Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2010:BO3575

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
02-11-2010
Datum publicatie
11-11-2010
Zaaknummer
09/3408 WWB + 09/3409 WWB
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Intrekking bijstand. De rechtbank heeft niet onderkend dat het bezwaar van appellante tegen het besluit van 18 juli 2007 niet-ontvankelijk is. Appellanten hebben werkzaamheden verricht. Op geld waardeerbare activiteiten. Schending inlichtingenverplichting. Vernietiging uitspraak.. Vernietiging besluit. Verklaart het bezwaar van appellante tegen het besluit van 18 juli 2007 niet-ontvankelijk.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

09/3408 WWB

09/3409 WWB

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[appellant] en [appellante], beiden wonende te [woonplaats],

tegen de uitspraak van de rechtbank Zwolle-Lelystad van 13 mei 2009, 08/862 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellanten

en

het College van burgemeester en wethouders van de gemeente Noordoostpolder (hierna: College)

Datum uitspraak: 2 november 2010

I. PROCESVERLOOP

Namens appellanten heeft mr. J.M.M. Pater, advocaat te Emmeloord, hoger beroep ingesteld.

Het College heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 21 september 2010. Verschenen zijn mr. Pater en appellant. Het College heeft zich laten vertegenwoordigen door H.H. Stegeman en J.M. de Vries, beiden werkzaam bij de gemeente Noordoostpolder.

II. OVERWEGINGEN

1. De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.

1.1. Appellanten ontvangen sinds 1 mei 2006 bijstand op grond van de Wet werk en bijstand (WWB) naar de norm voor gehuwden.

1.2. Naar aanleiding van een anonieme tip dat appellanten werkzaamheden als verkopers van pizza’s verrichten en daaruit inkomsten genieten, heeft de sociale recherche Flevoland een onderzoek ingesteld naar de rechtmatigheid van de aan appellanten verleende bijstand. In dat kader heeft een dossieronderzoek plaatsgevonden, zijn observaties verricht en getuigen gehoord, waaronder de zoon van appellanten en zijn vriendin. Voorts hebben appellanten een verklaring afgelegd. De resultaten van het onderzoek zijn neergelegd in een proces-verbaal dat is afgesloten op 1 juni 2007.

1.3. In de bevindingen van het onderzoek heeft het College aanleiding gezien om bij besluit van 13 juli 2007 de bijstand over de periode van 1 mei 2006 tot en met 30 april 2007 in te trekken. In dit besluit is tevens meegedeeld dat de aan appellanten verstrekte bijstand over genoemde periode zal worden teruggevorderd en dat zij over de hoogte van de terugvordering nader bericht ontvangen. Bij besluit van 18 juli 2007 heeft het College de kosten van bijstand over de periode van 1 mei 2006 tot en met 30 april 2007 van appellanten teruggevorderd tot een bedrag van € 15.050,06.

1.4. Bij besluit van 22 april 2008 heeft het College de bezwaren tegen de besluiten van 13 en 18 juli 2007 ongegrond verklaard.

2.1. De rechtbank heeft bij de aangevallen uitspraak - met bepalingen inzake griffierecht en proceskosten - het beroep van appellant tegen het besluit van 22 april 2008 gegrond verklaard en dat besluit vernietigd, voor zover het ziet op het bezwaar van appellant tegen de besluiten van 13 juli 2007 en 18 juli 2007. De rechtbank heeft het bezwaar van appellant tegen deze besluiten niet-ontvankelijk verklaard en bepaald dat de uitspraak van de rechtbank in zoverre in de plaats treedt van het vernietigde besluit van 22 april 2008.

Daartoe heeft zij overwogen dat niet is gebleken dat namens appellant bezwaar is gemaakt tegen het besluit van 13 juli 2007 en dat het tegen het besluit van 18 juli 2007 gemaakte bezwaar niet tijdig is ingediend. Niet is gebleken dat het niet instellen van bezwaar niet aan appellant kan worden verweten.

