Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2010:BO3552

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
09-11-2010
Datum publicatie
11-11-2010
Zaaknummer
08-5285 WWB
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Herziening en intrekking bijstand. Gezamenlijke huishouding. Schending inlichtingenverplichting. Bekostigen drugsgebruik.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JWWB 2011/16
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

08/5285 WWB

08/5292 WWB

08/5460 WWB

08/5462 WWB

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op de hoger beroepen van:

[appellant] en [appellante], beiden wonende te [woonplaats],

tegen de uitspraken van de rechtbank Maastricht van 7 augustus 2008, 08/15 en 08/145 (hierna: aangevallen uitspraken),

in de gedingen tussen:

appellanten

en

het College van burgemeester en wethouders van de gemeente Heerlen (hierna: College)

Datum uitspraak: 9 november 2010

I. PROCESVERLOOP

Namens appellanten heeft mr. S.X.J. Zuidema, advocaat te Heerlen, hoger beroepen ingesteld.

Het College heeft verweerschriften ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 28 september 2010. Appellanten zijn, met voorafgaand bericht, niet verschenen. Het College heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. J.P.H.M. Quaadvlieg, werkzaam bij de gemeente Heerlen.

II. OVERWEGINGEN

1. De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.

1.1. Appellant ontving vanaf 30 september 2004 bijstand naar de norm voor een alleenstaande ingevolge de Wet werk en bijstand (WWB). Appellante ontving ingevolge die wet vanaf 14 augustus 2006 bijstand naar de norm voor een alleenstaande en per 2 februari 2007 naar de norm voor een alleenstaande ouder.

1.2. Naar aanleiding van een melding dat appellanten samenwonen in de woning van appellante, heeft het Bureau Handhaving en Debiteuren van de gemeente Heerlen een onderzoek ingesteld naar de rechtmatigheid van de aan appellanten verleende bijstand.

In dat kader hebben waarnemingen plaatsgevonden en zijn appellanten verhoord. Voorts zijn bij dit onderzoek betrokken de bevindingen van een onderzoek door het Flexteam van de Regiopolitie Limburg-Zuid naar mogelijke handel in verdovende middelen vanuit de woning van appellante, in het kader waarvan deze woning op 27 juni 2007 is doorzocht en zijn appellanten verhoord. In het proces-verbaal van (de bevindingen van) het politieonderzoek is vermeld dat bij de huiszoeking in de woning van appellante onder meer een grote hoeveelheid hennep is aangetroffen, alsook kleding van appellant in de kledingkast van appellante, toiletartikelen van appellant in de badkamer en poststukken die op naam van appellant zijn gesteld.

1.3. Op grond van de onderzoeksbevindingen van het Bureau Handhaving en Debiteuren, neergelegd in een rapport van 18 juli 2007, heeft het College bij afzonderlijke besluiten van 1 augustus 2007:

- de bijstand van appellanten over de periode van 1 januari 2007 tot en met 31 mei 2007 herzien naar bijstand naar de norm voor gehuwden;

- de bijstand van appellanten met ingang van 1 juni 2007 ingetrokken;

- de over de periode van 1 januari 2007 tot en met 31 mei 2007 gemaakte kosten van bijstand van appellant teruggevorderd tot een bedrag van € 618,45 en van appellante tot een bedrag van € 2.217,50;

- het bedrag van € 2.217,50 mede teruggevorderd van appellant en het bedrag van € 618,45 mede teruggevorderd van appellante.

1.4. Bij besluit van 23 november 2007 heeft het College het bezwaar van appellant ongegrond verklaard voor zover het is gericht tegen het aan hem gerichte besluit van 1 augustus 2007 en niet ontvankelijk voor zover het is gericht tegen het aan appellante gerichte besluit van die datum. Bij besluit van 9 januari 2008 heeft het College het bezwaar van appellante ongegrond verklaard voor zover het is gericht tegen het aan haar gerichte besluit van 1 augustus 2007 en niet-ontvankelijk voor zover het is gericht tegen het aan appellant gerichte besluit van die datum. Aan de in bezwaar gehandhaafde herziening en (mede) terugvordering van de bijstand over de periode van 1 januari 2007 tot en met 31 mei 2007 is ten grondslag gelegd dat appellanten, zonder daarvan aan het College melding te maken, een gezamenlijke huishouding hebben gevoerd. Aan de in bezwaar gehandhaafde intrekking van de bijstand met ingang van 1 juni 2007 is ten grondslag gelegd dat appellanten, door niet te melden waarvan zij hun gebruik van een ruime hoeveelheid drugs hebben bekostigd, de op hen rustende inlichtingenverplichting hebben geschonden en dat als gevolg daarvan het recht op bijstand niet kan worden vastgesteld. Aan de niet-ontvankelijkverklaring van de bezwaren heeft het College ten grondslag gelegd dat appellant geen belanghebbende is bij het aan appellante gerichte besluit en dat appellante geen belanghebbende is bij het aan appellant gerichte besluit.

