Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2010:BO3250

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
05-11-2010
Datum publicatie
09-11-2010
Zaaknummer
10-546 WIA
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Geen recht op WIA-uitkering ontstaan. In de FML zijn ten aanzien van de psychische belastbaarheid voldoende beperkingen opgenomen. De geschiktheid van de aan de schatting ten grondslag gelegde functies is voldoende toegelicht.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

10/546 WIA

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[Appellant], wonende te [woonplaats] (hierna: appellant),

tegen de uitspraak van de rechtbank 's-Gravenhage van 16 december 2009, 09/2684 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellant

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv).

Datum uitspraak: 5 november 2010

I. PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. R.G. Groen, advocaat te `s-Gravenhage, hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 8 oktober 2010.

Appellant is – met kennisgeving – niet verschenen. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door M.L.Turnhout.

II. OVERWEGINGEN

1. Appellant heeft zich vanuit een uitkeringssituatie op grond van de Werkloosheidswet op 15 november 2006 ziek gemeld met diverse lichamelijke en psychische klachten. Voorheen was appellant werkzaam als buurthuisbeheerder.

2. Appellant is in het kader van de beoordeling van zijn aanvraag om een uitkering op grond van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (Wet WIA) op 28 augustus 2008 onderzocht door de verzekeringsarts M. Bahrani. Deze stelde in een rapport van 16 september 2008 als diagnose agorafobie, chronisch aspecifieke rugpijn en duizeligheid en draaierigheid e.c.i.. Bahrani beschikte, naar de Raad uit het dossier opmaakt, over informatie van de behandelaar van GGZ Delfland van

6 juli 2007, de behandelend cardioloog van 29 januari 2007 en het journaal van de huisarts over de periode van

17 november 2006 tot 16 maart 2007. Bahrani achtte appellant aangewezen op rugsparend werk en legde voorts beperkingen op in verband met de duizeligheid. Een urenbeperking achtte Bahrani niet noodzakelijk omdat appellant geen structurele rust nodig had en niet leed aan aandoeningen die met een verlies aan energie gepaard gaan. Een en ander werd vastgelegd in een Functionele Mogelijkheden Lijst (FML). Bij het arbeidskundig onderzoek werd vervolgens na functieduiding vastgesteld dat van een verlies aan verdienvermogen geen sprake was. Hierna stelde het Uwv bij besluit van 3 oktober 2008 vast dat voor appellant met ingang van 12 november 2008 geen recht was ontstaan op een Wet WIA-uitkering.

3. In de bezwaarprocedure betrok de bezwaarverzekeringsarts M. Keus in zijn beoordeling door hem opgevraagde informatie van de psychotherapeut M.E. Akkermans van GGZ-Delfland van 9 februari 2009 en van de huisarts van 9 februari 2009. In zijn rapport van 23 februari 2009 vermeldde Keus de conclusie van Akkermans dat de angstklachten gedeeltelijk in remissie waren, dat appellant beperkt blijft functioneren en dat bij spanningen paniekklachten toenemen. Op basis van deze informatie stelde Keus vast dat in de FML ten aanzien van de psychische belastbaarheid meer beperkingen moesten worden opgenomen. Verder zag Keus geen aanwijzingen voor het bestaan van een lichamelijk ziektebeeld dat tot niet onderkende beperkingen moest leiden. Bij het stellen van de diagnose angststoornis, gedeeltelijk in remissie, wijzigde Keus de FML overeenkomstig zijn bevindingen. Vervolgens corrigeerde de bezwaararbeidsdeskundige R.J.C. Hogeveen in een rapport van 2 maart 2009 om reden van de aangepaste FML de functieduiding door het laten vervallen en het bijduiden van enkele functies en stelde Hogeveen vast dat ook dan van een verlies aan verdienvermogen geen sprake was. Hierna verklaarde het Uwv bij besluit van 4 maart 2009 het tegen het besluit van 3 oktober 2008 gemaakte bezwaar ongegrond.

4.1. De rechtbank verklaarde bij de aangevallen uitspraak het beroep van appellant tegen het besluit van 4 maart 2009 (hierna: het bestreden besluit) ongegrond.

4.2. De rechtbank onderschreef de medische grondslag van het bestreden besluit. Zij wees erop dat Keus de in bezwaar verkregen informatie van Akkermans in zijn beoordeling heeft betrokken en om reden van die informatie de FML heeft aangescherpt. De beroepsgrond dat het Uwv de expertise van de psychiater J. Groenendijk van 11 januari 2008, welke is uitgebracht in het kader van de ziektewetprocedure, niet in de beoordeling heeft betrokken, volgde de rechtbank niet. Verder zag de rechtbank, ondanks de gestelde slaapproblemen, geen reden voor twijfel aan de conclusie van Bahrani dat een urenbeperking niet nodig was.

4.3. Wat betreft de medische geschiktheid van de uiteindelijk aan appellant geduide functies oordeelde de rechtbank dat de signaleringen in het rapport van Hogeveen van 2 maart 2009 voldoende zijn toegelicht.

5. In hoger beroep heeft de gemachtigde van appellant de in eerdere fasen van de procedure voorgedragen gronden en argumenten in essentie herhaald. Deze komen er op neer dat volgens appellant zijn lichamelijke en psychische klachten onvoldoende zijn onderkend en dat ten onrechte geen urenbeperking is aangenomen.

6.1. De Raad heeft geen aanleiding gezien om over de medische grondslag van het bestreden anders te oordelen dan de rechtbank. Naast hetgeen de rechtbank ter zake heeft overwogen merkt de Raad nog op dat, afgaande op de beschikbare medische gegevens, het gevolg van de expertise van Groenendijk, welke Keus overigens blijkens zijn rapport mede in aanmerking heeft genomen, is geweest dat de behandeling van appellant bij Akkermans is voortgezet. Keus heeft dan ook wat betreft de psychische belastbaarheid van appellant niet ten onrechte met name de meer actuele informatie van Akkermans tot uitgangspunt genomen. Voorts valt uit het in de bezwaarprocedure overgelegde journaal van de huisarts niet af te leiden dat Keus de lichamelijke belastbaarheid van appellant heeft overschat. Wat betreft de gestelde slaapproblemen, welke overigens uit het journaal van de huisarts niet naar voren komen, ontbreken verdere gegevens, zodat er geen aanknopingspunten zijn in verband daarmede verdergaande beperkingen te stellen.

6.2. Wat betreft de medische geschiktheid van de uiteindelijk in de bezwaarprocedure aan de schatting ten grondslag gelegde functies, waartegen namens appellant geen afzonderlijke gronden zijn ingebracht, is ook de Raad van oordeel dat deze voldoende is toegelicht in het door de rechtbank vermelde rapport van Hogeveen.

6.3. De overwegingen 6.1 en 6.2 leiden de Raad tot de slotsom dat het hoger beroep niet slaagt en dat de aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

7. Voor een veroordeling van een partij in de proceskosten van een andere partij ziet de Raad ten slotte geen aanleiding.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep,

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door C.W.J. Schoor, in tegenwoordigheid van T.J. van der Torn als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 5 november 2010.