Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2010:BO3621

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
10-11-2010
Datum publicatie
11-11-2010
Zaaknummer
09-7006 WIA
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Recht op een WGA-vervolguitkering. Zorgvuldig medisch onderzoek door de (bezwaar)verzekeringsartsen. De geselecteerde functies kunnen in medisch opzicht voor appellante geschikt worden geacht.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

09/7006 WIA

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[Appellante], wonende te [woonplaats] (hierna: appellante),

tegen de uitspraak van de rechtbank Middelburg van 26 november 2009, 09/147

(hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellante

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv).

Datum uitspraak: 10 november 2010

I. PROCESVERLOOP

Namens appellante is hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend, waarbij een rapportage van de bezwaarverzekeringsarts mr. J.T.J.A. Klijn van 5 februari 2010 is overgelegd.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 29 september 2010. Appellante is niet verschenen. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door A.J. van Loon.

II OVERWEGINGEN

1.1. Appellante is laatstelijk werkzaam geweest als meewerkend leidinggevende schoonmaak voor gemiddeld 38,07 uur per week. Op 12 oktober 2006 is zij uitgevallen voor haar werkzaamheden wegens burnout-klachten. Per 7 november 2006 is het dienstverband van appellante beëindigd.

1.2. Naar aanleiding van de aanvraag van appellante om een uitkering ingevolge de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (Wet WIA) per einde wachttijd is zij op

1 juli 2008 onderzocht door de verzekeringsarts H.G. van Loon, die in zijn rapportage van 24 juli 2008 heeft aangegeven dat appellante is aangewezen op werkzaamheden die energetisch niet te zwaar zijn, die de wervelkolom, schouders en longen ontzien en waarbij geen tempodruk en productiepieken voorkomen. De daarbij in acht te nemen beperkingen zijn verwoord in de Functionele Mogelijkheden Lijst (FML) van 25 juli 2008. Op basis daarvan heeft de arbeidsdeskundige P. de Kort in zijn rapportage van 11 augustus 2008 vastgesteld dat appellante geschikt wordt geacht voor de met gebruikmaking van het Claim Beoordelings- en Borgingssysteem (CBBS) geselecteerde functies. Het verlies aan loonwaarde wordt daarbij berekend op 50,02%, hetgeen leidt tot een indeling in de arbeidsongeschiktheidsklasse van 35 tot 80%. In overeenstemming hiermee en omdat niet wordt voldaan aan de referte-eis heeft het Uwv bij besluit van 12 augustus 2008 aan appellante meegedeeld dat zij met ingang van 9 oktober 2008 recht heeft op een WGA-vervolguitkering.

1.3. Bij besluit van 26 januari 2009 (hierna: bestreden besluit) heeft het Uwv het bezwaar van appellante tegen het besluit van 12 augustus 2008, onder verwijzing naar de rapportage van de bezwaarverzekeringsarts Klijn van 23 januari 2009, ongegrond verklaard.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep van appellante tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard. Daartoe heeft de rechtbank overwogen dat het medisch onderzoek dat aan het bestreden besluit ten grondslag ligt voldoende zorgvuldig is geweest en dat zij, gelet op de bevindingen van de verzekeringsarts en de bezwaarverzekeringsarts, van oordeel is dat de ten aanzien van appellante vastgestelde beperkingen en de aan de hand daarvan opgestelde FML voor juist moeten worden gehouden. In de beschikbare medische gegevens heeft de rechtbank geen aanknopingspunten gevonden om te twijfelen aan de juistheid van de FML. Met betrekking tot de arbeidskundige grondslag van het bestreden besluit heeft de rechtbank overwogen dat ten aanzien van de geduide functies niet is gebleken dat de belasting in die functies de belastbaarheid van appellante overschrijdt en dat, voor zover er sprake is van een signalering of overschrijding, door de arbeidsdeskundige gemotiveerd is aangegeven waarom de functies binnen de belastbaarheid van appellante vallen. Mitsdien heeft de rechtbank geoordeeld dat het Uwv zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat appellante per 9 oktober 2008 in aanmerking komt voor een WGA-vervolguitkering.