2. Bij de aangevallen uitspraken heeft de rechtbank - met een bepaling omtrent griffierecht - de beroepen tegen de besluiten van 23 november 2007 en 9 januari 2008 gegrond verklaard, deze besluiten vernietigd voor zover daarbij de bezwaren van appellanten niet-ontvankelijk zijn verklaard en, zelf in de zaak voorziend, deze bezwaren ongegrond verklaard.

3. Appellanten hebben zich in hoger beroep gemotiveerd tegen deze uitspraken gekeerd, voor zover deze betrekking hebben op de herziening, de intrekking en de (mede) terugvordering.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1. De herziening van de bijstand over de periode van 1 januari 2007 tot en met 31 mei 2007.

4.1.1. Ingevolge artikel 3, derde lid, van de WWB, is van een gezamenlijke huishouding sprake, indien twee personen hun hoofdverblijf in dezelfde woning hebben en zij blijk geven zorg te dragen voor elkaar door middel van het leveren van een bijdrage in de kosten van de huishouding dan wel anderszins. Op grond van artikel 3, vierde lid, aanhef en onder b, van de WWB wordt een gezamenlijke huishouding in ieder geval aanwezig geacht, indien de belanghebbenden hun hoofdverblijf hebben in dezelfde woning en uit hun relatie een kind is geboren of erkenning heeft plaatsgevonden van een kind van de een door de ander.

4.1.2. Vaststaat dat uit de relatie tussen appellanten op 2 februari 2007 een kind ([A.]) is geboren. Dit betekent dat voor de beantwoording van de vraag of gedurende de periode van 2 februari 2007 tot en met 31 mei 2007 sprake is van een gezamenlijke huishouding enkel bepalend is of appellanten hun hoofdverblijf hebben gehad in dezelfde woning. Voor wat betreft de periode van 1 januari 2007 tot en met 1 februari 2007 moet niet alleen zijn voldaan aan het criterium dat appellanten hun hoofdverblijf hadden in dezelfde woning, maar ook aan het criterium van wederzijdse verzorging.

4.1.3. De Raad is van oordeel dat de gedingstukken, waarvan in het bijzonder het rapport van Bureau Handhaving en Debiteuren van 18 juli 2007 en de daaraan ten grondslag liggende processen-verbaal van de sociale recherche en van de politie, voldoende grondslag bieden voor het standpunt van het College dat appellant ten tijde hier van belang zijn hoofdverblijf had in de woning van appellante en dat ten tijde hier van belang aan het criterium van wederzijdse verzorging werd voldaan. Evenals de rechtbank en het College hecht de Raad daarbij in het bijzonder betekenis aan de door appellante tegenover de sociale recherche afgelegde verklaring. Appellante heeft verklaard dat de relatie tussen haar en appellant rond de kerstperiode van 2006 weer vaste vormen heeft aangenomen. In dit verband heeft zij verklaard: “Tot die tijd is hij ook regelmatig op bezoek geweest maar ik wilde het rustig aan doen. Ik kan zeggen dat net voor de kerst wij eigenlijk weer samen zijn. Hij verblijft vanaf die tijd altijd bij mij. (…) Wij leven als man en vrouw. Bij ons heerst een echte huisje, boompje, beestje sfeer. Wij verzorgen elkaar. Doen gezamenlijk de boodschappen. [J.] geeft [A.] ook vaak ’s avonds de fles zodat ik rustig kan gaan slapen. (…) Ik betaal alle vaste lasten en [J.] draagt financieel ook bij. Hij betaalt de boodschappen en het [drugs]gebruik van ons beiden. U vraagt mij waarom ik geen melding heb gemaakt van het feit dat [J.] [appellant] al vanaf december 2006 bij mij verblijft. Ik durfde het nog niet aan. (…) Ik weet dat ik dit had moeten melden maar was niet zeker van onze relatie.” Deze verklaringen zijn concreet, gedetailleerd en consistent, zijn neergelegd in een op ambtseed opgemaakt proces-verbaal dat door appellante per pagina is ondertekend en vinden bovendien steun in de bevindingen tijdens de doorzoeking in haar woning.

4.1.4. In hoger beroep hebben appellanten erop gewezen dat appellante op een later moment heeft verklaard dat de door haar tegenover de sociale recherche afgelegde verklaring niet conform de feitelijke situatie was. De Raad ziet hierin echter geen aanknopingspunten om af te wijken van zijn vaste rechtspraak dat van de juistheid van een tegenover een sociaal rechercheur afgelegde en ondertekende verklaring mag worden uitgegaan en dat aan een latere intrekking van die verklaring geen doorslaggevende betekenis kan worden toegekend. De - blote - ontkenning van appellant dat hij en appellante al in december 2006 bij elkaar waren noch de eerst in hoger beroep overgelegde verklaring van de ouders van appellant doen naar het oordeel van de Raad af aan de verklaringen die appellante tegenover de sociale recherche heeft afgelegd.

