Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2010:BO3364

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
05-11-2010
Datum publicatie
10-11-2010
Zaaknummer
09-5715 WW
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBGRO:2009:BJ7951
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Afwijzing aanvraag uitkering ingevolge de WW. Appellante heeft haar woonplaats overgebracht van Nederland naar Zwitserland. Niet kan worden gezegd dat het voor appellante veel gunstiger was om in Nederland een nieuwe arbeidsplaats te zoeken dan in Zwitserland. Het valt immers niet met zekerheid te zeggen dat het vinden van werk langer zou hebben geduurd als zij in Zwitserland zou zijn gebleven en zich op de Zwitserse arbeidsmarkt zou hebben gericht. De Raad kan het arrest Bergemann geen doorslaggevende betekenis toekennen in dit geval. Appellante kan geen rechten ontlenen aan artikel 71, eerste lid, aanhef en onder b, ii van Vo. 1408/71.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
USZ 2010/401
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

09/5715 WW

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[appellante], wonende te [woonplaats] (hierna: appellante),

tegen de uitspraak van de rechtbank Groningen van 11 september 2009, 09/170 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellante

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv).

Datum uitspraak: 5 november 2010

I. PROCESVERLOOP

Namens appellante heeft S.T. Dieters, advocaat te Groningen, hoger beroep ingesteld. Mr. B. van Dijk is vervolgens zijn kantoorgenoot mr. Dieters als gemachtigde van appellante opgevolgd.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Namens appellante zijn nog nadere stukken in het geding gebracht.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 24 september 2010. Appellante is daarbij – met bericht van verhindering – niet verschenen. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door L.A.P. ter Laak.

II. OVERWEGINGEN

1.1. Appellante, geboren [in] 1967, is in 1990 vanuit Nederland naar Zwitserland verhuisd. Zij is daar [in] 1993 in het huwelijk getreden met een Zwitserse man, uit welk huwelijk in 1998 een dochter is geboren. Vanaf 23 maart 1995 tot 1 september 2008 is appellante werkzaam geweest bij een Zwitsers bedrijf. Appellante heeft in mei 2008 haar baan opgezegd per 1 september 2008. Haar laatste werkdag was 17 juli 2008 en op 29 juli 2008 is zij met haar dochter teruggekeerd naar Nederland. Op 1 september 2008 heeft appellante een aanvraag gedaan om in aanmerking te worden gebracht voor uitkering ingevolge de Werkloosheidswet (WW).

1.2. Bij besluit van 22 september 2008 heeft het Uwv de aanvraag afgewezen omdat appellante tijdens het verrichten van haar laatste werkzaamheden, zoals bedoeld in artikel 71 van verordening (EEG) nr. 1408/71 (hierna: Vo. 1408/71 of verordening), niet in Nederland woonachtig was. Hierbij is tevens overwogen dat appellante geen beroep op het arrest Bergemann (Hof van Justitie van de Europese Gemeenschappen, hierna: het Hof, van 22 september 1988, onder meer gepubliceerd in RSV 1990/170), kan doen omdat zij niet om positieve gezinsredenen naar Nederland is verhuisd.

1.3. In bezwaar heeft appellante aangegeven dat zij wel om positieve redenen naar Nederland is teruggekeerd. Voor haar echtscheiding in 2006 woonde appellante al sedert jaren gescheiden van haar echtgenoot. Pas in 2008 is een onherroepelijk vonnis gewezen met betrekking tot het aan appellante toegekende gezag over haar dochter, waarna zij haar baan heeft opgezegd en naar Nederland is verhuisd. Appellante heeft altijd de intentie gehad om terug te keren naar Nederland en ook altijd contact gehouden met haar in Nederland wonende familieleden.

1.4. Bij het besluit op bezwaar van 16 februari 2009 (hierna: bestreden besluit) heeft het Uwv het tegen het besluit van 22 september 2008 gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

2. De rechtbank heeft bij de aangevallen uitspraak het bestreden besluit in stand gelaten. De rechtbank heeft daartoe overwogen dat het Uwv in het bestreden besluit de nadruk heeft gelegd op de gezinssituatie van appellante, als onderdeel van de vraag in welke lidstaat de kansen op re-integratie in het arbeidsproces het grootst zijn. Gezien de jurisprudentie van de Raad in vergelijkbare zaken maakt de omstandigheid dat appellante wegens het verbreken van haar huwelijk naar Nederland is teruggekeerd niet dat haar geval als bijzonder kan worden aangemerkt in de zin van het Bergemann-arrest. Gelet op het lange arbeidsverleden in Zwitserland en het feit dat appellante daar een aantal jaren gescheiden heeft geleefd van haar voormalige echtgenoot, heeft het Uwv voorts de conclusie kunnen trekken dat de re-integratie kansen van appellante in Nederland kleiner zijn dan in Zwitserland.

