Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2010:BO3631

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
20-10-2010
Datum publicatie
11-11-2010
Zaaknummer
09-5238 WAO
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Herziening WAO-uitkering. Voldoende medische grondslag. Uitgaande van de juistheid van de in de FML vastgelegde medische beperkingen is de Raad niet gebleken dat de geduide functies in medisch opzicht niet passend zouden zijn. De geschiktheid van deze functies voor appellante acht de Raad voldoende toegelicht in het arbeidskundig rapport van 7 mei 2007.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

09/5238 WAO

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[appellante], wonende te [woonplaats] (hierna: appellante),

tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 10 augustus 2009, 08/151 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellante

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv).

Datum uitspraak: 20 oktober 2010

I. PROCESVERLOOP

Namens appellante heeft mr. J.M. Niemer, advocaat te Amsterdam, hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 8 september 2010, waar appellante zich heeft laten vertegenwoordigen door haar gemachtigde en waar het Uwv met voorafgaande kennisgeving niet is verschenen.

II. OVERWEGINGEN

1.1. Nadat appellante, die werkzaam was als cateringmedewerkster zich op 29 mei 2001 ziek had gemeld met psychische klachten, waar later zwangerschaps- en rugklachten bij kwamen, is haar na afloop van de wachttijd een uitkering ingevolge de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO) toegekend, berekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 80 tot 100 %. Deze uitkering is per 18 juni 2003 ingetrokken omdat appellante minder dan 15% arbeidsongeschikt werd geacht. Appellante heeft vervolgens haar werk hervat.

1.2. Per 26 december 2005 heeft appellante zich opnieuw ziek gemeld met huidklachten, psychische klachten en rugklachten, waarbij zij het Uwv heeft verzocht haar een

WAO-uitkering toe te kennen na een verkorte wachttijd van vier weken.

1.3. Appellante is op 18 januari 2007 onderzocht door de verzekeringsarts, die een zogeheten Functionele Mogelijkheden Lijst (FML) van dezelfde datum heeft opgesteld, waarin de belastbaarheid van appellante per vier weken na 26 december 2005 wordt weergegeven. Vervolgens heeft de arbeidsdeskundige op 7 mei 2007 rapport uitgebracht, waarna bij besluit van 1 juni 2007 aan appellante met ingang van 23 januari 2006 een WAO-uitkering is toegekend, berekend naar een mate van arbeidsgeschiktheid van 15 tot 25%. Daaraan ligt de overweging ten grondslag dat appellante op 23 januari 2006 gedurende vier weken toegenomen arbeidsongeschikt is uit dezelfde ziekteoorzaak als die op grond waarvan zij eerder uitkering ontving en dat haar verlies aan verdiencapaciteit

15 tot 25% bedraagt.

2. Nadat de bezwaarverzekeringsarts rapport had uitgebracht heeft het Uwv bij besluit van 28 december 2007, voor zover van belang, het bezwaar van appellante tegen het besluit van 1 juni 2007 ongegrond verklaard.

3.1. Tegen het besluit van 28 december 2007, hierna: het bestreden besluit, heeft appellante beroep bij de rechtbank ingesteld.

3.2. De rechtbank heeft het beroep bij de aangevallen uitspraak ongegrond verklaard en zij heeft, kort gezegd, de medische grondslag van het bestreden besluit onderschreven.

4. Appellante kan zich met deze uitspraak niet verenigen. Zij is van mening dat ze op de in geding zijnde datum volledig arbeidsongeschikt was op grond van de bij de ziekmelding aangegeven klachten en voorts ook op grond van in de tweede helft van 2007 bij haar geconstateerde borstkanker, omdat deze rond december 2005/januari 2006 al arbeidsbeperkingen moet hebben gegeven.

5. De Raad onderschrijft het oordeel van de rechtbank in de aangevallen uitspraak en voegt aan de overwegingen van de rechtbank nog het volgende toe.

5.1. De bezwaarverzekeringsarts W.M. Koek heeft tijdens de bezwaarprocedure nog informatie verkregen van alle specialisten bij wie appellante rond de in geding zijnde datum onder behandeling was, namelijk de reumatoloog, psychiater en huidarts. In haar rapport van 1 oktober 2007 heeft mevrouw Koek uitgebreid gemotiveerd waarom uit de ontvangen informatie niet blijkt dat aan de door appellante gemelde toegenomen klachten per de in geding zijnde datum objectief medisch vast te stellen oorzaken ten grondslag liggen.

Evenmin als de rechtbank heeft de Raad aanknopingspunten voor de opvatting dat het standpunt van de bezwaarverzekeringsarts onjuist zou zijn. Met de FML van 18 januari 2007 is de belastbaarheid van appellante per 23 januari 2006 dan ook niet overschat. De door appellante in hoger beroep ingezonden informatie van haar huisarts en psychiater brengen de Raad niet tot een ander oordeel omdat deze betrekking hebben op behandelingen van ver na de in geding zijnde datum. Uit die informatie kan voorts niet worden geconcludeerd dat de in 2007 vastgestelde borstkanker al op 23 januari 2006 beperkingen in de belastbaarheid van appellante met zich bracht.

5.2. Uitgaande van de juistheid van de in de FML vastgelegde medische beperkingen is de Raad niet gebleken dat de geduide functies in medisch opzicht niet passend zouden zijn. De geschiktheid van deze functies voor appellante acht de Raad voldoende toegelicht in het arbeidskundig rapport van 7 mei 2007.

6. Hetgeen in 5.1 en 5.2 is overwogen leidt de Raad tot de conclusie dat het hoger beroep niet slaagt en dat de aangevallen uitspraak, voor zover aangevochten, bevestigd moet worden.

7. De Raad ziet geen aanleiding een proceskostenveroordeling uit te spreken.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep,

Recht doende;

Bevestigt de aangevallen uitspraak, voor zover aangevochten;

Deze uitspraak is gedaan door C.P.M. van de Kerkhof, in tegenwoordigheid van M.A. van Amerongen als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 20 oktober 2010.

(get.) C.P.M. van de Kerkhof.

(get.) M.A. van Amerongen.

GdJ