Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2010:BO3524

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
09-11-2010
Datum publicatie
10-11-2010
Zaaknummer
08-4470 WWB
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Intrekking en terugvordering bijstand. Evenals het College en de rechtbank is de Raad van oordeel dat niet met recht kan worden gezegd dat appellant in de periode van 1 maart 2007 tot 12 april 2007 duurzaam gescheiden leefde van zijn echtgenote. Het College heeft bij de beoordeling van de voortzetting van het recht op bijstand (naar de gehuwdennorm) terecht de WAO-uitkering van de echtgenote betrokken.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

08/4470 WWB

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[appellant], wonende te [woonplaats] (hierna: appellant),

tegen de uitspraak van de rechtbank ’s-Gravenhage van 26 juni 2008, 07/6960 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellant

en

het College van burgemeester en wethouders van de gemeente ’s-Gravenhage (hierna: College)

Datum uitspraak: 9 november 2010

I. PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. C. Arslaner, advocaat te ’s-Gravenhage, hoger beroep ingesteld.

Het College heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 28 september 2010. Appellant is verschenen, bijgestaan door mr. Arslaner. Het College heeft zich laten vertegenwoordigen door D.L. Swart, werkzaam bij de gemeente ’s-Gravenhage.

II. OVERWEGINGEN

1. De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.

1.1. Appellant en zijn echtgenote, [naam echtgenote] ontvingen tot 1 oktober 1999 bijstand naar de norm voor gehuwden. Op 13 september 1999 is [echtgenote] eerst in een ziekenhuis en later in een verpleeginrichting opgenomen. Met ingang van 1 oktober 1999 is aan haar bijstand toegekend naar de norm voor degenen die ter verpleging en verzorging in een inrichting verblijven. Appellant ontving vanaf die datum bijstand naar de norm voor een alleenstaande ouder, laatstelijk ingevolge de Wet werk en bijstand (WWB).

1.2. In 2005 is aan [echtgenote] met terugwerkende kracht tot 5 februari 2000 een uitkering toegekend ingevolge de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO). Met ingang van 1 juli 2005 is de bijstandsverlening aan [echtgenote] beëindigd en de over de periode van 5 februari 2000 tot een met 30 juni 2005 verstrekte bijstand is met de WAO-uitkering verrekend. Bij brief van 17 november 2005 heeft appellant bezwaren geuit tegen de wijze van verrekening. De Dienst Sociale Zaken en Werkgelegenheidsprojecten van de gemeente ’s-Gravenhage (hierna: dienst) heeft deze brief op 3 januari 2007 beantwoord. Met ingang van 19 februari 2007 heeft appellant parttime werk aanvaard.

1.3. Bij besluit van 12 april 2007 heeft het College de bijstand van appellant met ingang van 19 februari 2007 ingetrokken op de grond dat hij vanaf die datum met zijn inkomsten uit arbeid en de WAO-uitkering van [echtgenote] over voldoende middelen beschikt om in de noodzakelijke kosten van het bestaan te voorzien. De over de periode van 19 februari 2007 tot en met 31 maart 2007 ten onrechte verstrekte bijstand ten bedrage van € 799,28 heeft het College van appellant teruggevorderd.

1.4. Bij besluit van 30 juli 2007 heeft het College het bezwaar tegen het besluit van 12 april 2007 ongegrond verklaard. Het College heeft het besluit van 30 juli 2007 ingetrokken bij besluit van 28 april 2008 en zijn standpunt in die zin gewijzigd, dat vanwege het traag reageren van de dienst pas vanaf 1 maart 2007 rekening wordt gehouden met de WAO-uitkering van [echtgenote]. Dit heeft geresulteerd in een herziening van de bijstand over de periode van 19 februari 2007 tot 1 maart 2007 in verband met de inkomsten uit arbeid van appellant en intrekking van de bijstand met ingang van 1 maart 2007, omdat appellant vanaf die datum met zijn inkomsten uit arbeid en de WAO-uitkering van [echtgenote] beschikt over een inkomen boven de voor hem van toepassing zijnde bijstandsnorm. Het terug te vorderen bedrag is nader vastgesteld op € 682,23.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank, voor zover hier van belang, het beroep tegen het besluit van 28 april 2008 ongegrond verklaard.

3. Appellant heeft zich in hoger beroep tegen deze uitspraak gekeerd. Hij heeft aangevoerd dat hij vanaf 1 oktober 1999 duurzaam gescheiden leefde van [echtgenote] en sinds november 2007 van tafel en bed van haar is gescheiden, zodat het College bij het vaststellen van het recht op bijstand met ingang van 1 maart 2007 ten onrechte mede rekening heeft gehouden met de WAO-uitkering van [echtgenote].

