Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2010:BO3590

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
10-11-2010
Datum publicatie
11-11-2010
Zaaknummer
09-2770 ZW
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Het door betrokkene bij de werkgever verrichte werk dient als ”zijn arbeid” in de zin van artikel 19 van de ZW te worden aangemerkt. Zorgvuldig medisch onderzoek door de verzekeringsarts en de bezwaarverzekeringsarts. Vernietiging uitspraak. Beroep ongegrond.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

09/2770 ZW

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: appellant),

tegen de uitspraak van de rechtbank Zwolle-Lelystad van 21 april 2009, 08/1929 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellant

en

[Betrokkene], wonende te [woonplaats] (hierna: betrokkene).

Datum uitspraak: 10 november 2010

I. PROCESVERLOOP

Appellant heeft hoger beroep ingesteld.

Namens betrokkene heeft mr. R. Grijpstra, advocaat te Almere, een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 29 september 2010. Appellant heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. R.M.H. Rokebrand. Voor betrokkene is

mr. Grijpstra verschenen.

II. OVERWEGINGEN

1. Aan de aangevallen uitspraak, waarin appellant als verweerder is aangeduid en betrokkene als eiser, ontleent de Raad de volgende feiten en omstandigheden:

“Eiser heeft in 1982 een gecompliceerde onderbeenfractuur opgelopen bij een verkeersongeval. Verweerder heeft eiser ziekengeld en aansluitend een arbeidsongeschiktheidsuitkering toegekend. Eiser heeft in de loop van de jaren diverse operaties aan zijn rechterbeen en -voet ondergaan. Per 1 december 1988 is eiser door verweerder in staat geacht passende werkzaamheden te verrichten, waarbij rekening is gehouden met beperkingen ten aanzien van lopen, staan en tillen. Zijn arbeidsongeschiktheidsuitkering is met ingang van deze datum ingetrokken.

Eiser heeft vanaf 1988 bij diverse werkgevers gewerkt. Op 2 april 2001 is eiser als magazijnmedewerker in dienst getreden bij [naam werkgever]. In verband met het einde van dit dienstverband op 10 augustus 2007 is eiser een WW-uitkering toegekend. Van 12 september 2007 tot 11 oktober 2007 heeft eiser als logistiek manager gewerkt bij [werkgever B]. Eiser heeft ontslag genomen omdat het werk hem te zwaar was. Verweerder heeft in verband met deze ontslagname geen WW-uitkering toegekend omdat eiser verwijtbaar werkloos werd geacht. Tegen dit besluit van verweerder heeft eiser geen beroep ingesteld.

Op 3 december 2007 is eiser via Randstad Uitzendbureau als magazijnmedewerker bij een inlener gaan werken. Op 5 december 2007 is eiser door zijn rug gegaan in verband waarmee hij zich heeft ziek gemeld. Verweerder heeft eiser ziekengeld toegekend.

Eisers uitkering krachtens de ZW is met ingang van 13 mei 2008 ingetrokken omdat hij weer geschikt werd geacht voor het laatst verrichte werk.

Bij het bestreden besluit heeft verweerder dit standpunt in zoverre gewijzigd dat eiser per 13 mei 2008 weer geschikt wordt geacht tot het verrichten van zijn arbeid, waarbij onder “zijn arbeid” niet langer het laatst verrichte werk is verstaan, maar de arbeid als magazijnmeester met een grotendeels leidinggevende taak die eiser gedurende een ruim aantal jaren 40 uur per week bij [naam werkgever] heeft verricht. Verweerder heeft hiermee toepassing gegeven aan artikel 19, vijfde lid, van de ZW.

In antwoord op een vraag van de rechtbank is namens verweerder bij brief van 16 februari 2009 aangegeven dat artikel 19, vijfde lid, van de ZW in het onderhavige geval niet van toepassing kan zijn omdat dit artikellid pas op 1 januari 2008 in werking is getreden.

Dit betekent dat het bestreden besluit geen stand kan houden omdat het op een onjuiste wettelijke grondslag berust.

Namens verweerder is in de brief van 16 februari 2009 verder aangevoerd dat naar het oordeel van verweerder toch het juiste werk als maatstaf is genomen, waarbij is gewezen op een drietal uitspraken van de Centrale Raad van Beroep, waarin is bepaald dat onder “zijn arbeid” moet worden verstaan de laatstelijk vóór de ziekmelding verrichte arbeid, behalve als die arbeid slechts kort is verricht en de betrokkene het werk in feite niet aankon. Naar het oordeel van verweerder doet deze situatie zich hier voor. Eiser heeft het werk bij de inlener slechts 2 dagen kunnen volhouden en hij heeft zelf aangegeven dat hij wist dat dit werk te zwaar was. Ook het werk dat hij daarvóór gedurende een maand heeft verricht bij AfterPress was naar verweerders oordeel te zwaar voor hem, terwijl bovendien de periode waarin hij dit werk heeft verricht te kort is geweest om het werk als “zijn arbeid” aan te merken. Dat geldt niet voor het werk bij [naam werkgever], waar hij ruim zes jaar normaal heeft gefunctioneerd. Dit werk is derhalve terecht als zijn arbeid aangemerkt, aldus verweerder.”

