Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2010:BO3282

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
05-11-2010
Datum publicatie
09-11-2010
Zaaknummer
09-5692 WAO
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Herziening WAO-uitkering. Geen aanknopingspunten om te twijfelen aan de vastgestelde belastbaarheid. De psychische belastbaarheid is niet overschat. De geduide functies zijn geschikt.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

09/5692 WAO

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[Appellant], wonende te [woonplaats] (hierna: appellant),

tegen de uitspraak van de rechtbank Groningen van 31 augustus 2009, 09/40 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellant

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv).

Datum uitspraak: 5 november 2010

I. PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. S. Wiersma, advocaat te Groningen, hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Namens appellant is een psychiatrische rapportage van 23 maart 2010 van psychiater C.A.F. Nijenhuis ingezonden. Het Uwv heeft hierop de reactie van bezwaarverzekeringsarts P.A.M. van Zelst van 13 september 2010 ingezonden.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 24 september 2010. Appellant is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde mr. Wiersma. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. P. Belopavlovic.

II. OVERWEGINGEN

1.1. Appellant was werkzaam als commercieel manager. Voor deze werkzaamheden is hij op 12 november 2001 uitgevallen wegens psychische klachten. Met ingang van

11 november 2002 is aan appellant een uitkering ingevolge de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO) toegekend, berekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 80 tot 100%.

1.2. Bij besluit van 21 april 2008 heeft het Uwv de WAO-uitkering van appellant met ingang van 19 juni 2008 herzien naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 55 tot 65%.

2. In de bezwaarprocedure is onderzoek verricht door Van Zelst. Deze arts heeft dossier studie verricht, is bij de hoorzitting aanwezig geweest en heeft de psychiater dr. S. Russo verzocht een expertise te verrichten. Na weging van de beschikbare medische gegevens heeft Van Zelst geconcludeerd dat er aanleiding is om af te wijken van de door de verzekeringsarts opgestelde Functionele Mogelijkheden Lijst (FML) wat betreft het persoonlijk en sociaal functioneren. Met inachtneming van de aldus door Van Zelst op 5 november 2008 aangepaste FML heeft bezwaararbeidsdeskundige J. Langebeeke in zijn rapport van 17 november 2008 de geselecteerde functies opnieuw beoordeeld en passend bevonden. Bij besluit van 23 december 2008 (hierna: bestreden besluit) is het bezwaar van appellant tegen het besluit van 21 april 2008 ongegrond verklaard.

3. De rechtbank heeft bij de aangevallen uitspraak het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard. Daartoe heeft de rechtbank - kort samengevat - overwogen dat het medisch onderzoek zorgvuldig is geweest en dat het bestreden besluit op een voldoende medische grondslag berust. De rechtbank heeft in de beschikbare medische gegevens en met name in het rapport van psychiater Russo geen aanknopingspunten gevonden voor het oordeel dat op de datum in geding (19 juni 2008) appellant niet beschikt over duurzaam benutbare mogelijkheden of dat een urenbeperking aan de orde is. Gelet op de rapportage van de bezwaararbeidsdeskundige is de rechtbank niet gebleken dat de in geding zijnde beoordeling van de arbeidsongeschiktheid van appellant wat het arbeidskundige aspect betreft niet op goede gronden zou berusten.

4. Het hoger beroep van appellant richt zich tegen de medische grondslag van het bestreden besluit. In hoger beroep heeft appellant de hierop betrekking hebbende, in eerdere fasen van de procedure aangevoerde gronden in essentie herhaald. Deze komen erop neer dat de medische situatie niet is verbeterd ten opzichte van de voorlaatste schatting, waarbij appellant nog volledig arbeidsongeschikt werd geacht. Bovendien is aangevoerd dat de rechtbank ten onrechte geen deskundige heeft benoemd, gelet op de discrepantie tussen de rapportages van de psychiaters Russo en Brouwers. Appellant heeft zijn stelling onderbouwd door middel van een psychiatrisch rapport van 23 maart 2010 van psychiater Nijenhuis.

