Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2010:BO3245

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
05-11-2010
Datum publicatie
09-11-2010
Zaaknummer
10-1089 WIA
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Weigering WIA-uitkering. De functionele mogelijkheden zijn juist vastgesteld. Niet is gebleken dat de belasting van de aan voorgehouden functies appellants mogelijkheden overschrijdt, zodat deze functies geschikt zijn. Een beoordeling als hier aan de orde heeft een retrospectief karakter. Dit hoeft echter, anders dan appellant kennelijk meent, geenszins met zich te brengen dat een dergelijke beoordeling niet zinvol zou kunnen zijn.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

10/1089 WIA

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[Appellant], wonende te [woonplaats] (hierna: appellant),

tegen de uitspraak van de rechtbank Rotterdam van 7 januari 2010, 09/1898 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen

appellant

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv).

Datum uitspraak: 5 november 2010

I. PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. J.P. Vandervoodt, advocaat te Rotterdam, hoger beroep ingesteld en vervolgens het beroepschrift aangevuld met nadere gronden.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 13 augustus 2010. Namens appellant is zijn gemachtigde mr. C. van de Kuilen verschenen. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door H. van Wijngaarden.

II. OVERWEGINGEN

1. De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.

1.1. In september 2007 heeft appellant bij het Uwv een aanvraag voor een uitkering ingevolge de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (hierna: WIA) ingediend. Bij besluit van 15 november 2007 heeft het Uwv geweigerd met ingang van 21 januari 2008 aan appellant een WIA-uitkering toe te kennen, omdat de mate van arbeidsongeschiktheid minder dan 35% bedraagt.

1.2. Bij besluit op bezwaar van 18 februari 2008 heeft het Uwv het bezwaar van appellant tegen het besluit 15 november 2007 ongegrond verklaard.

1.3. De rechtbank heeft bij uitspraak van 9 september 2008 het beroep van appellant gegrond verklaard en het besluit op bezwaar van 18 februari 2008 vernietigd. Daarbij heeft de rechtbank overwogen dat het verzekeringsgeneeskundig onderzoek is ingesteld door een verzekeringsarts in opleiding en derhalve niet door een geregistreerde verzekeringsarts. Nu de bezwaarverzekeringsarts, als geregistreerde verzekeringsarts, appellant niet lichamelijk heeft onderzocht en voorts niet onderbouwd heeft aangegeven waarom een dergelijk onderzoek niet geboden was, is de kwaliteit van het primaire verzekeringsgeneeskundig onderzoek onvoldoende gewaarborgd. Voorts heeft de rechtbank overwogen dat de Functionele Mogelijkhedenlijst (FML) op sommige aspecten niet voldoet aan de door de Raad gestelde criteria van inzichtelijkheid en toetsbaarheid. Het Uwv is opgedragen een nieuw besluit te nemen met inachtneming van hetgeen door de rechtbank is overwogen.

1.4. Ter uitvoering van de uitspraak van de rechtbank heeft het Uwv appellant opgeroepen voor een hoorzitting. Namens appellant heeft zijn toenmalige gemachtigde hierop te kennen gegeven dat appellant zijn bezwaar niet mondeling wil toelichten en geen persoonlijk contact wenst met de bezwaarverzekeringsarts.

1.5. De bezwaarverzekeringsarts heeft vervolgens een nader onderzoek op grond van de aanwezige dossierstukken verricht. Haar conclusie is dat het primaire medische onderzoek voldoende uitgebreid is geweest, dat de FML geen beperkende toelichtingen bevat en dat de mogelijkheden en beperkingen van appellant per 21 januari 2008 geheel juist zijn weergegeven. Vervolgens heeft de bezwaararbeidsdeskundige in zijn rapportage van 4 mei 2009 een nadere beoordeling gegeven van signaleringen in de eerder geduide functies. Hij acht alle geduide functies geschikt voor appellant en ziet geen redenen om van het primaire oordeel af te wijken.

