centrale Raad van Beroep is van arbeidsongeschiktheid slechts sprake als een verzekerde op medische gronden naar objectieve maatstaven gemeten de in aanmerking komende arbeid niet kan of mag verrichten. De rechtbank stelt vast dat bij het medisch onderzoek door verweerder bezien is of de klachten van eiseres medisch te objectiveren zijn, hetgeen geleid heeft tot het aannemen van diverse beperkingen. Voor het aannemen van verdergaande medische beperkingen zijn ook naar het oordeel van de rechtbank objectief medisch gezien geen aanknopingspunten te vinden. De rechtbank is voorts van oordeel dat een objectief medisch verband met ziekte of gebrek ook niet aangenomen kan worden op de grond dat bij de (onafhankelijk) medische deskundigen een vrijwel eenduidige, consistente en naar behoren gemotiveerde en verantwoorde opvatting bestond dat eiseres als gevolg van ziekte of gebrek niet in staat was de betreffende arbeid te verrichten. Van een dergelijke situatie is hier geen sprake. Ten slotte is de rechtbank van oordeel dat de door eiseres overgelegde rapportages van het re-integratiebedrijf Ons Bedrijf geen aanleiding geven om te twijfelen aan de beoordeling van de bezwaarverzekeringsarts.”

2.2. Met betrekking tot de arbeidskundige grondslag van het bestreden besluit heeft de rechtbank geoordeeld dat de functies die aan de schatting ten grondslag liggen, gelet op de daaraan verbonden belastende aspecten, als voor appellante in medisch opzicht passend dienen te worden aangemerkt.

3. Appellante heeft in hoger beroep het standpunt ingenomen – kort samengevat – dat zij meer beperkt is dan in de FML van 4 oktober 2006 is vastgelegd. Ten gevolge van haar klachten en beperkingen acht zij zich op en na 18 juni 2007 niet in staat de werkzaamheden in de haar voorgehouden parttime functies te verrichten.

4. De Raad overweegt als volgt.

4.1. Met betrekking tot de medische component van de in geding zijnde schatting heeft de Raad in hetgeen appellante in hoger beroep heeft aangevoerd, dat in essentie een herhaling is van hetgeen in beroep bij de rechtbank is aangevoerd, geen aanknopingspunten gevonden om tot een ander oordeel te komen dan de rechtbank. In de onder 2.1 geciteerde overwegingen uit de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank uitvoerig gemotiveerd waarom zij van oordeel is dat er geen aanknopingspunten zijn voor het oordeel dat naar objectieve maatstaven gemeten appellante meer beperkingen heeft dan reeds zijn aangenomen en vastgelegd in de FML van 4 oktober 2006. De Raad onderschrijft ten volle het oordeel van de rechtbank en de daaraan ten grondslag gelegde overwegingen.

4.2. Naar aanleiding van het namens appellante in hoger beroep overgelegd schrijven van de huisarts van 17 juli 2009 en de reactie van zenuwarts Busard van 25 februari 2010 heeft bezwaarverzekeringsarts Kreté in zijn rapport van 26 april 2010 geconcludeerd dat deze stukken hem geen aanleiding geven tot aanpassing van de FML per de datum in geding. Daartoe heeft hij erop gewezen dat de huisarts alleen de klachten weergeeft en dat een vertaling in beperkingen volledig ontbreekt. Verder beschrijft de huisarts een medische toestand van na de datum in geding. Ten aanzien van het schrijven van Busard heeft Kreté te kennen gegeven dat hij de vertaling van Busard van de gegevens uit diens onderzoek naar beperkingen niet kan ondersteunen. Klachtenbeleving en ervaren belemmeringen zijn een subjectief gegeven en dienen in het geheel van de onderzoeksbevindingen gezien te worden en niet één op één vertaald in beperkingen. Kreté stelt vast dat Busard met zijn reactie van 25 februari 2010 geen nieuwe feiten naar voren heeft gebracht dan welke reeds bekend waren en waarop in beroep is gereageerd. De Raad heeft, gelet op de thans voorhanden zijnde stukken, geen aanleiding gevonden te twijfelen aan de juistheid van de conclusies van Kreté.

4.3. In het voorgaande ligt besloten dat de Raad evenmin als de rechtbank aanleiding ziet zich nader te laten voorlichten door een deskundige.

4.4. Aldus uitgaande van de juistheid van de met betrekking tot appellante vastgestelde medische beperkingen is de Raad evenals de rechtbank van oordeel dat de functies die aan de schatting ten grondslag liggen, gelet op de daaraan verbonden belastende aspecten, als voor betrokkene in medisch opzicht geschikt dienen te worden aangemerkt. In aanmerking genomen de diverse in dit geding aanwezige arbeidskundige rapporten, is de Raad van oordeel dat een als genoegzaam aan te merken onderbouwing is gegeven aan de geschiktheid van de geselecteerde parttime functies. De verdiensten in deze functies resulteren in een verlies aan verdienvermogen van 65 tot 80%.

4.5. Uit hetgeen is overwogen onder 4.1 tot en met 4.4 volgt dat het hoger beroep niet slaagt en de aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

5. De Raad acht geen termen aanwezig om over te gaan tot een proceskostenveroordeling.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep,

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak;

Wijst het verzoek om veroordeling tot schadevergoeding af.

Deze uitspraak is gedaan door D.J. van der Vos als voorzitter en C.P.M. van de Kerkhof en M. Greebe als leden, in tegenwoordigheid van A.L. de Gier als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 10 november 2010.

(get.) D.J. van der Vos.

(get.) A.L. de Gier.

TM