Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2010:BO3573

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
10-11-2010
Datum publicatie
11-11-2010
Zaaknummer
09-1638 WAZ
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Herziening, intrekking en terugvordering toeslag. Inkomsten uit arbeid.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

09/1638 WAZ

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[Appellant], wonende te [woonplaats] in België (hierna: appellant),

tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 20 februari 2009, 07/4326 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellant

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv).

Datum uitspraak: 10 november 2010

I. PROCESVERLOOP

Appellant heeft hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 29 september 2010. Appellant is verschenen tezamen met zijn echtgenote [naam echtgenote]. Het Uwv heeft zich - zoals aangekondigd - niet laten vertegenwoordigen.

II. OVERWEGINGEN

1.1. Appellant ontving in aanvulling op zijn uitkering ingevolge de Wet arbeidsongeschiktheidsverzekering zelfstandigen (WAZ) een toeslag ingevolge de Toeslagenwet (TW). Naar aanleiding van verkregen inlichtingen is onderzoek gedaan naar de rechtmatigheid van de aan appellant betaalde toeslag. Met ingang van 1 augustus 2005 is de betaling van de toeslag geschorst. De resultaten van het onderzoek zijn neergelegd in een Onderzoeksrapport inspectie BGBI van 13 februari 2007 (hierna: Onderzoeksrapport).

1.2. Bij een viertal besluiten van 26 juni 2007 heeft het Uwv het recht op toeslag voor de jaren 2000 en 2001 gewijzigd als omschreven in de besluiten en met ingang van 1 januari 2002 beëindigd in verband met inkomsten van appellant of zijn partner [naam echtgenote] (hierna: echtgenote), met wie hij op 5 april 2005 is gehuwd. Bij besluit van 27 juni 2007 heeft het Uwv de onverschuldigd betaalde toeslag over de periode van 1 januari 2000 tot en met 30 juli 2005 tot een bedrag van € 16.326,70 van appellant teruggevorderd. Appellant heeft tegen deze vijf besluiten bezwaar gemaakt. Bij besluit van 2 oktober 2007 (hierna: bestreden besluit) heeft het Uwv het bezwaar van appellant ongegrond verklaard.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep van appellant tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard. De rechtbank is van oordeel dat de onderzoeksgegevens, waaronder de door het Uwv overgelegde loonstroken, voldoende onderbouwing bieden voor het standpunt van het Uwv dat appellant in de betreffende jaren inkomsten uit arbeid heeft genoten in verband met zijn werkzaamheden voor [naam bedrijf]. De enkele stelling van appellant dat dit niet waar is, acht de rechtbank voor een andersluidend oordeel onvoldoende. Naar het oordeel van de rechtbank heeft appellant in verband met deze inkomsten over de jaren 2000 en 2001 een gewijzigd recht op toeslag overeenkomstig de berekeningswijze van het Uwv en over 2002 geen recht op toeslag. De rechtbank heeft voorts het standpunt van het Uwv onderschreven dat appellant in verband met inkomsten uit arbeid van appellant of zijn echtgenote vanaf 1 januari 2003 geen recht op toeslag heeft. 3. Appellant heeft in hoger beroep het oordeel van de rechtbank betwist. Hij heeft daartoe met name aangevoerd dat hij nimmer is uitbetaald voor zijn werkzaamheden ten behoeve van [naam bedrijf]. Eerst door deze procedure heeft hij kennis genomen van de betreffende loonstroken.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1. Met betrekking tot de jaren 2000, 2001 en 2002 onderschrijft de Raad het oordeel van de rechtbank dat op grond van de beschikbare gegevens voldoende aannemelijk is geworden dat appellant in verband met zijn werkzaamheden voor [naam bedrijf] inkomsten heeft ontvangen. De Raad stelt zich achter de overwegingen in de aangevallen uitspraak die de rechtbank ter motivering van dat oordeel heeft gegeven. Naar aanleiding van hetgeen appellant in hoger beroep heeft aangevoerd voegt de Raad daaraan nog toe dat van deze inkomsten uit arbeid ook blijkt uit de bij het Onderzoeksrapport gevoegde informatie van de Belastingdienst, op welke gegevens het bestreden besluit mede is gebaseerd. Uit die informatie volgt dat de inkomengegevens over de jaren 2000, 2001 en 2002 zijn ontleend aan de aangiften van appellant zelf voor de Inkomstenbelasting over deze kalenderjaren.

4.2. De Raad stelt vast dat appellant de berekeningen die het Uwv ten grondslag heeft gelegd aan het gewijzigd recht op toeslag voor de jaren 2000 en 2001 en het beëindigen van het recht op toeslag met ingang van 1 januari 2002 niet heeft betwist.

4.3. Met betrekking tot de jaren 2003 en verder overweegt de Raad als volgt. Niet in geschil is dat de echtgenote sinds 11 september 2002 op het adres van appellant in de gemeente [woonplaats] te België staat ingeschreven. Ter zitting hebben appellant en zijn echtgenote bevestigd dat zij sedertdien een gezamenlijke huishouding voeren. Onder de gedingstukken bevinden zich de inkomensgegevens van de echtgenote over de jaren 2003, 2004 en 2005, welke gegevens van de zijde van appellant niet zijn betwist. De Raad is van oordeel dat reeds gelet op de hoogte van de inkomsten van de echtgenote appellant over deze jaren geen recht heeft op toeslag. Gelet hierop zal de Raad hetgeen door appellant met betrekking tot deze jaren is aangevoerd onbesproken laten.

4.4. Mitsdien heeft het Uwv terecht besloten om de aan appellant toegekende toeslag over de jaren 2000 en 2001 te herzien als in de besluiten van 26 juni 2007 is omschreven en met ingang van 1 januari 2002 te beëindigen. Hieruit volgt dat het Uwv over de periode van 1 januari 2000 tot en met 30 juli 2005 onverschuldigd toeslag heeft betaald. Op grond van artikel 20 van de TW is het Uwv gehouden onverschuldigd betaalde toeslag terug te vorderen, behoudens de aanwezigheid van dringende redenen als bedoeld in het vierde lid van dat artikel. Van dringende redenen om van terugvordering af te zien kan blijkens de wetsgeschiedenis van deze bepaling slechts sprake zijn, indien terugvordering voor de betrokken verzekerde tot onaanvaardbare sociale en financiële gevolgen zal leiden. In hetgeen appellant heeft aangevoerd, is de Raad niet gebleken van dringende reden in vorenbedoelde zin.

4.5. Uit hetgeen is overwogen in 4.1 tot en met 4.4 volgt dat het hoger beroep niet slaagt en dat de aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

5. Er is geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep,

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door D.J. van der Vos als voorzitter en C.P.M. van de Kerkhof en M. Greebe als leden, in tegenwoordigheid van A.L. de Gier als griffier. De beslissing is uitgesproken op 10 november 2010.

(get.) D.J. van der Vos.

(get.) A.L. de Gier.

TM