5. De Raad overweegt als volgt.

5.1.1. In het hoger beroep van appellant heeft de Raad geen aanleiding gezien over de medische grondslag van het bestreden besluit een ander oordeel te geven dan de rechtbank. Evenals de rechtbank is de Raad van oordeel dat de medische grondslag berust op een zorgvuldig onderzoek. Tevens ziet de Raad geen aanknopingspunten om te twijfelen aan de door het Uwv vastgestelde belastbaarheid. Daarbij neemt de Raad in aanmerking dat Van Zelst de rapportage van psychiater Russo bij zijn beoordeling heeft betrokken. Uit deze rapportage komt naar voren dat er bij appellant sprake is van een dysthyme stoornis en een psychogene pijnstoornis. De diagnose persoonlijkheidsstoornis niet anders omschreven met narcistische en vermijdende trekken is niet te stellen vanwege de aanwezigheid van een dysthyme stoornis. Voorts is er sprake van sociaal terugtrekgedrag. Russo geeft aan dat in de FML geen beperkingen zijn aan te geven in de rubriek persoonlijk functioneren maar wel op het aspect eigen gevoelens uiten en samenwerken in de rubriek sociaal functioneren. Vanwege de verschillende diagnoses en de persoonlijkheidsproblematiek is volgens Russo dagbehandeling geïndiceerd in overleg met de behandelaar van appellant.

5.1.2. Behandelend zenuwarts dr. J. Bouwers geeft in zijn schrijven van 11 september 2008 en 7 juni 2009 aan dat geopteerd wordt om appellant vooralsnog de volledige WAO-uitkering te doen behouden, ter preventie voor verder decompenseren middels depressie met zelfs risico van paranoïsche reactievorming, zodat middels psychotherapie gewerkt kan worden aan zijn herstel.

5.1.3. Psychiater Nijenhuis heeft in zijn rapport als diagnose aangegeven recidiverende depressie, matig tot ernstig. Tevens zijn er aanwijzingen voor vermijdende en narcistische trekken en is sprake van sociaal terugtrekgedrag. De beperkingen die hieruit voortvloeien liggen volgens Nijenhuis zowel op het persoonlijk als op het sociaal vlak. Aandacht, concentratie, geheugen, doelmatig handelen en het handelingstempo zijn fors beperkt alsmede het (relatieve)onvermogen tot het beleven en vervolgens uiten van de eigen gevoelens. Voorts heeft Nijenhuis aangegeven dat een aanvankelijk vooral steunende en later waar mogelijk inzichtgevende langerdurende therapie beter is dan een behandeling die is toegesneden op verschillende DSM IV classificatie onderdelen en vaak verschillende behandelaars. Van Zelst heeft in reactie op de rapportage van Nijenhuis aangegeven dat hij de toestand ten tijde van het onderzoek weergeeft en niet op de datum in geding. Voorts ziet Van Zelst geen grote verschillen met de rapportage van psychiater Russo.

5.1.4. De Raad ziet in al deze gegevens geen grond voor het oordeel dat het Uwv de psychische belastbaarheid van appellant heeft overschat. De Raad neemt hierbij in aanmerking dat appellant op de datum in geding niet onder behandeling was bij een psychiater en dat hij zich naar aanleiding van de herbeoordeling bij de huisarts heeft gemeld die hem heeft doorverwezen naar een psycholoog. De brieven van psychiater Brouwers zijn naar het oordeel van de Raad onvoldoende onderbouwd om aan te nemen dat appellant op de datum in geding volledig arbeidsongeschikt is te achten. Tevens is de Raad, met de rechtbank, van oordeel dat uit deze brieven niet valt af te leiden dat appellant op de datum in geding meer beperkt is te achten dan door de (bezwaar)verzekeringsarts is aangenomen. De rapportage van Nijenhuis ziet niet op de datum in geding. In het voorgaande ligt besloten dat de Raad geen aanleiding ziet voor benoeming van een deskundige voor het instellen van een psychiatrisch onderzoek.

5.2. Uitgaande van de juistheid van de aangepaste FML heeft de Raad ook geen aanknopingspunten de aan de schatting ten grondslag gelegde functies voor appellant medisch niet geschikt te achten.

5.3. Uit hetgeen is overwogen onder 5.1 tot en met 5.2 volgt dat het hoger beroep niet slaagt en dat de aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

6. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep,

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door R.C. Stam, in tegenwoordigheid van M.A. van Amerongen als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 5 november 2010.

(get.) R.C. Stam.

(get.) M.A. van Amerongen.

KR