Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2010:BO3545

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
09-11-2010
Datum publicatie
11-11-2010
Zaaknummer
09/2069 WWB + 09/2070 WWB
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Intrekking bijstandsuitkering (1997-2007). Terugvordering. Werkzaamheden verricht in de vorm van handel in lampen, waaruit inkomsten zijn genoten. Schending inlichtingenverplichting. Een gerechtvaardigd vertrouwen dat van intrekking van bijstand over de periode vóór 1 november 2006 wordt afgezien, wordt niet aangenomen. Gezien een nieuw besluit van 5 april 2007, waarin met zoveel woorden is vastgesteld dat appellanten over de periode van 1 januari 2006 tot en met 31 oktober 2006 recht hadden op bijstand, stond het aan het College met betrekking tot die periode niet meer vrij stond het recht op bijstand van appellanten in te trekken.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

09/2069 WWB

09/2070 WWB

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[appellant] en [appellante] (hierna: appellante), beiden wonende te [woonplaats],

tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 20 maart 2009, 08/3290 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellanten

en

het College van burgemeester en wethouders van de gemeente Amsterdam (hierna: College)

Datum uitspraak: 9 november 2010

I. PROCESVERLOOP

Namens appellanten heeft mr. M.F. Vermaat, advocaat te Amsterdam, hoger beroep ingesteld.

Het College heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 28 september 2010. Appellanten zijn niet verschenen. Het College heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. D.A. Ahmed, werkzaam bij de gemeente Amsterdam.

II. OVERWEGINGEN

1. De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.

1.1. Appellanten ontvingen vanaf 1 november 1996 bijstand, laatstelijk op grond van de Wet werk en bijstand (WWB) naar de norm voor gehuwden.

1.2. Naar aanleiding van een melding dat appellant al ruim 9 jaar zou handelen in oude lampen en tevens een nieuwe caravan en auto zou bezitten, heeft de afdeling Controle en Opsporing Handhaving van de Dienst Werk en Inkomen van de gemeente Amsterdam een onderzoek ingesteld naar de rechtmatigheid van de aan appellanten verleende bijstand. De bevindingen van dit onderzoek zijn neergelegd in een rapport van 3 november 2006. Op basis van de onderzoeksresultaten is vastgesteld dat appellant vanaf 1 november 1996 werkzaamheden verricht in de vorm van handel in lampen, waaruit inkomsten zijn genoten. De onderzoeksresultaten hebben tevens tot de conclusie geleid dat appellanten kunnen beschikken over een voor bijstand relevant vermogen. Blijkens het in het rapport van 3 november 2006 opgenomen advies heeft de Afdeling Controle en Opsporing het dossier van appellanten overgedragen aan de afdeling Handhaving Opsporing I voor het vaststellen van de exacte benadelingsperiode en voor het doen van strafrechtelijk onderzoek.

1.3. Het College heeft bij besluit van 20 december 2006 aan appellanten meegedeeld dat zij met ingang van 1 november 2006 geen recht meer hebben op bijstand. Tevens is in dat besluit aangekondigd dat nog een zogeheten beëindigingonderzoek wordt verricht naar de vraag met ingang van welke datum appellanten precies geen recht meer hebben op bijstand.

1.4. Bij brief van 3 januari 2007 is aan appellanten meegedeeld dat de resultaten van het beëindigingonderzoek geen aanleiding hebben gegeven om tot een andere beëindigingsdatum dan 1 november 2006 te besluiten. Omdat de bijstand tot en met 30 november 2006 aan appellanten was uitbetaald, heeft het College bij besluit van 5 april 2007 de gemaakte kosten van bijstand over de periode van 1 november 2006 tot en met 30 november 2006 van appellanten teruggevorderd tot een bedrag van € 1.805,33 (bruto). In het besluit van 5 april 2007 is onder meer het volgende aan appellanten meegedeeld:

“Wij betaalden u over de periode van 1 januari 2006 tot en met 30 november 2006 € 13.279,67; maar eigenlijk had u recht over de periode 1 januari 2006 tot en met 31 oktober 2006 op € 12.130,95. Dat is € 1.148,72 teveel en u moet dat ons terug betalen (artikel 58, lid 1 sub a WWB en artikel 6 lid 1 van de beleidsregels WWB)”.

