Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2010:BO3569

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
03-11-2010
Datum publicatie
11-11-2010
Zaaknummer
08-4352 AW
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Ambtenarenrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Terugvordering onverschuldigd betaalde ziekte-uitkering. Schending informatieverplichting.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

08/4352 AW

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

de Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap (hierna: appellant),

tegen de uitspraak van de rechtbank Zutphen van 24 juni 2008, 07/2286 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

[Betrokkene], wonende te [woonplaats] (hierna: betrokkene)

en

appellant.

Datum uitspraak: 3 november 2010

I. PROCESVERLOOP

Appellant heeft hoger beroep ingesteld.

Namens betrokkene heeft mr. A. Simsek, werkzaam bij Abvakabo FNV te Zoetermeer, een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 22 september 2010. Appellant heeft zich laten vertegenwoordigen door H. Hendriks, werkzaam bij KPMG Management Services te Emmen. Betrokkene is verschenen, bijgestaan door mr. Simsek.

II. OVERWEGINGEN

1.1. De Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv) heeft met ingang van 17 februari 2003 de uitkering ingevolge de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO) van betrokkene herzien naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 25 tot 35%. Appellant heeft betrokkene met ingang van 17 februari 2003 in aanvulling op de WAO-uitkering een loongerelateerde uitkering ingevolge het Besluit Werkloosheid onderwijs- en onderzoekpersoneel (BWOO) toegekend. De hoogte hiervan is bepaald op basis van de mate van arbeidsongeschiktheid voor de WAO.

1.2. Met ingang van 31 mei 2004 heeft het Uwv de mate van arbeidsongeschiktheid van betrokkene herzien naar 65 tot 80%. Appellant heeft vervolgens het dagloon van de BWOO-uitkering aangepast. Na een herbeoordeling van betrokkene in 2005 heeft het Uwv het arbeidsongeschiktheidspercentage van betrokkene bij besluit van 11 november 2005 met ingang van 12 januari 2006 herzien naar 45 tot 55. Dit heeft toen niet geleid tot een aanpassing van de loongerelateerde BWOO-uitkering door appellant.

1.3. In verband met een ziekmelding per 24 januari 2005 heeft appellant op grond van het BWOO met ingang van 1 februari 2005 in plaats van een loongerelateerde uitkering een in omvang daaraan gelijke ziekte-uitkering aan betrokkene toegekend. Vervolgens heeft appellant in november 2005 de omvang van de ziekte-uitkering van betrokkene met ingang van 31 mei 2004 opnieuw berekend. Hierbij is het dagloon abusievelijk niet vastgesteld op basis van de met ingang van die datum herziene WAO-klasse van 65 tot 80%, maar naar een arbeidsongeschiktheidsklasse van 25 tot 35%. Dit heeft geleid tot een nabetaling van de ziekte-uitkering. De ziekte-uitkering is tot juli 2007 uitbetaald.

1.4. Bij besluit van 5 juli 2007 heeft appellant de ziekte-uitkering van betrokkene alsnog beëindigd per 12 januari 2006 en bepaald dat met ingang van die dag de loongerelateerde BWOO-uitkering is herleefd. Bij besluit van 6 augustus 2007 heeft appellant van betrokkene een bedrag van € 3.618,12 teruggevorderd als in de periode van 12 januari 2006 tot en met 30 juni 2007 onverschuldigd aan haar betaalde ziekte-uitkering. Bij besluit van 15 november 2007 heeft appellant het bezwaar van betrokkene tegen de terugvordering ongegrond verklaard. Volgens appellant is door toedoen van betrokkene teveel ziekte-uitkering betaald, omdat zij het besluit van 11 november 2005 tot herziening van haar WAO-uitkering eerst bij brief van 28 juni 2007 aan hem heeft toegestuurd. Betrokkene heeft daardoor de op haar rustende informatieverplichting overtreden, aldus appellant. Het teruggevorderde bedrag betreft de bruto betaalde uitkering over 2006, voor zover deze niet is verrekend met de na te betalen loongerelateerde uitkering over 2006, vermeerderd met de netto betaalde uitkering over 2007.

2. De rechtbank heeft het beroep van betrokkene tegen het bestreden besluit bij de aangevallen uitspraak gegrond verklaard. De rechtbank overwoog dat het niet aan toedoen van betrokkene is te wijten dat appellant vanaf 12 januari 2006 teveel ziekte-uitkering heeft betaald, maar aan de door appellant in november 2005 gemaakte foute herberekening van die uitkering. De rechtbank heeft mede overwogen dat niet is in te zien dat betrokkene juist vanaf 12 januari 2006 geen recht meer had op een ziekte-uitkering ingevolge het BWOO. Naar het oordeel van de rechtbank kon ook niet worden gezegd dat het betrokkene redelijkerwijs duidelijk kon zijn dat zij met ingang van 12 januari 2006 teveel ziekte-uitkering ontving, nu de verlaging van haar WAO-uitkering met ingang van die datum eerder de verwachting rechtvaardigde dat zij voor een hogere ziekte-uitkering op grond van het BWOO in aanmerking zou komen.