2.1. De rechtbank heeft in de aangevallen uitspraak voorop gesteld dat artikel 19, vijfde lid, van de Ziektewet (ZW) niet van toepassing is en dat uitgaande van de tekst van dit artikel, zoals dit vóór 1 januari 2008 luidde, voor de beantwoording van de vraag welke arbeid als ”zijn arbeid” - als bedoeld in artikel 19, eerste lid, van de ZW - moet worden aangemerkt in beginsel moet worden uitgegaan van de werkzaamheden die betrokkene laatstelijk vóór zijn uitval verrichtte. Met appellant is de rechtbank van oordeel dat betrokkene het laatst verrichte werk zo kort heeft gedaan dat dit, mede gezien de jurisprudentie van de Raad, niet als zijn arbeid in de zin van de ZW is aan te merken. Voorts is de rechtbank ter zitting gebleken dat beide partijen van oordeel zijn dat betrokkene het daarvoor verrichte werk bij [werkgever B] niet aankon omdat er teveel gelopen moest worden, zodat ook dit werk niet als zijn arbeid is aan te merken. Het werk dat betrokkene bij [naam werkgever] een ruim aantal jaren heeft verricht is derhalve naar het oordeel van de rechtbank de maatstaf arbeid.

2.2. De rechtbank heeft vervolgens vastgesteld dat partijen over de aard van de werkzaamheden van betrokkene (bij [naam werkgever]) van mening verschillen en dat een (arbeidskundig) onderzoek naar deze werkzaamheden ontbreekt, zodat geconcludeerd moet worden dat het medisch oordeel dat betrokkene deze werkzaamheden per 13 mei 2008 weer kan verrichten op een onvoldoende feitelijke grondslag berust. Vervolgens heeft de rechtbank zich ten overvloede uitgelaten over de mogelijke toepassing van artikel 44 van de ZW na vernietiging van het bestreden besluit.

2.3. Gelet hierop heeft de rechtbank beroep gegrond verklaard en het besluit op bezwaar van 16 september 2008 (bestreden besluit) vernietigd, met de opdracht aan appellant om een nieuw besluit op bezwaar te nemen.

3. Appellant heeft daartegen in hoger beroep naar voren gebracht dat, nu zowel door de verzekeringsarts als door de bezwaarverzekeringsarts is vastgesteld dat de enkelklachten op 13 mei 2008 terug waren op het ”niveau van vorig jaar” (2007) en ”als bij aanvang verzekering” (3 december 2007) en er tussen het werk bij [naam werkgever] en 3 december 2007 niets is voorgevallen, geconcludeerd moet worden dat de beenklachten op 13 mei 2008 op hetzelfde niveau waren als tijdens het verrichten van dat werk bij [naam werkgever]. Wat dat werk ook inhield, volgens appellant kon betrokkene dat werk met die beenklachten verrichten nu hij dat werk gedurende 6½ jaar heeft gedaan zonder dat zijn beenklachten hem parten speelden. Met inachtneming van het voorgaande zou het door de rechtbank verlangd arbeidskundig onderzoek geen toegevoegde waarde hebben. Dit zou pas anders zijn als het medisch oordeel van de (bezwaar)verzekeringsarts onjuist zou zijn maar dat is volgens appellant door de rechtbank niet beoordeeld. Appellant is van oordeel dat de stelling van betrokkene, dat zijn enkelklachten op de datum in geding, 13 mei 2008, veel ernstiger waren dan door de artsen van appellant is aangenomen, geen steun vindt in de beschikbare medische gegevens en dus niet is geobjectiveerd.

4. Ter zitting van de Raad heeft de gemachtigde van betrokkene zich geschaard achter het oordeel van de rechtbank dat het werk bij [naam werkgever] als zijn arbeid dient te worden aangemerkt maar daarbij benadrukt dat het gaat om fysiek belastend magazijnwerk zonder administratieve en leidinggevende aspecten. Een arbeidskundig onderzoek naar de aard van deze arbeid is ten onrechte door appellant achterwege gelaten. De gemachtigde van betrokkene heeft aangegeven dat de enkelklachten na de val van een trap in april 2008 verergerd zijn.

5. De Raad oordeelt als volgt.

5.1. De Raad is van oordeel dat het door betrokkene bij werkgever [naam werkgever] verrichte werk als ”zijn arbeid” in de zin van artikel 19 van de ZW dient te worden aangemerkt. Met betrekking tot de inhoud van het desbetreffende werk onderschrijft de Raad hetgeen appellant dienaangaande in hoger beroep heeft aangevoerd, zodat een arbeidskundig onderzoek terzake achterwege kon blijven.

5.2. De Raad is van oordeel dat het medisch onderzoek door de verzekeringsarts en de bezwaarverzekeringsarts met de vereiste zorgvuldigheid heeft plaatsgevonden en dat de conclusies inzichtelijk zijn gemotiveerd. Mede in aanmerking genomen dat van de zijde van betrokkene geen medische gegevens in het geding zijn gebracht, waaruit kan worden afgeleid dat zijn gezondheidstoestand op de datum in geding slechter is dan ten tijde van zijn arbeid bij [naam werkgever], ziet de Raad het hoger beroep daarom doel treffen.

5.3. Het hiervoor onder 5.1 en 5.2 overwogene leidt de Raad tot de slotsom dat de aangevallen uitspraak voor vernietiging in aanmerking komt en dat het beroep ongegrond dient te worden verklaard.

6. De Raad acht geen termen aanwezig om toepassing te geven aan artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep,

Recht doende:

Vernietigt de aangevallen uitspraak;

Verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door C.P.J. Goorden als voorzitter en A.A.H. Schifferstein en N.J.E.G. Cremers als leden, in tegenwoordigheid van M. Mostert als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 10 november 2010.

(get.) C.P.J. Goorden.

(get.) M. Mostert.

TM