4.1.5. Gelet op hetgeen onder 4.1.3 en 4.1.4 is overwogen moet worden aangenomen dat appellanten gedurende de hier te beoordelen periode een gezamenlijke huishouding met elkaar hebben gevoerd, zodat zij niet als zelfstandige subjecten van bijstand konden worden aangemerkt. Door van de gezamenlijke huishouding geen mededeling te hebben gedaan hebben appellanten de op hen rustende inlichtingenverplichting geschonden.

4.1.6. Het College was derhalve bevoegd om met toepassing van artikel 54, derde lid, aanhef en onder a, van de WWB de bijstand te herzien over de periode van 1 januari 2007 tot en met 31 mei 2007. Door de bijstand van appellanten te herzien naar bijstand naar de norm voor gehuwden heeft het College appellanten zeker niet te kort gedaan.

4.1.7. De (mede) terugvordering kan buiten bespreking blijven, nu daartegen geen zelfstandige gronden zijn aangevoerd.

4.2. De intrekking van de bijstand met ingang van 1 juni 2007.

4.2.1. Het College heeft de intrekking van de bijstand niet beperkt tot een bepaalde periode. Gelet op de vaste rechtspraak van de Raad brengt dat met zich dat de hier te beoordelen periode loopt van 1 juni 2007 tot en met de datum van het primaire besluit (1 augustus 2007).

4.2.2. Appellante heeft tegenover de sociale recherche verklaard dat zij en appellant vijf tot tien gram wiet gebruiken, dat een gram wiet ongeveer € 5,-- tot € 6,-- kost, dat zij gemiddeld eenmaal per maand en appellant ongeveer eenmaal per week cocaïne gebruikt en dat een gram cocaïne tussen de € 40,-- en € 50,-- kost. Appellant heeft tegenover de politie verklaard dat hij bijna tien gram wiet per dag rookt, dat hij af en toe een half grammetje cocaïne pakt op een avond en dat hij voor een halve gram cocaïne € 25,-- betaalt. Uit deze verklaringen volgt dat appellanten ongeveer € 1.600,-- per maand aan het gebruik van verdovende middelen besteden (tien gram per dag hennep x € 5,-- x 30 dagen; een halve gram cocaïne per week van € 25,-- x 4 weken).

4.2.3. De Raad is van oordeel dat de besteding van een dergelijk bedrag per maand aan verdovende middelen, afgezet tegen de hoogte van hun bijstandsuitkeringen en van de vaste (woon)lasten, de vooronderstelling rechtvaardigt dat appellanten in de hier in geding zijnde periode beschikten of redelijkerwijs hebben kunnen beschikken over middelen in de zin van artikel 31, eerste lid, van de WWB om hun gebruik van verdovende middelen te financieren. Het is dan aan appellanten om aannemelijk te maken dat het tegendeel het geval is. Appellanten zijn hierin niet in geslaagd. De enkele stelling van appellanten dat het drugsgebruik uit het inkomen - de bijstandsuitkering - van appellant is gefinancierd en dat er geen aanwijzingen zijn dat appellant op enige andere wijze een inkomen heeft genoten, volstaat in dit verband niet.

4.2.4. Nu appellanten niet hebben voldaan aan de op hen rustende bewijslast, moet het ervoor worden gehouden dat appellanten in de hier te beoordelen periode beschikten of redelijkerwijs hebben kunnen beschikken over middelen om hun drugsgebruik te kunnen bekostigen. Appellanten hebben hiervan in strijd met de op hen rustende inlichtingenverplichting geen mededeling gedaan. Nu verder niets bekend is over de aard en omvang van die middelen, kan als gevolg van die schending het recht op bijstand over de in geding zijnde periode niet meer worden vastgesteld.

4.2.5. Uit hetgeen is overwogen onder 4.2.2 tot en met 4.2.4 volgt dat het College op grond van artikel 54, derde lid, aanhef en onder a, van de WWB bevoegd was de bijstand van appellanten met ingang van 1 juni 2007 in te trekken. De wijze waarop het College van deze bevoegdheid gebruik heeft gemaakt kan buiten bespreking blijven, nu daartegen geen zelfstandige gronden zijn aangevoerd.

4.3. Uit het voorgaande volgt dat de hoger beroepen van appellanten niet slagen en dat de aangevallen uitspraken voor bevestiging in aanmerking komen.

5. De Raad ziet geen aanleiding voor een veroordeling in de proceskosten.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraken, voor zover aangevochten.

Deze uitspraak is gedaan door A.B.J. van der Ham als voorzitter en W.F. Claessens en N.M. van Waterschoot als leden, in tegenwoordigheid van R. Scheffer als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 9 november 2010.

(get.) A.B.J. van der Ham.

(get.) R. Scheffer.

RB