3. Appellant heeft de aangevallen uitspraak in hoger beroep bestreden. Appellant heeft zijn standpunt gehandhaafd dat sprake is van toedoen van betrokkene als bedoeld in artikel 21, eerste lid, aanhef en onder a, van het BWOO, terwijl naar zijn mening voor betrokkene ook redelijkerwijs duidelijk was dat zij in november 2005 geen recht had op een nabetaling van de ziekte-uitkering.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1. In artikel 11 van het BWOO is bepaald dat de betrokkene verplicht is aan het uitvoeringsorgaan op verzoek of uit eigen beweging onverwijld alle feiten en omstandigheden mee te delen, waarvan hem redelijkerwijs duidelijk moet zijn dat zij van invloed kunnen zijn op het recht op uitkering, het geldend maken van het recht op uitkering, de hoogte of de duur van de uitkering, of het bedrag van de uitkering dat aan de betrokkene wordt betaald.In artikel 21, eerste lid, van het BWOO is bepaald dat het uitvoeringsorgaan hetgeen op grond van dit besluit onverschuldigd is betaald, geheel of gedeeltelijk kan terugvorderen of in mindering brengen op een later te betalen uitkering op grond van dit besluit:

a. gedurende vijf jaren na de dag van betaalbaarstelling indien het uitvoeringsorgaan door toedoen van betrokkene onverschuldigd heeft betaald, en

b. gedurende twee jaren na de dag van betaalbaarstelling in de overige gevallen waarin het betrokkene redelijkerwijs duidelijk kon zijn dat het uitvoeringsorgaan onverschuldigd betaalde.

4.2. Aangezien de besluiten van het Uwv met betrekking tot de WAO-uitkering van betrokkene direct van invloed waren op de hoogte van het dagloon van de BWOO-uitkering en dit betrokkene redelijkerwijs ook duidelijk moest zijn, was betrokkene verplicht het besluit van het Uwv van 11 november 2005 tot herziening van haar WAO-uitkering met ingang van 12 januari 2006 onverwijld ter kennis van appellant te brengen. Betrokkene heeft gesteld dat zij in april 2006 aan die verplichting heeft voldaan, maar appellant heeft ontkend het besluit van 11 november 2005 eerder dan eind juni 2007 van betrokkene te hebben ontvangen. Betrokkene heeft geen bewijs van de beweerde verzending overgelegd, noch die verzending anderszins aannemelijk gemaakt. Onder deze omstandigheden gaat de Raad ervan uit dat betrokkene niet tijdig heeft voldaan aan de op haar ingevolge artikel 11 van het BWOO rustende informatieverplichting. De stelling van betrokkene dat appellant geacht kon worden op de hoogte te zijn van het besluit van het Uwv van 11 november 2005, omdat het Uwv tot 1 januari 2006 mede met de uitvoering van het BWOO namens appellant was belast, slaagt niet. Gegevensuitwisseling tussen het UWV-kantoor te Heerlen dat de WAO-uitkering van betrokkene behandelde en het UWV-kantoor te Groningen dat tot 1 januari 2006 namens appellant de BWOO-uitkering behandelde heeft niet plaatsgevonden en behoefde in een geval als hier aan de orde ook niet plaats te vinden. Het was, gezien artikel 11 van het BWOO, aan betrokkene om relevante informatie te melden aan appellant.

4.3. Uit 4.2 volgt dat appellant door toedoen van betrokkene onverschuldigd ziekte-uitkering heeft betaald van 12 januari 2006 tot 1 juli 2007. Appellant was op grond van artikel 21, eerste lid, van het BWOO bevoegd tot terugvordering van wat onverschuldigd is betaald. Dat de hoogte van het teruggevorderde bedrag onjuist is vastgesteld, is de Raad niet gebleken. De wijze waarop appellant van die bevoegdheid gebruik heeft gemaakt kan de toetsing van de Raad doorstaan.

4.4. Gelet op het vorenstaande slaagt het hoger beroep van appellant. De aangevallen uitspraak komt voor vernietiging in aanmerking.

5. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Vernietigt de aangevallen uitspraak;

Verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door T. Hoogenboom als voorzitter en B.M. van Dun en A.A.H. Schifferstein als leden, in tegenwoordigheid van M. Mostert als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 3 november 2010.

(get.) T. Hoogenboom.

(get.) M. Mostert.

TM