2.2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank voorts het beroep van appellante ongegrond verklaard. Naar haar oordeel was het College bevoegd de bijstandsuitkering van appellante over de periode van 1 mei 2006 tot en met 30 april 2007 in te trekken. Er is geen grond voor het oordeel dat het College niet in redelijkheid tot intrekking heeft kunnen besluiten. Naar het oordeel van de rechtbank was het College tevens bevoegd de kosten van bijstand over deze periode terug te vorderen. De terugvordering is volgens de rechtbank in overeenstemming met de beleidsregels en er zijn geen bijzondere omstandigheden op grond waarvan van die beleidsregels zou moeten worden afgeweken.

3. Appellanten hebben deze uitspraak in hoger beroep bestreden. Zij zijn - kort gezegd - van mening dat appellant in zijn bezwaar had moeten worden ontvangen. Ten aanzien van de intrekking en terugvordering betwisten zij het standpunt dat zij de inlichtingenverplichting hebben geschonden en dat zij inkomsten hebben ontvangen uit de door hen verrichte werkzaamheden.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1. De ontvankelijkheid van de bezwaren van appellanten.

4.1.1. De Raad is van oordeel dat de rechtbank de bezwaren van appellant tegen de besluiten van 13 juli 2007 en 18 juli 2007 terecht niet-ontvankelijk heeft verklaard. Voorts is de Raad van oordeel dat de rechtbank ten onrechte niet heeft onderkend dat het bezwaar van appellante tegen het besluit van 18 juli 2007 evenmin ontvankelijk is. De Raad overweegt dienaangaande het volgende.

4.1.2. Uit het bezwaarschrift van 3 augustus 2007 tegen het besluit van 13 juli 2007 kan niet anders worden afgeleid dan dat dit uitsluitend namens appellante is ingediend. De stelling van appellanten dat het bezwaarschrift van 3 augustus 2007 geacht moet worden mede te zijn ingediend namens appellant, slaagt dan ook niet. Dat appellant zich niet kan verenigen met het besluit van 13 juli 2007, blijkt pas uit het mede namens hem ingediende bezwaarschrift van 5 september 2007 tegen het besluit van 18 juli 2007. Voor zover dit bezwaarschrift mede moet worden aangemerkt als een bezwaarschrift van appellant tegen het besluit van 13 juli 2007, heeft appellant tegen dit besluit niet tijdig bezwaar gemaakt. Van een verschoonbare termijnoverschrijding is geen sprake.

4.1.3. Voor zover het bezwaarschrift van 5 september 2007 is gericht tegen het besluit van 18 juli 2007, hebben appellanten tegen dit besluit niet tijdig bezwaar gemaakt. De opvatting van appellanten dat de termijnoverschrijding verschoonbaar is omdat zij niet tijdig kennis hebben kunnen nemen van het besluit van 18 juli 2007, nu dit in het kader van de schuldsanering is doorgezonden aan de bewindvoerder, slaagt niet. Het is aan appellanten om met de bewindvoerder afspraken te maken over het doorzenden van post. De omstandigheid dat de bewindvoerder appellanten kennelijk niet tijdig in kennis heeft gesteld van het besluit van 18 juli 2007, komt voor rekening en risico van appellanten. De rechtbank is er vanuit gegaan dat, nu in het besluit van 13 juli 2007 reeds is meegedeeld dat de gemaakte kosten van bijstand zullen worden teruggevorderd en over de hoogte van de terugvordering nader bericht zal worden ontvangen, appellante met haar bezwaarschrift van 3 augustus 2007 tevens bezwaar heeft gemaakt tegen het besluit van 18 juli 2007. De Raad deelt dit oordeel niet. Het bezwaar van 3 augustus 2007 is immers uitsluitend gericht tegen het besluit van 13 juli 2007 inzake de intrekking en niet tegen het besluit van 18 juli 2007 inzake de terugvordering. De in het besluit van 13 juli 2007 gedane mededeling met betrekking tot de terugvordering, betreft slechts een aankondiging, dat wil zeggen een mededeling van informatieve aard, die niet op rechtsgevolg is gericht. Pas op 18 juli 2007 is ten aanzien van de terugvordering een op rechtsgevolg gericht besluit genomen, maar daartegen is, ook door appellante, niet tijdig bezwaar gemaakt.