3. In hoger beroep is namens appellante de stelling herhaald dat appellante vanwege een positieve gezinsreden is teruggekeerd naar Nederland en dat het arrest Bergemann op haar situatie van toepassing is. Voorts is betoogd dat de rechtbank in de aangevallen uitspraak buiten de omvang van het geding is getreden door het re-integratieaspect in de beoordeling te betrekken terwijl dit niet expliciet aan het bestreden besluit ten grondslag heeft gelegen. Ten betoge dat de stelling van het Uwv dat appellante in Nederland minder re-integratiekansen zou hebben, ongegrond is, heeft appellante stukken in het geding gebracht waaruit blijkt dat zij vanaf 1 maart 2009 in administratieve functies werk heeft gevonden. Hierbij heeft appellante nog aangegeven dat het werk dat zij in Zwitserland deed, inwisselbaar is met het werk dat zij aanvaardde na terugkomst in Nederland.

4. De Raad overweegt als volgt.

4.1. De Raad merkt allereerst op dat tussen de Europese Gemeenschap en haar lidstaten, enerzijds, en de Zwitserse Bondsstaat (Zwitserland), anderzijds, op 1 juni 2002 een overeenkomst in werking is getreden over het vrije verkeer van personen (de OVVP, Trb. 2000, 16). Ingevolge die OVVP is Vo. 1408/71 sedert die datum ook van toepassing op Zwitserland.

4.2. Tussen partijen is niet in geschil, en ook voor de Raad staat vast, dat appellante aan de nationale wet geen aanspraak op werkloosheidsuitkering kan ontlenen en voorts dat zij niet valt aan te merken als een grensarbeider in de zin van artikel 1, aanhef en onder b, en artikel 71, eerste lid, aanhef en onder a, ii, van Vo. 1408/71. In geschil is uitsluitend de vraag of appellante ingevolge artikel 71, eerste lid, aanhef en onder b, ii, van die verordening recht heeft op WW-uitkering.

4.3. De Raad stelt voorop dat hij appellante niet kan volgen in haar betoog dat de rechtbank niet binnen de grenzen van het aan haar voorgelegde geschil is gebleven. De Raad neemt daarbij in aanmerking dat, in het licht van het in de considerans van de verordening neergelegde doel van artikel 71 en de jurisprudentie van het Hof, de re-integratie aspecten van essentieel belang zijn voor de beantwoording van de in geschil zijnde vraag, en in het bijzonder bij de beoordeling of de situatie van appellante in relevante mate overeenkomt met de situatie in het arrest Bergemann.

4.4. Blijkens de considerans van Vo. 1408/71 heeft artikel 71 van die verordening tot doel ervoor te zorgen, dat de migrerende werknemer onder de voor het zoeken naar werk gunstigste voorwaarden aanspraak kan maken op werkloosheidsuitkering.

4.5. Artikel 71 van de verordening – voor zover hier relevant – luidt als volgt:

"1.De werkloze werknemer die tijdens het verrichten van zijn laatste werkzaamheden op het grondgebied van een andere dan de bevoegde Lid-Staat woonde, heeft recht op uitkering overeenkomstig de volgende bepalingen (…)

b).ii). een werknemer die geen grensarbeider is, volledig werkloos is en zich ter beschikking stelt van de diensten voor arbeidsbemiddeling op het grondgebied van de Lid-Staat waarop hij woont of die naar dit grondgebied terugkeert, heeft recht op uitkering volgens de wettelijke regeling van deze Staat, alsof hij zijn laatste werkzaamheden op het grondgebied daarvan had uitgeoefend; (…)".

4.6. Voor deze werknemers geldt dat zij de keuze hebben of ze een uitkering willen ontvangen conform de wetgeving waar ze laatstelijk hebben gewerkt, of een uitkering volgens de wetgeving waar ze wonen.

