Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2010:BO3623

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
09-11-2010
Datum publicatie
11-11-2010
Zaaknummer
10-3645 WWB-W2
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Ter zitting wordt schriftelijk een wrakingsverzoek gedaan. Na afwijzing daarvan wraakt verzoeker de rechters opnieuw op de grond dat het proces-verbaal van de zitting, waarop het eerste wrakingsverzoek gedaan is, onjuist is en dat hij hiervan eerst na de indiening van zijn eerste wrakingverzoek kennis heeft kunnen verkrijgen. Vaststaat dat verzoeker het proces-verbaal ontving en kende vóór de zitting van de wrakingskamer.

Gelet op het bepaalde in artikel 8:16, vierde lid, van de Awb, gelezen in samenhang met artikel 8:16, eerste en derde lid, van de Awb, was verzoeker gehouden alle bij hem bekend zijnde feiten en omstandigheden, zodra die hem bekend werden en voor zover die naar zijn mening (evenzeer) een grond voor wraking vormden, voor te dragen.

Verzoeker had in dit geval de eerder aangevoerde wrakingsgronden nog tot op de zitting van de wrakingskamer kunnen aanvullen met een nieuwe grond onder verwijzing naar het proces-verbaal van de zitting, waarop het wrakingsverzoek gedaan werd en dat volgens hem incompleet is. Dat heeft hij niet gedaan. Aldus is er geen sprake van feiten en omstandigheden die na het eerder verzoek om wraking bekend zijn geworden en die een volgend verzoek kunnen rechtvaardigen. Daarom wordt het tweede verzoek niet in behandeling genomen. De Raad ziet aanleiding om zonder zitting op het verzoek te beslissen.

Wetsverwijzingen
Algemene wet bestuursrecht 8:16
Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (geldt in geval van digitaal procederen) 37
Wetboek van Strafvordering 513
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
USZ 2010/408
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

10/3645 WWB-W2

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

B E S L I S S I N G

op het verzoek op grond van artikel 8:15 van de Algemene wet bestuursrecht, gedaan door:

[Verzoeker], wonende te [woonplaats] (hierna: verzoeker)

Datum beslissing: 9 november 2010

I. PROCESVERLOOP

Verzoeker heeft hoger beroep ingesteld tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 20 mei 2010, 09/4184.

Tijdens de behandeling van het hoger beroep ter zitting van de Raad op 5 oktober 2010 heeft verzoeker verzocht om wraking van de voorzitter en leden van de meervoudige kamer, de rechters J.J.A. Kooijman, W.F. Claessens en C.H. Bangma (hierna ook: rechters), waarna het onderzoek ter zitting is geschorst.

Het wrakingsverzoek is behandeld ter zitting van de Raad op 12 oktober 2010. Verzoeker is ter zitting verschenen. Bij beslissing van 15 oktober 2010, 10/3645 WWB-W, heeft de wrakingskamer van de Raad het wrakingsverzoek afgewezen, waarna het dossier wederom in handen is gesteld van de behandelende kamer. Vervolgens is aan partijen bericht dat de behandeling van de zaak in hoger beroep zal worden voortgezet ter zitting van de Raad op 9 november 2010.

Bij schrijven van 29 oktober 2010 heeft verzoeker wederom de rechters van de behandelende kamer gewraakt. Het onderzoek ter zitting op 9 november 2010 heeft in verband met dit verzoek geen doorgang gevonden.

II. OVERWEGINGEN

1. Op grond van artikel 8:15 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) kan op verzoek van een partij elk van de rechters die een zaak behandelen, worden gewraakt op grond van feiten en omstandigheden waardoor de rechterlijke onpartijdigheid schade zou kunnen lijden.

2. Artikel 8:16, eerste lid, van de Awb bepaalt dat een verzoek om wraking wordt gedaan zodra de feiten of omstandigheden aan de verzoeker bekend zijn geworden. Ingevolge het derde lid van dit artikel moeten alle feiten en omstandigheden tegelijk worden voorgedragen. In artikel 8:16, vierde lid, van de Awb is bepaald dat een volgend verzoek om wraking van dezelfde rechter niet in behandeling wordt genomen, tenzij feiten of omstandigheden worden voorgedragen die pas na het eerdere verzoek aan verzoeker kenbaar zijn geworden.

3. Op grond van artikel 21, eerste lid, van de Beroepswet zijn de onder 1 en 2 genoemde bepalingen in hoger beroep van overeenkomstige toepassing.

4. Het tweede wrakingsverzoek berust op de stelling van verzoeker dat het proces-verbaal van de zitting van 5 oktober 2010 onvolledig en daarmee onjuist is. Hierdoor is de wrakingskamer misleid. Dit heeft geleid tot een onjuiste beslissing van de wrakingskamer. Voorts heeft verzoeker, voor zover hier van belang, gesteld dat hij van deze tekortkomingen in het bedoelde proces-verbaal eerst na het indienen van zijn wrakingsverzoek kennis heeft kunnen nemen.

5. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

5.1. Uit de stukken blijkt dat het proces-verbaal van de zitting van de Raad van 5 oktober 2010 bij brief van 6 oktober 2010 naar verzoeker is gezonden en dat hij daarvan enige dagen voorafgaand aan de zitting van de wrakingskamer van de Raad van 12 oktober 2010 heeft kennisgenomen.

5.2. Verzoeker betoogt dat de door hem gestelde tekortkomingen van het onder 5.1 genoemde proces-verbaal moeten worden aangemerkt als feiten en omstandigheden als bedoeld in artikel 8:16, vierde lid, van de Awb, omdat hij pas na de indiening van zijn verzoek om wraking op 5 oktober 2010 bekend is geworden met de inhoud van het proces-verbaal van de zitting van 5 oktober 2010. Dit zou volgens verzoeker een volgend verzoek om wraking van de behandelende kamer van de Raad rechtvaardigen.

5.3. De Raad volgt verzoeker daarin niet. Hij is van oordeel dat verzoeker, gelet op het bepaalde in artikel 8:16, vierde lid, van de Awb, gelezen in samenhang met artikel 8:16, eerste en derde lid, van de Awb, gehouden was alle bij hem bekend zijnde feiten en omstandigheden, zodra die hem bekend werden en voor zover die naar zijn mening (evenzeer) een grond voor wraking vormden, voor te dragen.

5.4. Verzoeker had in dit geval de eerder aangevoerde wrakingsgronden nog tot op de zitting van de wrakingskamer van de Raad op 12 oktober 2010 kunnen aanvullen met een nieuwe grond onder verwijzing naar het proces-verbaal van de zitting van 5 oktober 2010, dat volgens hem incompleet is. De Raad moet echter vaststellen dat verzoeker dat om hem moverende redenen niet heeft gedaan.

5.5. Het voorgaande leidt de Raad tot de slotsom dat niet is voldaan aan de eisen die artikel 8:16, vierde lid, van de Awb aan een volgend verzoek om wraking stelt. Het onderhavige verzoek wordt daarom niet in behandeling genomen.

5.6. De Raad ziet aanleiding het onderzoek ter zitting in deze wrakingszaak achterwege te laten en zal dus zonder zitting uitspraak doen.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Bepaalt dat het verzoek om wraking niet in behandeling wordt genomen.

Aldus gegeven door R.H.M. Roelofs als voorzitter en J.F. Bandringa en O.L.H.W.I. Korte als leden, in tegenwoordigheid van C. de Blaeij als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 9 november 2010.

(get.) R.H.M. Roelofs.

(get.) C. de Blaeij.

RB