Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2010:BO3341

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
05-11-2010
Datum publicatie
09-11-2010
Zaaknummer
09-6456 WAJONG
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Geen toekenning Wajong-uitkering. Minder dan 25% arbeidsongeschikt. De rechtbank volgt de deskundige en verklaart het beroep gegrond. De Raad overweegt dat Mutsaers, door beargumenteerd in te gaan op de reactie van bva Visser op zijn rapport van 13 juli 2009, er voldoende blijk van heeft gegeven zijn oordeel ook serieus te hebben heroverwogen. De Raad is voorts, anders dan het Uwv, van oordeel dat Mutsaers in zijn rapport van 13 juli 2009 een inzichtelijke onderbouwing heeft gegeven voor de door hem aangenomen noodzaak voor het in de FML aannemen van een aantal extra beperkingen in de rubrieken persoonlijk en sociaal functioneren.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

09/6456 WAJONG

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: appellant),

tegen de uitspraak van de rechtbank Groningen van 12 oktober 2009, 08/1062 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

[betrokkene], wonende te [woonplaats] (hierna: betrokkene)

en

appellant.

Datum uitspraak: 5 november 2010

I. PROCESVERLOOP

Appellant heeft hoger beroep ingesteld.

Namens betrokkene heeft mr. L.J. van der Veen, advocaat te Groningen, een verweerschrift ingediend.

Desgevraagd heeft psychiater W.H.J. Mutsaers bij brief van 12 april 2010 aan de Raad een reactie doen toekomen op het rapport van bezwaarverzekeringsarts N. Visser van 30 juli 2009.

Bij brief van 23 juni 2010 heeft appellant aan de Raad een reactie op voornoemde brief van Mutsaers doen toekomen van bezwaarverzekeringsarts Visser van 19 april 2010.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 23 juli 2010. Namens appellant verscheen J.A. Klaver. Betrokkene is verschenen, bijgestaan door mr. Van der Veen, voornoemd.

II. OVERWEGINGEN

1. Betrokkene stelde beroep in tegen het ter uitvoering van de Wet arbeidsongeschiktheidsvoorziening jonggehandicapten (Wajong) op 14 oktober 2008 door appellant bekend gemaakte besluit. Hierbij heeft appellant zijn besluit van

13 november 2007 gewijzigd in die zin dat de eerste arbeidsongeschiktheidsdag van betrokkene is vastgesteld op 11 maart 1974 en zij daarmee voldoet aan de voorwaarde om als jonggehandicapte te worden aangemerkt. Voor het overige heeft appellant zijn besluit van 13 november 2007 gehandhaafd in die zin dat betrokkene per 13 juli 2006 geen recht heeft op een Wajong-uitkering omdat zij minder dan 25% arbeidsongeschikt is en er evenmin aanleiding is om haar als bijzonder geval aan te merken waardoor verder dan een jaar voor de datum van de aanvraag teruggegaan zou moeten worden voor de beoordeling van de arbeidsongeschiktheid in de zin van de Wajong.

2. De rechtbank heeft, na schorsing van het onderzoek ter zitting, psychiater W.H.J. Mutsaers als deskundige benoemd. Volgens Mutsaers moet aangenomen worden dat betrokkene op 13 juli 2006 diverse beperkingen had in haar sociale en persoonlijke functioneren als gevolg van ernstige en uitgebreide sociale angsten en paniekstoornissen met agorafobie. De deskundige kan zich niet vinden in de in de rapportage van bezwaarverzekeringsarts H.J.M. Boersma van 12 maart 2008 neergelegde conclusie dat per 13 juli 2006 de belastbaarheid van betrokkene geldt conform die per 11 maart 1974 omdat de ernst en uitgebreidheid van betrokkenes sociale angsten en paniekstoornissen onvoldoende tot uitdrukking zijn gebracht in de genoemde conclusies en de daarmee verbonden belastbaarheid. Vervolgens heeft Mutsaers aangegeven welke beperkingen zijns inziens voor betrokkene dienen te gelden. Tot slot is Mutsaers van oordeel dat betrokkene op 13 juli 2006 niet in staat was om de voor haar door de bezwaararbeidsdeskundige geduide functies te vervullen.

2.1. De rechtbank heeft de conclusies van genoemde deskundige begrijpelijk en overtuigend geacht. Zij ziet geen grond te twijfelen aan diens oordeel en ziet daarom evenmin aanleiding de deskundige niet te volgen. Dat bezwaarverzekeringsarts N. Visser in haar rapportage van 30 juli 2009 alleen op het punt ‘verdelen van de aandacht’ een extra beperking heeft gegeven, doet naar het oordeel van de rechtbank geen recht aan de door Mutsaers in zijn rapport gegeven beperkingen voor betrokkene. Daarbij heeft de rechtbank in aanmerking genomen dat Mutsaers voldoende heeft onderbouwd dat betrokkene lijdt aan een ernstige persoonlijkheidsstoornis, dat zij voldoet aan de verschillende criteria van de borderline persoonlijkheidsstructuur en dat er aanwijzingen zijn voor een ernstige bindingsstoornis. De visie van de bezwaarverzekeringsarts dat er geen reden is om meer beperkingen voor arbeid te stellen op het gebied van persoonlijk en sociaal functioneren, deelt de rechtbank niet. De rechtbank heeft het beroep gegrond verklaard en het bestreden besluit vernietigd. Tevens is aangegeven dat appellant een nieuw besluit dient te nemen op het bezwaar van betrokkene.