1.5. Op 6 februari 2008 is door de afdeling Handhaving Opsporing I over de resultaten van het nader onderzoek rapport uitgebracht. In dit rapport is de benadelingsperiode vastgesteld op 1 juli 1997 tot en met 31 oktober 2006.

1.6. Bij besluit van 10 april 2008 heeft het College de bijstand van appellanten over de periode 1 juli 1997 tot en met 31 oktober 2006 herzien en de gemaakte kosten van bijstand over die periode van appellanten teruggevorderd tot een bedrag van € 139.361,84 (bruto).

1.7. Bij besluit van 15 augustus 2008 heeft het College het tegen het besluit van 10 april 2008 gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

1.8. Bij besluit van 8 oktober 2008 heeft het College het terugvorderingsbedrag naar beneden bijgesteld tot een bedrag van € 76.838,39 (bruto).

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het besluit van 15 augustus 2008 - met een bepaling omtrent vergoeding van proceskosten - niet-ontvankelijk verklaard voor zover dat betrekking heeft op de hoogte van de terugvordering. De rechtbank heeft het beroep voor het overige ongegrond verklaard.

Daarbij heeft de rechtbank vastgesteld dat niet in geschil is dat appellanten gedurende de hier in geding zijnde periode inkomsten hebben genoten, waarvan zij geen opgave hebben gedaan aan het College en waarvan de hoogte achteraf niet meer kan worden gecontroleerd. De rechtbank is op grond van het vorenstaande van oordeel dat appellanten de op hen rustende inlichtingenverplichting hebben geschonden, waardoor het recht op bijstand niet meer kan worden vastgesteld. De rechtbank heeft het College bevoegd geacht om de bijstand met terugwerkende kracht tot 1 juli 1997 in te trekken (lees: te herzien) en de gemaakte kosten van bijstand van hen terug te vorderen. Voorts heeft de rechtbank overwogen dat het beroep op het vertrouwensbeginsel niet kan slagen. Ook heeft de rechtbank geoordeeld dat bij het besluit van 5 april 2007 niet is beslist over de terugvordering van de bijstand over de periode van 1 januari 2006 tot en met 1 oktober 2006.

3. Appellanten hebben ook in hoger beroep betoogd dat de intrekking van hun bijstandsuitkering over de periode van 1 juli 1997 tot en met 31 oktober 2007 (lees: 2006) in strijd is met het vertrouwensbeginsel. Appellanten zijn voorts van mening dat het besluit van 5 april 2007 meebrengt dat het College geen gebruik (meer) kon maken van de bevoegdheid om de bijstand over de periode van 1 januari 2006 tot en met 31 oktober 2006 van hen terug te vorderen.

4. De Raad komt naar aanleiding van hetgeen partijen in hoger beroep hebben aangevoerd tot de volgende beoordeling.

4.1. De stelling van appellanten dat de intrekking van hun bijstandsuitkering over de periode van 1 juli 1997 tot en met 31 oktober 2006 niet kan worden gehandhaafd op de grond dat die intrekking in strijd is met het vertrouwensbeginsel, faalt. Volgens vaste rechtspraak van de Raad kan eerst sprake zijn van een door een bestuursorgaan opgewekt gerechtvaardigd vertrouwen dat moet worden gehonoreerd, indien dat vertrouwen is opgewekt door uitdrukkelijke, ondubbelzinnige en onvoorwaardelijke uitlatingen namens dat bestuursorgaan. Daarvan is in het geval van appellanten geen sprake geweest.

4.2. De brief van 3 januari 2007 bevat de uitkomst van een in het besluit van 20 december 2006 aangekondigd, en door het College uitgevoerd beëindigingonderzoek, waarbij is vastgesteld dat dit onderzoek geen nieuwe informatie heeft opgeleverd op grond waarvan tot een andere beëindigingsdatum dan die van 1 november 2006 wordt besloten. Over het recht op bijstand van appellanten over de aan die datum voorafgaande periode van 1 juli 1997 tot en met 31 oktober 2006 heeft het College zich in de brief van 3 januari 2007 niet (expliciet) uitgelaten, in de zin dat met betrekking tot deze periode niet meer tot intrekking van de bijstand zal worden overgegaan. Aan het vereiste dat sprake moet zijn van uitdrukkelijke, ondubbelzinnige en onvoorwaardelijke uitlatingen is derhalve, met betrekking tot het recht op bijstand van appellanten over deze periode, niet voldaan. De veronderstelling dat het College zou volstaan met een intrekking van de bijstand met ingang van 1 november 2006 is voorts niet in overeenstemming met de vaststelling, in de brief van 3 januari 2007, dat appellant vanaf 1 november 1997 inkomsten heeft verworven. Een gerechtvaardigd vertrouwen dat van intrekking van bijstand over de periode vóór 1 november 2006 wordt afgezien, kan - gelet hierop - niet worden aangenomen.

