Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2010:BO3409

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
09-11-2010
Datum publicatie
10-11-2010
Zaaknummer
10-2590 WWB
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Afwijzing aanvraag bijstand. Schending inlichtingenverplichting.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

10/2590 WWB

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[appellant], wonende te [woonplaats] (hierna: appellant),

tegen de uitspraak van de rechtbank Utrecht van 1 april 2010, 08/2407 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellant

en

het College van burgemeester en wethouders van de gemeente Amersfoort (hierna: College)

Datum uitspraak: 9 november 2010

I. PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. R.G. Groen, advocaat te ’s-Gravenhage, hoger beroep ingesteld.

Het College heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 28 september 2010. Appellant is niet verschenen. Het College heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. M. Borger, werkzaam bij de gemeente Amersfoort.

II. OVERWEGINGEN

1. De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.

1.1. Op 9 januari 2008 heeft appellant zich gemeld om op grond van de Wet werk en bijstand bijstand aan te vragen. Op 17 januari 2008 heeft appellant een aanvraag om bijstand ingediend. Hij heeft daarbij opgegeven woonachtig te zijn op het adres [adres 1] te [naam gemeente]. Tijdens de uitkeringsintake op 17 januari 2008 heeft appellant een verklaring afgelegd. Op dezelfde datum heeft een huisbezoek plaatsgevonden op het door appellant opgegeven adres. De bevindingen van het onderzoek naar aanleiding van de aanvraag zijn neergelegd in een rapportage van 18 januari 2008. De onderzoeksresultaten zijn voor het College aanleiding geweest om bij besluit van 6 februari 2008 de aanvraag van appellant af te wijzen. De afwijzing berust op de overweging dat appellant niet aannemelijk heeft gemaakt dat hij woonachtig is op het door hem opgegeven adres, dat hij door onjuiste informatie over zijn woonadres te verschaffen de wettelijke inlichtingenverplichting heeft geschonden en dat als gevolg daarvan niet kan worden vastgesteld of hij recht heeft op bijstand.

1.2. Bij besluit van 10 juli 2008 heeft het College het bezwaar tegen het besluit van 6 februari 2008 ongegrond verklaard.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het besluit van 10 juli 2008 ongegrond verklaard.

3. Appellant heeft zich in hoger beroep tegen deze uitspraak gekeerd. Hij stelt zich op het standpunt dat hij woonachtig was op het door hem bij het College opgegeven adres, dat van een schending van de inlichtingenverplichting geen sprake is en dat het recht op bijstand wel kan worden vastgesteld.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1. De Raad stelt voorop dat volgens vaste rechtspraak van de Raad de te beoordelen periode in een geval als het onderhavige loopt vanaf de datum waarop de belanghebbende zich heeft gemeld om bijstand aan te vragen tot en met de datum van het primaire besluit, hier dus van 9 januari 2008 tot en met 6 februari 2008.

4.2. De vraag waar iemand zijn woonadres heeft, dient naar vaste rechtspraak te worden beantwoord aan de hand van concrete feiten en omstandigheden. De belanghebbende is verplicht juiste en volledige informatie over zijn woonadres te verstrekken, aangezien dat gegeven van essentieel belang is voor de verlening van bijstand. Waar het gaat om een aanvraag, rust op hem de (bewijs)last aannemelijk te maken dat hij woont op het door hem gestelde adres.

4.3. Uit de bevindingen van het naar aanleiding van de aanvraag verrichte onderzoek blijkt dat appellant niet beschikte over een sleutel van de woning op het adres [adres 1] te [naam gemeente] en dat hij tijdens het huisbezoek aldaar geen post en, afgezien van enkele kledingstukken, geen persoonlijke eigendommen kon tonen. Voorts blijkt uit de onderzoeksbevindingen dat een deel van de post van appellant naar een adres in [naam gemeente] werd gestuurd. Appellant heeft wisselend verklaard wie op dat adres in [naam gemeente] woonachtig was. Naar het oordeel van de Raad heeft appellant gelet op deze onderzoeksbevindingen niet aannemelijk gemaakt dat hij gedurende de hier te beoordelen periode woonachtig was op het adres [adres 1] te [naam gemeente].

4.4. Appellant heeft, door bij zijn aanvraag op te geven op het adres [adres 1] te [naam gemeente] te wonen, de wettelijk inlichtingenverplichting geschonden. Aangezien onduidelijk is gebleven waar appellant wel woonachtig was, kan als gevolg van die schending niet worden vastgesteld of appellant ten tijde hier van belang jegens het College recht had op bijstand. Het College heeft de aanvraag om bijstand dan ook terecht afgewezen. In het beroep dat appellant heeft gedaan op zijn medische situatie en zijn Turkse achtergrond ziet de Raad geen grond om tot een ander oordeel te komen

4.5. Hetgeen hiervoor is overwogen leidt de Raad tot de conclusie dat het hoger beroep van appellant niet slaagt, zodat de aangevallen uitspraak voor bevestiging in aanmerking komt.

5. De Raad ziet geen aanleiding voor een veroordeling in de proceskosten.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door J.J.A. Kooijman, in tegenwoordigheid van J. de Jong als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 9 november 2010.

(get.) J.J.A. Kooijman.

(get.) J. de Jong.

NK