Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2010:BO3275

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
05-11-2010
Datum publicatie
09-11-2010
Zaaknummer
10-1233 WAJONG
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Weigering WAJONG-uitkering. Geen gronden aangevoerd tegen de medische grondslag. De resterende geduide functies worden geschikt geacht.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

10/1233 Wajong

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[Appellant], wonende te [woonplaats] (hierna: appellant),

tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 14 januari 2010, 08/2618 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellant

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv).

Datum uitspraak: 5 november 2010

I. PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. M.A. van Hoof, advocaat te Amsterdam, hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Het geding is ter behandeling aan de orde gesteld ter zitting op 24 september 2010, waar partijen - met bericht - niet zijn verschenen.

II. OVERWEGINGEN

1. Het in dit geding aan de orde zijnde geschil wordt beoordeeld aan de hand van de bepalingen van de WAJONG, zoals die luidden tot 1 januari 2010.

2.1. Appellant, geboren in 1953, heeft op 3 mei 2007 een aanvraag gedaan voor een Wajong-uitkering. Bij besluit van 1 april 2008 heeft het Uwv een Wajong-uitkering geweigerd onder de overweging dat de mate van arbeidsongeschiktheid op en na

6 mei 2006 (één jaar voor datum aanvraag) minder dan 25% was. Aan de weigering ligt het standpunt ten grondslag dat appellant met inachtneming van zijn medische beperkingen geschikt is voor passende functies.

2.2. Bij besluit van 31 juli 2008 heeft het Uwv het bezwaar tegen het besluit van

1 april 2008 ongegrond verklaard.

3.1. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het besluit van

31 juli 2008 ongegrond verklaard.

3.2. De rechtbank heeft overwogen dat er geen grond is voor het oordeel dat de onderzoeken door de (bezwaar)verzekeringsartsen onzorgvuldig of onvolledig zijn geweest. Voorts heeft de rechtbank geen reden gezien te twijfelen aan de juistheid van de bevindingen van de (bezwaar)verzekeringsartsen.

3.3. Met betrekking tot de arbeidskundige aspecten heeft de rechtbank overwogen dat in de arbeidskundige rapportages van 25 april 2008 en 31 juli 2008 voldoende is gemotiveerd op welke gronden appellant in staat moet worden geacht de voor hem geselecteerde functies te kunnen vervullen. Voorts heeft de rechtbank overwogen zich ook te kunnen vinden in de nadere reactie van de bezwaararbeidsdeskundige in diens rapportage van 23 oktober 2008 op de door appellant in de brief van 30 september 2008 bij de rechtbank aangevoerde arbeidskundige gronden.

4. Appellant heeft zich hier niet mee kunnen verenigen en heeft in hoger beroep - kort samengevat - herhaald dat hij in de hem door de arbeidsdeskundige voorgehouden functies moet werken met gevaarlijke machines zoals een pneumatisch nietpistool, een verwarmende pers onder pneumatische luchtdruk en een industriële naaimachine en dat het werken met die machines de voor hem vastgestelde belastbaarheid overschrijdt in verband met geconstateerde concentratieproblemen. In de functie van medewerker tuinbouw overschrijdt het handelingstempo zijn belastbaarheid, aldus appellant, omdat met name aan het begin van het voorjaar er regelmatig sprake zal zijn van hoge werkdruk en deadlines. De functies van wikkelaar en samensteller elektronische apparaten zijn niet geschikt voor appellant omdat in deze functies sprake is van samenwerken. Appellant is van mening dat het Uwv op deze door hem in beroep naar voren gebrachte aspecten niet is ingegaan en dat de rechtbank daar ten onrechte aan voorbij is gegaan.

5.1. De Raad stelt voorop dat appellant in hoger beroep geen gronden heeft aangevoerd tegen de medische grondslag van het bestreden besluit, doch uitsluitend bezwaren tegen de arbeidskundige grondslag. Gelet hierop zal de Raad zich bij zijn beoordeling van de aangevallen uitspraak beperken tot dit punt van geschil.

5.2. Naar het oordeel van de Raad heeft de rechtbank op juiste wijze besproken en op juiste wijze uiteengezet waarom de arbeidskundige grondslag van het besluit van 31 juli 2008 de rechterlijke toets kan doorstaan. Appellant heeft in hoger beroep geen wezenlijk andere gronden naar voren gebracht dan in beroep. Appellants standpunt dat niet is ingegaan op een aantal aspecten die hij in beroep naar voren heeft gebracht, is niet juist. De rechtbank heeft terecht overwogen dat het Uwv met de rapportage van de bezwaararbeidsdeskundige van 23 oktober 2008 heeft gereageerd op de door appellant in de brief van 30 september 2008 aangevoerde gronden. De Raad verwijst dan ook naar de overwegingen van de rechtbank zoals die beschreven staan in de aangevallen uitspraak en maakt deze tot de zijne.

5.3. De Raad voegt daar nog aan toe dat appellant gelet op zijn concentratieproblemen in de Functionele Mogelijkhedenlijst van 28 februari 2008 tevens beperkt is geacht op aspect 1.9.9 (aangewezen op werk zonder verhoogd persoonlijk risico) met als toelichting: geen werk met gevaarlijke machines. Bezwaararbeidsdeskundige G.J.W. van der Hulst heeft in zijn rapportage van 23 oktober 2008 terecht opgemerkt dat in de functies waarin moet worden gewerkt met de volgens appellant gevaarlijke machines volgens de Resultaten Functiebeoordeling geen belasting voorkomt op het aspect verhoogd persoonlijk risico. Naar het oordeel van de Raad kan derhalve niet worden gezegd dat het werken met deze machines de belastbaarheid van appellant overschrijdt. De bezwaararbeidsdeskundige heeft daar nog aan toegevoegd dat de gereedschappen en machines zodanig beveiligd zijn dat geen (onherstelbare) schade kan worden aangericht aan zichzelf of aan derden. De Raad laat voorts in het midden of het in de functie van medewerker tuinbouw voorkomende handelingstempo appellants belastbaarheid overschrijdt, nu dit de minst verdienende functie is en het afvallen van deze functie slechts tot gevolg zal hebben dat de mediane loonwaarde van de functies stijgt waardoor, afgezet tegen het voor appellant geldende maatmaninkomen, de mate van arbeidsongeschiktheid alleen maar zal dalen.

5.4. Het vorengaande betekent dat het hoger beroep niet slaagt en dat de aangevallen uitspraak, voor zover aangevochten, moet worden bevestigd.

6. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep,

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak voor zover aangevochten.

Deze uitspraak is gedaan door J.P.M. Zeijen in tegenwoordigheid van D.E.P.M. Bary als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 5 november 2010.

(get.) J.P.M. Zeijen.

(get.) D.E.P.M. Bary.

NW