4.7. Volgens rechtspraak van het Hof (zie het arrest Di Paolo van 17 februari 1977, zaak 76/76) is de mogelijkheid om in de Lid-Staat van woonplaats werkloosheidsuitkeringen te ontvangen, gerechtvaardigd in het geval van bepaalde werknemers, die nauwe banden hebben behouden met het land waar zij zijn gevestigd en gewoonlijk verblijven, in het bijzonder wat hun privé-leven en hun beroep betreft. Werknemers die dergelijke banden hebben met de Lid-Staat van woonplaats zullen immers gewoonlijk in die staat ook de beste kansen op re-integratie in het arbeidsproces hebben (zie ook punt 20 van het arrest Bergemann).

4.8. De Raad is met het Uwv van oordeel dat appellante, gelet op de aard en de duur van haar verblijf in Zwitserland, haar woonplaats heeft overgebracht van Nederland naar Zwitserland. Evenwel is zij ten tijde van haar laatste werkzaamheden, namelijk voordat de dienstbetrekking beëindigd werd, verhuisd naar Nederland.

4.9. In het arrest Bergemann is artikel 71, sub b, onder ii, van de verordening ook van toepassing geacht op een werknemer die tijdens het verrichten van haar laatste werkzaamheden haar woonplaats om gezinsredenen, namelijk om met echtgenoot en kind samen te wonen, overbrengt naar een andere Lid-Staat en nadien niet meer terugkeert naar de Lid-Staat van tewerkstelling om er haar werkzaamheden uit te oefenen. In die omstandigheden is het voor een dergelijke werkneemster zeker veel gunstiger om in de Lid-Staat van de woonplaats dan in de Lid-Staat van tewerkstelling een nieuwe arbeidsplaats te zoeken.

4.10. De Raad heeft in vergelijkbare zaken reeds meermalen uitgesproken dat het arrest Bergemann een bijzonder geval betreft omdat Bergemann om gezinsredenen naar een andere Lid-Staat is verhuisd en zij in die Lid-Staat om die reden de beste kansen heeft op werkhervatting. Hieraan ligt ten grondslag dat in een situatie als in het arrest Bergemann sprake is van de door artikel 71 veronderstelde nauwe band van de werknemer met de woonstaat, zoals ook omschreven in het eerder genoemde arrest Di Paolo.

4.11. In tegenstelling tot wat namens appellante is betoogd, wijken de omstandigheden van appellante wezenlijk af van die in de zaak Bergemann, nu in het geval van appellante geen sprake was van een wens tot samenwoning, maar die samenwoning nu juist werd verbroken. De Raad is ook niet gebleken dat dit feit op zich noopte tot het verlaten van het werkland. Voorts kunnen ook de intentie die appellante ook al tijdens haar huwelijk had om naar Nederland terug te keren alsmede de banden die appellante onderhield met haar familie in Nederland, niet als gezinsredenen als bedoeld in het arrest Bergemann worden aangemerkt.

Gelet op de duur van het verblijf van appellante in Zwitserland, haar huwelijk met een Zwitser alsmede het feit dat zij ruim 15 jaar in Zwitserland heeft gewerkt, kan voorts niet worden gezegd dat het voor appellante veel gunstiger was om Nederland een nieuwe arbeidsplaats te zoeken dan in Zwitserland. De omstandigheid dat appellante in Nederland vanaf 1 maart 2009 heeft gewerkt met opeenvolgende arbeidsovereenkomsten voor bepaalde tijd alsmede de stelling dat het werk dat appellante in Zwitserland deed, inwisselbaar is met het werk dat zij aanvaardde na terugkomst in Nederland, maakt dit oordeel niet anders. Het valt immers niet met zekerheid te zeggen dat het vinden van werk langer zou hebben geduurd als zij in Zwitserland zou zijn gebleven en zich op de Zwitserse arbeidsmarkt zou hebben gericht.

4.12. Alle omstandigheden in aanmerking genomen, kan de Raad het arrest Bergemann geen doorslaggevende betekenis toekennen in een geval als het onderhavige.

4.13. Uit hetgeen hiervoor is overwogen volgt dat appellante geen rechten kan ontlenen aan artikel 71, eerste lid, aanhef en onder b, ii van Vo. 1408/71, zodat de aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

5. De Raad acht geen termen aanwezig om toepassing te geven aan artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door M.M. van der Kade als voorzitter en E.E.V. Lenos en C.G. Kasdorp als leden, in tegenwoordigheid van T.J. van der Torn als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 5 november 2010.

(get.) M.M. van der Kade.

(get.) T.J. van der Torn.

KR