3. In hoger beroep heeft appellante aangevoerd dat de FML geen recht doet aan haar medische situatie, omdat uit nader onderzoek door de chirurg A.F.M. Derom gebleken is dat er sprake is van thoracic outlet-achtige klachten. Gelet hierop stelt zij zich op het standpunt dat de haar geduide functies niet (zonder meer) als uitgangspunt mogen worden genomen bij de beoordeling van haar mate van arbeidsongeschiktheid.

4. De Raad, oordelend over hetgeen appellante tegen de aangevallen uitspraak heeft aangevoerd, overweegt het volgende.

4.1. Evenals de rechtbank is de Raad van oordeel dat het medisch onderzoek door de (bezwaar)verzekeringsartsen op basis van dossierstudie, eigen onderzoek en met verkregen informatie van de behandelend sector op een voldoende zorgvuldige wijze heeft plaatsgevonden. De Raad onderschrijft dan ook het oordeel en de daaraan ten grondslag gelegde overwegingen van de rechtbank. Naar aanleiding van hetgeen appellante in hoger beroep heeft aangevoerd, voegt de Raad daaraan het volgende toe. In reactie op de door appellante in hoger beroep overgelegde informatie van de chirurg Derom heeft de bezwaarverzekeringsarts Klijn in zijn rapportage van 5 februari 2010 vermeld dat de chirurg heeft aangegeven dat klachten van appellante niet typisch gerelateerd zijn aan een thoracic outlet syndroom en dat de chirurg in verband met het feit dat een eerste ribresectie een zware ingreep is met mogelijke complicaties, waarbij het maar de vraag is of deze ingreep baat kan brengen, een second opinion heeft voorgesteld. De bezwaarverzekeringsarts heeft op basis van de informatie van de chirurg geconcludeerd dat de diagnose thoracic outlet syndroom dus helemaal nog niet vaststaat en dat het niet duidelijk is of de klachten van appellante voortkomen uit deze onderzoeksbevinding. Gelet op de voorhanden medische gegevens ziet de Raad geen aanleiding aan de conclusie van de bezwaarverzekeringsarts te twijfelen. De Raad ziet dan ook geen aanleiding om tot het oordeel te komen dat de beperkingen van appellante op de datum in geding zijn onderschat. Mitsdien is het Uwv terecht uitgegaan van de beperkingen en de belastbaarheid van appellante, zoals neergelegd in de FML van

25 juli 2008.

4.2. Ten aanzien van de arbeidskundige kant overweegt de Raad dat aan de schatting de functies productiemedewerker (sbc-code 111180), magazijn- expeditiemedewerker (sbc-code 111220) en bezorger kranten tijdschriften, wasgoed (sbc-code 111230) ten grondslag zijn gelegd. De Raad is van oordeel dat met de toelichtingen van de arbeidsdeskundige in zijn notitie functieselectie van 31 juli 2008 en zijn rapportage van 11 augustus 2008 voldoende inzichtelijk en toetsbaar is onderbouwd dat de geselecteerde functies in medisch opzicht voor appellante geschikt kunnen worden geacht. Op basis hiervan is de mate van arbeidsongeschiktheid terecht vastgesteld naar de klasse van 35 tot 80%.

4.3. De Raad komt dan ook tot de conclusie dat het Uwv op goede gronden heeft beslist dat appellante met ingang van 9 oktober 2008 in aanmerking is gebracht voor een WGA-vervolguitkering. De aangevallen uitspraak komt derhalve voor bevestiging in aanmerking.

5. De Raad acht geen termen aanwezig om toepassing te geven aan artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht inzake de vergoeding van proceskosten.

III.BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep,

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door C.P.J. Goorden als voorzitter en A.A.H. Schifferstein en N.J.E.G. Cremers als leden, in tegenwoordigheid van M. Mostert als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 10 november 2010.

(get.) C.P.J. Goorden.

(get.) M. Mostert.

CVG