Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2010:BO3337

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
05-11-2010
Datum publicatie
09-11-2010
Zaaknummer
10-1114 WIA
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Weigering WIA-uitkering. Voldoende medische en arbeidskundige grondslag. Wat betreft de gestelde trillende handen zijn door appellant geen medische gegevens overgelegd waaruit kan worden afgeleid dat onjuist is dat deze klachten nog niet aan de orde waren op de datum in geding. Geschiktheid geduide functies.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

10/1114 WIA

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[appellant], wonende te [woonplaats] (hierna: appellant),

tegen de uitspraak van de rechtbank Rotterdam van 20 januari 2010, 09/2427 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellant

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv).

Datum uitspraak: 5 november 2010

I. PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. A. den Arend-de Winter hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend en daarbij overgelegd rapporten van 19 april 2010 van de bezwaarverzekeringsarts S.R. Hofman en van de bezwaararbeidsdeskundige M. Kokenberg-Van Loon.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 8 oktober 2010.

Appellant is – met kennisgeving – niet verschenen. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door drs. J. Hut.

II. OVERWEGINGEN

1. Appellant was werkzaam als internationaal chauffeur toen hij zich op 16 oktober 2006 met een kniefractuur als gevolg van een verkeersongeval arbeidsongeschikt meldde. Appellant is in het kader van de beoordeling van zijn aanvraag om een uitkering op grond van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (Wet WIA) op 15 oktober 2008 onderzocht door de verzekeringsarts J.W.A. Verheijde. Deze arts gaf in een rapport van dezelfde datum aan dat appellant beperkingen had ten aanzien van de belasting van het linkerbeen en in het algemeen zware fysieke belasting diende te vermijden. Verheijde legde de beperkingen van appellant vast in een Functionele Mogelijkheden Lijst. Vervolgens werd bij het arbeidskundig onderzoek na functieduiding berekend dat appellant een verlies aan verdienvermogen had van 27,62%. Hierna stelde het Uwv bij besluit van 3 december 2008 vast dat appellant met ingang van 13 oktober 2008 geen recht had op een Wet WIA-uitkering.

2.1. In de bezwaarprocedure legde de gemachtigde van appellant een brief over van de behandelend chirurg H.A. Josaputra van 27 januari 2009. Josaputra gaf aan dat duidelijk sprake was van een quadricepsatrofie links, dat bij een aanvullende CT-scan sprake was van een oneffenheid van de mediale zijde, dat het laterale tibioplateau nog niet volledig genezen was en dat het aanbrengen van een kunstknie zo lang mogelijk werd uitgesteld.

2.2. De bezwaarverzekeringsarts S.R. Hofman zag in haar rapport 18 mei 2009 geen medische reden waarom ongeveer één uur zitten achtereen niet mogelijk zou zijn. Zij zag na weging van de beschikbare medische gegevens geen reden de door Verheijde vastgestelde belastbaarheid te wijzigen. De bezwaararbeidsdeskundige H.C. Boersma vermeldde in een rapport van 4 juni 2009 dat Hofman bij overleg over de medische geschiktheid van de geduide functies had aangegeven dat een belasting ten aanzien van staan gedurende de werkdag van in totaal 80 minuten, indien sprake was van een maximale duur van 2 minuten aaneen en vijf maal per uur, gezien de klachten van appellant een welkome afwisseling was bij een verder voornamelijk zittende functie. Boersma lichtte voorts de signaleringen in de geduide functies toe en onderschreef de berekening van het in overweging 1 vermelde verlies aan verdienvermogen. Hierna verklaarde het Uwv bij besluit van 5 juni 2009 het bezwaar van appellant tegen het besluit van 3 december 2008 ongegrond.

3.1. De rechtbank verklaarde bij de aangevallen uitspraak het beroep van appellant tegen het besluit van 5 juni 2009 (hierna: bestreden besluit) ongegrond.

