Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2010:BO3633

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
20-10-2010
Datum publicatie
11-11-2010
Zaaknummer
09-5884 WAO
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Herziening WAO-uitkering. De rechtbank heeft ten onrechte geoordeeld dat de functie van productiemedewerker industrie wegens overschrijding van de tilbelasting niet aan de schatting ten grondslag kan worden gelegd. Gezien de gegeven toelichtingen concludeert de Raad dat de belasting in de functie van productiemedewerker industrie op het punt van tillen de grenzen van betrokkenes belastbaarheid niet overstijgt.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

09/5884 WAO

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: appellant),

tegen de uitspraak van de rechtbank Groningen van 8 september 2009, 09/312 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

[betrokkene], wonende te [woonplaats] (hierna: betrokkene)

en

appellant.

Datum uitspraak: 20 oktober 2010

I. PROCESVERLOOP

Appellant heeft hoger beroep ingesteld.

Namens betrokkene heeft mr. A.Z. van Braam, advocaat te Groningen, een verweerschrift ingediend.

Bij brief van 11 mei 2010 heeft appellant een brief van de Raad beantwoord en rapporten van de bezwaararbeidskundige en bezwaarverzekeringsarts ingezonden.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 8 september 2010, waar appellant zich heeft laten vertegenwoordigen door mr. D.R. Abdoelhak en waar betrokkene met voorafgaande kennisgeving niet is verschenen.

II. OVERWEGINGEN

1. De Raad gaat uit van de feiten waarvan de rechtbank is uitgegaan. Deze feiten zijn door partijen ook niet bestreden. Hier volstaat hij met het volgende.

2.1. Betrokkene ontving een uitkering ingevolge de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO), berekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 80 tot 100%. Bij besluit van 14 oktober 2008 heeft appellant de uitkering per 9 december 2008 ingetrokken omdat de arbeidsongeschiktheid is afgenomen naar minder dan 15%.

2.2. Bij besluit van 19 februari 2009, voor zover van belang, heeft appellant het bezwaar van betrokkene tegen zijn besluit van 14 oktober 2008 gegrond verklaard en de mate van arbeidsongeschiktheid per 9 december 20008 vastgesteld op 15 tot 25%.

3. De rechtbank heeft het beroep van betrokkene tegen het besluit van 19 februari 2009, hierna: het bestreden besluit, gegrond verklaard en bepaald dat appellant een nieuw besluit neemt. De rechtbank heeft daarbij bepalingen inzake griffierecht en proceskosten gegeven. Zij heeft overwogen dat tussen partijen geen verschil van mening bestaat over de vastgestelde beperkingen en de belastbaarheid van betrokkene, zoals weergegeven in de Functionele Mogelijkheden Lijst (FML) van 10 juni 2009. Zij is echter van oordeel dat appellant er niet in is geslaagd voldoende overtuigend toe te lichten dat de aan betrokkene als voorbeeld voorgehouden functie productiemedewerker industrie (SBC-code 111180) de belastbaarheid van betrokkene op het punt van “tillen” niet te boven gaat. Er resteren dan nog twee functies hetgeen onvoldoende is om de schatting op te baseren.

4.1. In hoger beroep heeft appellant betoogd dat en waarom de functie van productiemedewerker industrie wel aan de schatting ten grondslag kan worden gelegd.

4.2. Betrokkene heeft er, evenals in beroep, op gewezen dat de aanvankelijk ook aan de schatting ten grondslag gelegde functie papierwarenmaker (SBC-code 268040) is vervallen vanwege de daarin voorkomende tilbelasting van 10 kilogram.

5.1. De Raad stelt vast dat het geschil tussen partijen zich beperkt tot de vraag of de rechtbank terecht heeft geoordeeld dat de functie van productiemedewerker industrie wegens overschrijding van de tilbelasting niet aan de schatting ten grondslag kan worden gelegd.

Hij overweegt het volgende.

5.2. Blijkens de FML is betrokkene op het punt “tillen” beperkt en kan hij ongeveer 5 kilogram tillen of dragen (zak aardappelen). In de functie van productiemedewerker industrie moet éénmaal per dag een 10 kilogram wegende volle krat met bedrading op een kar worden gezet.

5.3. De bezwaarverzekeringsarts A. van Bruggen heeft in zijn rapport van 3 mei 2010 gemotiveerd als zijn mening gegeven dat het veel te ver gaat om op grond van de beschikbare gegevens te stellen dat betrokkene niet in staat kan worden geacht om één keer per dag 10 kilo te tillen.

5.4. In zijn rapport van 10 mei 2010 heeft de bezwaararbeidsdeskundige J. Langebeeke de reactie van de arbeidsdeskundig analist, die de functie heeft geanalyseerd, weergegeven:

“Het is inderdaad 1x per dag een volle krat op een kar zetten, onmiddellijk nabij de werkplek (dus niet dragen, wel tillen). Ik heb gescoord zoals het gebeurt. Het zal echter in het geheel geen probleem zijn om twee (eventueel wat kleinere) kratten te gebruiken met elk ca. 5 kg inhoud. Het gaat vooral om het (met een kar) transporteren van de producten naar een volgende bewerkingsafdeling. De kratten en de kar zijn transportmiddelen, en zijn niet gebonden aan strikte voorwaarden qua gewicht of afmetingen”.

5.5. De Raad is er door de gegeven toelichtingen van overtuigd dat de belasting in de functie van productiemedewerker industrie op het punt van tillen de grenzen van betrokkenes belastbaarheid niet overstijgt. Daaraan doet niet af de van de zijde van betrokkene gemaakte vergelijking met de - vervallen - functie van papierwarenmaker. Met appellant wijst de Raad er op dat beide functies op het gebied van tilbelasting van elkaar verschillen, al was het maar omdat in de functie van papierwarenmaker dagen voorkomen waarop tijdens ieder werkuur eenmaal 10 kilogram moet worden getild.

5.6. Nu de functie van productiemedewerker industrie aan de schatting ten grondslag kan worden gelegd wordt deze gedragen door voldoende functies.

6. Hetgeen is overwogen in 5.1 tot en met 5.6 leidt ertoe dat het hoger beroep van appellant tegen de aangevallen uitspraak slaagt. De aangevallen uitspraak, voor zover aangevochten, moet daarom worden vernietigd. In de omstandigheid dat pas in de fase van hoger beroep de geschiktheid van de functie productiemedewerker industrie op correcte wijze is onderbouwd ziet de Raad reden de door betrokkene in beroep en in hoger beroep gemaakte proceskosten voor rekening van appellant te laten respectievelijk te laten komen. Deze kosten worden in hoger beroep begroot op € 437,- voor verleende rechtsbijstand.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep,

Recht doende:

Vernietigt de aangevallen uitspraak, voor zover aangevochten, behoudens de daarin gegeven beslissingen over de vergoeding van griffierecht en proceskosten;

Verklaart het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond.

Veroordeelt het Uwv in de proceskosten van betrokkene in hoger beroep tot een bedrag groot € 437, -.

Deze uitspraak is gedaan door C.P.M. van de Kerkhof in tegenwoordigheid van M.A. van Amerongen als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 20 oktober 2010.

(get.) C.P.M. van de Kerkhof.

(get.) M.A. van Amerongen.

EK