4.1.4. De in hoger beroep herhaalde stelling dat sprake is van één besluit en dat in overleg met het College is besloten dat met één bezwaarschrift, geldend voor beide appellanten en zowel betrekking hebbend op de intrekking als op de terugvordering, zou worden volstaan, treft geen doel. De omstandigheid dat de overschrijding van de bezwaartermijn geen punt van geschil tussen partijen is, is voor de rechter geen grond om deze bij zijn beoordeling buiten beschouwing te laten. Het gaat hier immers om een (ook) ambtshalve door de rechter te beoordelen punt.

4.2. De intrekking van de bijstand.

4.2.1. Uit de onderzoeksgegevens van het rapport van 1 juni 2007 blijkt onder meer het volgende. Op 27 januari 2005 is bij de Kamer van Koophandel en Fabrieken Flevoland de [naam onderneming] geregistreerd op naam van [naam zoon], de zoon van appellanten (hierna: de zoon). Deze onderneming produceert en verkoopt pizza’s en andere Italiaanse producten. De producten worden verkocht vanuit een zogenoemde pizzabus op verschillende standplaatsen in de Noordoostpolder en Friesland. Tijdens de vele observaties die in de periode van 20 januari 2007 tot en met 27 mei 2007 zijn verricht, is regelmatig waargenomen dat appellanten gebruik maken van een bestelbus, merk [merk], welke is geregistreerd op naam van het bedrijf [naam onderneming]. Deze bestelbus is aangetroffen op de standplaatsen van [naam onderneming]. Waargenomen is dat appellanten afzonderlijk dan wel gezamenlijk de bestelbus naar en van de standplaats reden. Tevens is waargenomen dat zij in de bus aan het werk waren, al dan niet vergezeld van de vriendin van de zoon. De zoon en zijn vriendin zijn op 29 mei 2007, als getuige gehoord. Zij hebben afzonderlijk van elkaar verklaard dat de onderneming weliswaar op naam van de zoon stond, maar in werkelijkheid door appellanten werd geëxploiteerd. Appellanten zijn op 29 mei 2007 als verdachten verhoord. Appellante heeft verklaard dat zij vanaf maart 2005 haar zoon heeft geholpen met zijn onderneming en appellant heeft verklaard dat hij dat sinds een jaar doet. De verleende hulp bestond uit het rijden van en naar de standplaatsen, het doen van inkopen, het bereiden van pizza’s en het helpen van klanten. Appellante heeft voorts verklaard dat zij zich heeft bezig gehouden met de administratie van de onderneming.

4.2.2. Op grond van deze onderzoeksgegevens is ook naar het oordeel van de Raad komen vast te staan dat appellanten voor het bedrijf [naam onderneming] werkzaamheden hebben verricht. Gelet op de aard en omvang van de werkzaamheden en de regelmaat waarmee zij werden uitgevoerd, dienen deze aangemerkt te worden als op geld waardeerbare activiteiten. Dergelijke activiteiten zijn van invloed op het vaststellen van het recht op en de omvang van de bijstand. De familierelatie tussen appellanten en hun zoon maakt dat in de gegeven omstandigheden niet anders. Dat de verklaringen van de zoon en zijn vriendin onder ontoelaatbare druk zijn afgelegd, onjuist zijn of om een andere reden buiten beschouwing moeten blijven, heeft appellante niet aannemelijk gemaakt. De Raad voegt daaraan nog toe dat de verklaringen van de zoon en zijn vriendin in belangrijke mate met elkaar overeenstemmen.