3.2. De rechtbank oordeelde dat het Uwv in dit geval niet noodzakelijkerwijs informatie bij de huisarts van appellant had moeten opvragen en zij onderschreef de medische en arbeidskundige grondslag van het bestreden besluit.

4.1. In hoger beroep is namens appellant aangevoerd dat hij niet in staat is om gedurende het grootste deel van de werkdag te zitten. Voorts ondervindt appellant veel hinder van suikerziekte, waardoor hij regelmatig duizelig is en trillende handen heeft. Wat betreft de geduide functies wees appellant op bediening van een voetpedaal en de tilbelasting in de functie naaister. Voorts was er volgens appellant, ondanks de toelichting door Boersma, sprake van een overschrijding van 33% in de belasting ten aanzien van het staan in een tweetal functies. Ten slotte kon wat betreft de functie wikkelaar van een tilbelasting van 10 kg bij een frequentie van 8 maal per dag niet worden gezegd dat nog sprake was van het af en toe tillen van dit gewicht.

4.2. Hofman gaf in haar in rubriek I van deze uitspraak vermelde rapport aan dat bij het onderzoek van Verheijde en in de bezwaarfase geen klachten terzake van trillende handen waren gemeld. De bezwaararbeidsdeskundige M. Kokenberg-Van Loon liet vervolgens in haar eveneens in deze rubriek vermelde rapport de functie productiemedewerker confectie (naaister, SBC-code 272042) vervallen omdat bij nader overleg met Hofman bleek dat het linkerbeen van appellant niet kon worden gebruikt op de in deze functie aangegeven wijze. Vervolgens gaf Kokenberg-Van Loon een nadere toelichting op de tilbelasting in de functie wikkelaar (SBC-code 267050) en de belasting inzake staan in de functies wikkelaar en produktiemedewerker industrie (SBC-code 111180).

5.1. De Raad heeft geen aanleiding gezien over de medische grondslag van het bestreden besluit anders te oordelen dan de rechtbank. Wat betreft de gestelde trillende handen zijn door appellant geen medische gegevens overgelegd waaruit kan worden afgeleid dat onjuist is de visie van Hofman dat deze klachten nog niet aan de orde waren op de datum in geding. In dit verband merkt de Raad nog op dat Verheijde als diagnose wel mede stelde diabetes mellitus en dat hij enkel vermeldde dat volgens appellant van een adequate instelling met medicatie geen sprake was.

5.2. Wat betreft de belasting inzake staan en tillen in de functies met SBC-codes 267050 en 111180 overweegt de Raad dat Kokenberg-Van Loon in haar meergenoemde rapport genoegzaam heeft gemotiveerd waarom deze functies medisch geschikt zijn. De Raad wijst erop dat Kokenberg-Van Loon heeft aangegeven overleg te hebben gevoerd met Hofman, waarbij wat betreft het staan naar voren kwam dat voor appellant vooral van belang is dat hij regelmatig kan vertreden en wat betreft het tillen is gewezen op het feit dat niet elk werkuur moet worden getild en dat de tilfrequentie laag is. Deze toelichtingen acht de Raad, gelet ook op de visie van Hofman in de bezwaarprocedure als weergegeven in overweging 2.2, niet onaanvaardbaar. Ten slotte stelt de Raad vast dat het laten vervallen door Kokenberg-Van Loon van de reservefunctie productiemedewerker confectie geen invloed heeft op de berekening van het verlies aan verdienvermogen.

5.3. De overwegingen 5.1 en 5.2 brengen de Raad tot de slotsom dat het hoger beroep niet slaagt en dat de aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

6. Voor een veroordeling van een partij in de proceskosten van een andere partij ziet de Raad ten slotte geen aanleiding.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep,

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door C.W.J. Schoor, in tegenwoordigheid van T.J. van der Torn als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 5 november 2010.

(get.) C.W.J. Schoor.

(get.) T.J. van der Torn.

IvR