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1. De Raad stelt vast dat het College de herziening/intrekking niet heeft beperkt tot een bepaalde periode. Volgens vaste rechtspraak van de Raad - zie onder meer de uitspraak van 18 juli 2006 (LJN AY5142) - bestrijkt de beoordeling door de bestuursrechter in een dergelijk geval de periode vanaf de datum met ingang waarvan de bijstand is herzien/ingetrokken tot en met de datum van het primaire besluit. Het voorgaande betekent dat hier ter beoordeling voorligt de periode van 19 februari 2007 tot en met 12 april 2007.

4.2. Tussen partijen is in geschil of appellant van 1 maart 2007 tot en met 12 april 2007 duurzaam gescheiden leefde van [echtgenote].

4.3. Degene die duurzaam gescheiden leeft van de persoon met wie hij gehuwd is, wordt ingevolge artikel 3, tweede lid, aanhef en onder b, van de WWB mede als ongehuwd aangemerkt. Volgens vaste rechtspraak is van duurzaam gescheiden levende echtgenoten sprake indien het een door beide betrokkenen, of door één van hen, gewilde verbreking van de echtelijke samenleving betreft, waardoor ieder afzonderlijk zijn eigen leven leidt als ware hij niet met de ander gehuwd en deze toestand door ten minste één van hen als bestendig is bedoeld. Blijkens de Memorie van Toelichting op artikel 3 van de WWB kan ook een door geen van beide echtgenoten gewilde toestand, die voor de voortzetting van de echtelijke samenleving een daadwerkelijk beletsel vormt en waarvan redelijkerwijs niet valt te verwachten dat de echtelijke samenleving kan worden hervat, worden aangemerkt als een situatie van duurzaam gescheiden leven. Dit doet zich bijvoorbeeld voor wanneer de echtgenoot voor langere tijd in een psychiatrische inrichting is opgenomen en geen positieve wijziging in diens geestestoestand is te verwachten (Kamerstukken II, 2002-2003, 28 870, nr. 3, pag. 32).

4.4. Evenals het College en de rechtbank is de Raad van oordeel dat niet met recht kan worden gezegd dat appellant in de periode van 1 maart 2007 tot 12 april 2007 duurzaam gescheiden leefde van [echtgenote]. Hij heeft hierbij in aanmerking genomen dat appellant blijkens de stukken en het verhandelde ter zitting [echtgenote] van meet af aan dagelijks bezocht en verzorgde in het verpleegtehuis, hij de vurige wens had om zijn gezin weer te herenigen en daadwerkelijk op zoek was naar een woning waarin [echtgenote] thuis zou kunnen worden verzorgd. Voorts is appellant in 2005 benoemd tot curator van [echtgenote] en is blijkens een in het geding gebracht bankafschrift gebleken dat onder meer de huur van de woning van appellant is betaald van de rekening van [echtgenote]. Eén en ander betekent dat het College bij de beoordeling van de voortzetting van het recht op bijstand ten tijde in geding (naar de gehuwdennorm) terecht de WAO-uitkering van [echtgenote] heeft betrokken.

4.5. Dat appellant naar aanleiding van een verzoek van 4 juni 2007 in november 2007 van tafel en bed is gescheiden van [echtgenote] heeft de Raad, evenals het namens het College naar voren gebrachte feit dat [echtgenote] sinds mei 2008 op hetzelfde adres woont als appellant, buiten beschouwing gelaten, omdat deze omstandigheden zich hebben voorgedaan na de periode die in dit geding ter beoordeling staat.

4.6. Het argument van appellant ten slotte, dat geen rekening meer gehouden kan worden met de WAO-uitkering van [echtgenote] omdat in 2005 al een verrekening van de verstrekte bijstand met de WAO-uitkering heeft plaatsgevonden, kan de Raad niet volgen, reeds omdat deze verrekening betrekking had op een andere periode dan thans in geding.

4.7. Uit het vorenstaande vloeit voort dat het hoger beroep niet slaagt, zodat de aangevallen uitspraak voor bevestiging in aanmerking komt.

5. De Raad ziet geen aanleiding voor een veroordeling in de proceskosten.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door R.H.M. Roelofs als voorzitter en J.N.A. Bootsma en E.J.M. Heijs als leden, in tegenwoordigheid van M. Lammerse als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 9 november 2010.

(get.) R.H.M. Roelofs.

(get.) M. Lammerse.

HD