4.2.3. Appellanten hebben van deze werkzaamheden geen melding gemaakt op de daartoe bestemde rechtmatigheidsformulieren. Zij hebben aangevoerd dat er in de periode in geding veelvuldig contact is geweest met hun klantmanager bij Sociale Zaken en dat zij altijd openheid van zaken hebben gegeven, zodat het College van alles op de hoogte was en zij erop mochten vertrouwen dat zij niet in strijd met de regels handelden. De Raad is echter niet gebleken dat appellanten de volle omvang van hun werkzaamheden eerder hebben gemeld dan eind april 2007. De gemachtigde van het College heeft ter zitting van de Raad verklaard dat uit de aantekeningen van de klantmanager is gebleken dat appellant eerst op 26 april 2007 heeft meegedeeld dat hij sinds december vrijwilligerswerk voor zijn zoon doet. De Raad wijst in dit verband voorts op de brief van appellanten van 27 april 2007, waarin zij naar aanleiding van een gesprek op 26 april 2007 inzake hun aanwezigheid bij de pizzabus van hun zoon, hun klantmanager meedelen dat appellante met ingang van 1 mei 2007 voor 15 uur per week in dienst van [naam onderneming] zal treden.

4.2.4. Uit het voorgaande volgt dat appellanten de op hen rustende inlichtingenverplichting als bedoeld in artikel 17, eerste lid, van de WWB, niet naar behoren zijn nagekomen. Het was dus aan hen om aannemelijk te maken dat zij, indien zij wel volledig die verplichting waren nagekomen, recht hadden op bijstand. Appellanten hebben echter geen administratie of boekhouding van hun werkzaamheden overgelegd. De stelling dat zij geen inkomsten hebben verworven, hebben zij niet onderbouwd met concrete en verifieerbare gegevens. Aldus hebben zij het risico genomen dat de omvang van de werkzaamheden en de daarmee verworven inkomsten achteraf niet met voldoende zekerheid kunnen worden vastgesteld. De Raad is van oordeel dat het College zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat het recht op bijstand in de periode in geding niet kon worden vastgesteld. Het College was dan ook bevoegd met toepassing van artikel 54, derde lid, aanhef onder a, van de WWB het recht op bijstand van appellante in te trekken. De Raad ziet in hetgeen appellanten hebben aangevoerd geen grond voor het oordeel dat het College niet in redelijkheid gebruik heeft kunnen maken van zijn bevoegdheid tot intrekking.

5. Slotoverwegingen.

5.1. Het voorgaande leidt tot de volgende conclusie. Het hoger beroep van appellanten treft geen doel. Nu de rechtbank niet heeft onderkend dat het bezwaar van appellante tegen het besluit van 18 juli 2007 niet-ontvankelijk is, komt de aangevallen uitspraak evenwel in zoverre voor vernietiging in aanmerking. Doende wat de rechtbank zou behoren te doen, zal de Raad het besluit van 22 april 2008 vernietigen voor zover daarbij het bezwaar van appellante tegen het terugvorderingbesluit van 18 juli 2007 ontvankelijk is geacht, en dat bezwaar niet-ontvankelijk verklaren. Voor het overige dient de aangevallen uitspraak, voor zover aangevochten, te worden bevestigd.

5.2. De Raad ziet aanleiding om het College te veroordelen in de proceskosten van appellante. Deze kosten worden begroot op € 644,-- voor in hoger beroep verleende rechtbijstand.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Vernietigt de aangevallen uitspraak, voor zover appellante ontvankelijk is geacht in haar bezwaar tegen het besluit van 18 juli 2007;

Vernietigt het besluit van 22 april 2008 voor zover appellante daarbij ontvankelijk is geacht in haar bezwaar tegen het besluit van 18 juli 2007;

Verklaart het bezwaar van appellante tegen het besluit van 18 juli 2007 niet-ontvankelijk;

Bevestigt de aangevallen uitspraak voor het overige;

Veroordeelt het College in de proceskosten van appellante in hoger beroep tot een bedrag van € 644,--, te betalen aan de griffier van de Raad;

Bepaalt dat het College aan appellante het in hoger beroep betaalde griffierecht van € 110,-- vergoedt.

Deze uitspraak is gedaan door C. van Viegen als voorzitter en O.L.H.W.I. Korte en E.J.M. Heijs als leden, in tegenwoordigheid van N.M. van Gorkum als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 2 november 2010.

(get.) C. van Viegen.

(get.) N.M. van Gorkum.

HD