3.1. In hoger beroep heeft appellant aangevoerd dat de door Mutsaers getrokken conclusies onvoldoende onderbouwd zijn en de rechtbank ten onrechte deze conclusies heeft overgenomen zonder eerst de reactie van bezwaarverzekeringsarts Visser van 30 juli 2009 voor nader commentaar aan Mutsaers voor te leggen. Appellant acht het, gelet op de inhoud van het rapport van Visser, uit het oogpunt van zorgvuldige besluitvorming noodzakelijk dat Mutsaers alsnog in de gelegenheid wordt gesteld commentaar te geven op dat rapport.

3.2. Betrokkene heeft in hoger beroep gesteld dat de rechtbank terecht als uitgangspunt heeft genomen dat de door haar ingeschakelde deskundige moet worden gevolgd. Ook overigens acht betrokkene de aangevallen uitspraak voldoende gemotiveerd.

4. De Raad overweegt als volgt.

4.1. Het in dit geding aan de orde zijnde geschil wordt beoordeeld aan de hand van de bepalingen van de Wajong, zoals die luidden tot 1 januari 2010.

4.2. De Raad stelt vast dat niet in geschil is dat betrokkene vanaf 11 maart 1974 voldoet aan de voorwaarden van artikel 5, eerste lid, van de Wajong en derhalve kan worden aangemerkt als jonggehandicapte. In geschil is de vraag of betrokkene per 13 juli 2006, zijnde een jaar voor de dag waarop de aanvraag om toekenning van een Wajong-uitkering werd ingediend, in aanmerking gebracht dient te worden voor een Wajong-uitkering.

4.3. In 's Raads vaste jurisprudentie ligt besloten dat het oordeel van een onafhankelijke, door de bestuursrechter ingeschakelde deskundige in beginsel dient te worden gevolgd. Dit kan onder meer anders zijn als zich de bijzondere situatie voordoet dat uit de reactie van die deskundige op een andersluidend oordeel van een door een partij ingeschakelde eigen of externe arts zijn eigen oordeel niet serieus heeft heroverwogen.

4.4. In hetgeen in hoger beroep van de zijde van appellant is aangevoerd, heeft de Raad geen bijzondere omstandigheid in vorenbedoelde zin kunnen ontwaren, zodat de Raad geen aanleiding ziet om de vaste lijn in zijn jurisprudentie met betrekking tot de onafhankelijke deskundige niet te volgen. De Raad overweegt daartoe dat uit het rapport van Mutsaers van 13 juli 2009 blijkt dat hij een volledig en zorgvuldig onderzoek heeft verricht. Mutsaers heeft betrokkene onderzocht en heeft voorts kennis genomen van de in het dossier aanwezige medische informatie. Het rapport getuigt van zorgvuldigheid en is consistent terwijl het medisch oordeel van Mutsaers daarin naar behoren is gemotiveerd en hij zijn conclusies op overtuigende wijze en aan de hand van relevante medische inzichten heeft onderbouwd. Voorts is Mutsaers bij brief van 12 april 2010 ingegaan op de door appellant ingebrachte reactie van bezwaarverzekeringsarts Visser van

30 juli 2009 en heeft hij zijn rapport nader toegelicht. Hierbij heeft Mutsaers de in zijn rapport van 13 juli 2009 getrokken conclusies gehandhaafd. De Raad overweegt dat Mutsaers, door beargumenteerd in te gaan op de reactie van bezwaarverzekeringsarts Visser op zijn rapport van 13 juli 2009, er voldoende blijk van heeft gegeven zijn oordeel ook serieus te hebben heroverwogen. De Raad is voorts, anders dan appellant, van oordeel dat Mutsaers in zijn rapport van 13 juli 2009 een inzichtelijke onderbouwing heeft gegeven voor de door hem aangenomen noodzaak voor het in de Functionele Mogelijkheden Lijst aannemen van een aantal extra beperkingen in de rubrieken persoonlijk en sociaal functioneren.

5. Gelet op het bovenstaande kan het hoger beroep niet slagen, zodat moet worden beslist als hieronder is vermeld.

6. De Raad acht termen aanwezig om op grond van artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht appellant te veroordelen in de proceskosten van betrokkene in hoger beroep. Deze kosten worden begroot op € 874,- voor verleende rechtsbijstand in hoger beroep en op € 44,30 voor reiskosten in hoger beroep, derhalve in totaal € 918,30.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep,

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak;

Veroordeelt appellant in de proceskosten van betrokkene in hoger beroep tot een bedrag groot € 918,30,

Bepaalt dat van het Uitvoeringsinstituut werknemerverzekeringen een griffierecht van

€ 447,- wordt geheven.

Deze uitspraak is gedaan door J.W. Schuttel als voorzitter en J.P.M. Zeijen en L.J.A. Damen als leden, in tegenwoordigheid van M. Mostert als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 5 november 2010.

(get.) J.W. Schuttel.

(get.) M. Mostert.

NK