4.3. De Raad kan er echter niet aan voorbijzien dat het College bij besluit van 5 april 2007 met zoveel woorden heeft vastgesteld dat appellanten over de periode van 1 januari 2006 tot en met 31 oktober 2006 recht hadden op bijstand. Dit besluit staat in rechte vast. Het in 2008 uitgevoerde onderzoek heeft voorts geen gegevens opgeleverd die een nieuw licht werpen op de ten tijde van het besluit van 5 april 2007 bij het College bekend zijnde gegevens. Het vorenstaande brengt mee dat het aan het College met betrekking tot de periode van 1 januari 2006 tot en met 31 oktober 2006 niet meer vrij stond het recht op bijstand van appellanten in te trekken.

4.4. Uit hetgeen onder 4.1 tot en met 4.3 is overwogen, volgt dat het College met toepassing van artikel 54, derde lid, aanhef en onder a, van de WWB (uitsluitend) bevoegd was om het recht op bijstand over de periode van 1 juli 1997 tot en met

31 december 2005 in te trekken. Met dit oordeel is tevens gegeven dat over die periode is voldaan aan de voorwaarden van artikel 58, eerste lid, aanhef en onder a, van de WWB. Het College was derhalve bevoegd tot terugvordering van de kosten van de over die periode verleende bijstand.

5. Uit het vorenstaande vloeit voort dat de aangevallen uitspraak - voor zover aangevochten - voor vernietiging in aanmerking komt. Doende hetgeen de rechtbank zou behoren te doen, zal de Raad - met gegrondverklaring van het beroep - het besluit van 10 april 2008 vernietigen voor zover daarbij de intrekking over de periode van 1 januari 2006 tot en met 31 oktober 2006 en de terugvordering zijn gehandhaafd. De Raad ziet voorts aanleiding om met toepassing van artikel 8:72, vierde lid, van de Algemene wet bestuursrecht het besluit van 10 april 2008 in zoverre te herroepen. Tevens ziet de Raad aanleiding om het besluit van 8 oktober 2008 (in zijn geheel) te vernietigen. Daarbij merkt de Raad op dat een terugvorderingsbesluit als één geheel moet worden beschouwd, nu dit uitmondt in één - daarin te vermelden - bedrag aan teruggevorderde bijstand. De Raad zal het College opdragen met betrekking tot de terugvordering een nieuw besluit op bezwaar te nemen met inachtneming van deze uitspraak.

6. De Raad ziet aanleiding om het College te veroordelen in de kosten van appellanten. Deze kosten worden begroot op € 322,-- in bezwaar, op € 322,-- voor de proceskosten in beroep die bij de aangevallen uitspraak niet zijn vergoed en op € 322,-- in hoger beroep voor verleende rechtsbijstand, in totaal derhalve € 966,--.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Vernietigt de aangevallen uitspraak voorzover aangevochten;

Verklaart het beroep gegrond;

Vernietigt het besluit van 15 augustus 2008 voor zover daarbij de intrekking van de bijstand over de periode van 1 januari 2006 tot en met 31 oktober 2006 en de terugvordering zijn gehandhaafd;

Herroept het besluit van 10 april 2008 in zoverre;

Vernietigt het besluit van 8 oktober 2008;

Bepaalt dat het College met betrekking tot de terugvordering een nieuw besluit op bezwaar neemt met inachtneming van deze uitspraak;

Veroordeelt het College in de kosten van appellanten tot een bedrag van € 966,--, te betalen aan de griffier van de Raad;

Bepaalt dat het College aan appellanten het in beroep en in hoger beroep betaalde griffierecht van in totaal € 149,-- vergoedt.

Deze uitspraak is gedaan door C. van Viegen als voorzitter en R. Kooper en J.F. Bandringa als leden, in tegenwoordigheid van M. Pijper als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 9 november 2010.

(get.) C. van Viegen.

(get.) M. Pijper.

IJ