Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2010:BO3283

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
05-11-2010
Datum publicatie
09-11-2010
Zaaknummer
09-4920 WIA
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Toekenning WGA-uitkering. Onbevoegdheid van de rechtbank Amsterdam voor gedekt verklaard. Zorgvuldig medisch onderzoek. Appellante wordt op grond van haar beperkingen volledig arbeidsongeschikt geacht, maar op basis van de beschikbare gegevens kan niet worden gezegd dat sprake is van volledige en duurzame arbeidsongeschiktheid. Uit het stellen van de diagnose reumatoïde artritis vloeit op zich niet zonder meer voort dat appellantes medische toestand uitsluitend zal verslechteren.

Wetsverwijzingen
Algemene wet bestuursrecht 8:7
Algemene wet bestuursrecht 7:11
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
AB 2010/324 met annotatie van A. Tollenaar
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

09/4920 WIA

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[Appellante], wonende te [woonplaats] (hierna: appellante),

tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 4 augustus 2009, 08/4340 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellante

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv).

Datum uitspraak: 5 november 2010

I. PROCESVERLOOP

Namens appellante heeft mr. I. Baggerman-Scherpenisse, advocaat te Rotterdam, hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Partijen hebben op elkaars standpunt gereageerd en nadere stukken ingezonden.

Het geding is ter behandeling aan de orde gesteld ter zitting van de Raad op 24 september 2010. Partijen zijn - met voorafgaand bericht - niet verschenen.

II. OVERWEGINGEN

1. Appellante heeft een uitkering ingevolge de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (Wet WIA) aangevraagd. Het Uwv heeft haar bij besluit van 17 april 2008 met ingang van 21 februari 2008 een loongerelateerde WGA-uitkering toegekend. Het Uwv heeft zich daarbij op het standpunt gesteld dat appellante volledig arbeidsongeschikt is te achten, maar dat een kans op herstel aanwezig is. Appellantes bezwaar tegen dit besluit is door het Uwv bij het bestreden besluit van 30 september 2008 ongegrond verklaard.

2. De rechtbank heeft het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard.

3. Appellante heeft in hoger beroep (wederom) aangevoerd dat zij volledig en duurzaam arbeidsongeschikt is, zodat zij recht heeft op een uitkering ingevolge hoofdstuk 6 van de Wet WIA.

4.1. De Raad overweegt in de eerste plaats het volgende. Op grond van artikel 8:7, tweede lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) was niet de rechtbank Amsterdam, maar de rechtbank Rotterdam bevoegd om op het beroep van appellante te beslissen. De rechtbank Amsterdam heeft dit tijdens haar zitting geconstateerd; zij heeft evenwel vastgesteld dat partijen geen bezwaar hadden tegen afdoening door de rechtbank Amsterdam en heeft vervolgens uitspraak gedaan. Gezien de omstandigheden van het geval ziet de Raad aanleiding om met toepassing van artikel 28 van de Beroepswet de onbevoegdheid van de rechtbank Amsterdam voor gedekt te verklaren en de aangevallen uitspraak als bevoegdelijk gedaan aan te merken.

4.2. Volledig en duurzaam arbeidsongeschikt is volgens artikel 4, eerste lid, van de Wet WIA hij die als rechtstreeks en objectief medisch vast te stellen gevolg van ziekte, gebrek, zwangerschap of bevalling duurzaam slechts in staat is om met arbeid ten hoogste 20% te verdienen van het maatmaninkomen per uur. Ingevolge het tweede lid wordt onder duurzaam verstaan een medisch stabiele of verslechterende situatie. Volgens het derde lid wordt onder duurzaam mede verstaan een medische situatie waarbij op lange termijn een geringe kans op herstel bestaat.

4.3. De Raad heeft in zijn uitspraak van 4 februari 2009 (LJN BH1896) overwogen dat blijkens de wetsgeschiedenis de verzekeringsarts zich een oordeel dient te vormen over de duurzaamheid van de arbeidsongeschiktheid in de zin van artikel 4 van de Wet WIA, waarbij hij een inschatting dient te maken van de herstelkansen, in de zin van een verbetering van de functionele mogelijkheden van de betrokken verzekerde. Bij de vraag of er sprake is van duurzaamheid gaat het om een inschatting van de toekomstige ontwikkelingen van de arbeidsbeperkingen. Dit brengt mee dat de inschatting van de verzekeringsarts van de kans op herstel in het eerste jaar en daarna dient te berusten op een concrete en deugdelijke afweging van de feiten en omstandigheden die bij de betreffende individuele verzekerde aan de orde zijn. In het geval bezwaar wordt gemaakt tegen een besluit waarin is bepaald dat de betrokkene op een bepaalde datum niet duurzaam arbeidsongeschikt wordt geacht, zal vervolgens de bezwaarverzekeringsarts zich een oordeel moeten vormen. Uit artikel 7:11, eerste lid, van de Awb vloeit voort dat ook ten aanzien van de inschatting van de duurzaamheid van de arbeidsongeschiktheid een heroverweging dient plaats te vinden. Dit brengt met zich dat de bezwaarverzekeringsarts, rekening houdend met alle medische gegevens die in bezwaar voorhanden zijn, beoordeelt of de inschatting van de duurzaamheid van de arbeidsongeschiktheid gehandhaafd moet blijven.

4.4. De verzekeringsarts heeft alvorens tot een oordeel te komen expertise laten verrichten door een viertal specialisten: een psychiater, een neuroloog, een orthopedisch chirurg en een internist. Op basis van deze rapporten heeft de verzekeringsarts een Functionele Mogelijkheden Lijst (FML) opgesteld. Voorts is hij tot het oordeel gekomen dat geen sprake is van duurzame arbeidsongeschiktheid, nu uit de expertises blijkt van behandelmogelijkheden. De bezwaarverzekeringsarts heeft de FML enigszins bijgesteld en heeft zich ten aanzien van de duurzaamheid op hetzelfde standpunt gesteld als de verzekeringsarts.

4.5. Naar het oordeel van de Raad heeft een zorgvuldig onderzoek plaatsgevonden. Weliswaar moet appellante op grond van de voor haar geldende beperkingen voor het verrichten van arbeid volledig arbeidsongeschikt worden geacht, maar op basis van de beschikbare gegevens kan niet worden gezegd dat sprake is van volledige en duurzame arbeidsongeschiktheid. Met name in de rapportages van de orthopedisch chirurg A.E.B. Kleipool van 27 januari 2008 en van de psychiater W.M.J. Hassing van 17 maart 2008 wordt melding gemaakt van behandelmogelijkheden. De Raad acht hierbij van belang dat deze rapportages rond de hier in geding zijnde datum 21 februari 2008 zijn opgesteld. De door appellante in de loop van de procedure overgelegde inlichtingen van behandelend artsen leveren ten aanzien van deze datum geen andere gezichtspunten. De Raad merkt daarbij op dat uit het stellen van de diagnose reumatoïde artritis op zich niet zonder meer voortvloeit dat appellantes medische toestand uitsluitend zal verslechteren, waarbij hij in het midden laat of daarvan op de datum in geding al sprake was.

4.6. Uit het vorenstaande vloeit voort dat de aangevallen uitspraak voor bevestiging in aanmerking komt.

5. De Raad ziet geen aanleiding om toepassing te geven aan artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door M.M. van der Kade als voorzitter en E.E.V. Lenos en C.G. Kasdorp als leden, in tegenwoordigheid van T.J. van der Torn als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 5 november 2010.

(get.) M.M. van der Kade.

(get.) T.J. van der Torn.

CVG