1.6. Bij besluit op bezwaar van 5 mei 2009 heeft het Uwv wederom de mate van arbeidsongeschiktheid van appellant vastgesteld op minder dan 35% en daarmee een WIA-uitkering geweigerd.

2. De rechtbank heeft in de aangevallen uitspraak het beroep van appellant tegen het besluit op bezwaar van 5 mei 2009 ongegrond verklaard en daarbij het volgende overwogen, waarbij appellant is aangeduid als eiser en het Uwv als verweerder:

“Beoordeeld dient te worden of verweerder de mate van arbeidsongeschiktheid terecht heeft vastgesteld op minder dan 35%. Daarbij dient de rechtbank te toetsen of verweerder de medische beperkingen correct heeft vastgesteld en of eiser, rekening houdend met zijn vastgestelde beperkingen, in staat is met gangbare arbeid ten minste 65% te verdienen van het maatmaninkomen per uur.

De bezwaarverzekeringsarts heeft de in het dossier reeds aanwezige informatie van de behandelend sector meegewogen alsmede een brief van eisers huisarts van 11 februari 2008. Hetgeen eiser – in beroep en ter zitting – heeft aangevoerd geeft geen reden de zorgvuldigheid van dit onderzoek dan wel de juistheid van het medisch oordeel dat aan het bestreden besluit ten grondslag ligt in twijfel te trekken. Anders dan eiser meent, is de rechtbank van oordeel dat verweerder niet kan worden verweten dat eiser niet – na het onderzoek door een verzekeringsarts in opleiding – alsnog door een (bezwaar)verzekeringsarts is onderzocht, nu verweerder in het bestreden besluit een nadere toelichting omtrent de feitelijke gang van zaken heeft gegeven, die onbestreden is gebleven. De rechtbank gaat dan ook uit van de juistheid van deze feitelijke gang van zaken, hetgeen ertoe leidt dat het eiser kan worden verweten dat geen nader (medisch) onderzoek in bezwaar heeft kunnen plaatsvinden. Gelet hierop kan niet worden geconcludeerd dat verweerder de gezondheidsklachten van eiser onvoldoende heeft onderkend. Eiser heeft geen medische stukken ingediend die aanleiding geven tot twijfel aan de conclusies van het medisch onderzoek. Zo heeft eiser zijn stelling – althans zo begrijpt de rechtbank deze – dat hij als gevolg van medische klachten ernstiger is beperkt dan de verzekeringsarts in opleiding in de FML van 17 oktober 2007 heeft vastgesteld niet met objectiveerbare medische gegevens onderbouwd. Ook ten aanzien van de gestelde klachten aan beide armen heeft eiser geen nadere medische informatie ingezonden, zodat het ervoor moet worden gehouden dat deze klachten zijn ontstaan na de datum in geding, 21 januari 2008.

Uit het voorgaande volgt dat verweerder de functionele mogelijkheden van eiser juist heeft vastgesteld. Niet is gebleken dat de belasting van de aan eiser voorgehouden functies zijn mogelijkheden overschrijdt, zodat deze functies voor eiser geschikt zijn.

Vergelijking van het inkomen dat eiser in de voorgehouden functies zou kunnen verdienen met het inkomen dat hij in zijn eigen werk kan verdienen leidt tot de conclusie dat eiser in staat is met gangbare arbeid ten minste 65% te verdienen van het maatmaninkomen per uur. Er is derhalve geen sprake van verlies aan verdienvermogen.

Hieruit volgt dat verweerder terecht met ingang van 21 januari 2008 de mate van arbeidsongeschiktheid van eiser op minder dan 35% heeft vastgesteld. Het beroep dient daarom ongegrond te worden verklaard.”

3. In hoger beroep is namens appellant -opnieuw- naar voren gebracht dat het Uwv zijn functionele mogelijkheden onjuist heeft vastgesteld. Ten aanzien van het verwijt dat door toedoen van appellant geen nader medisch onderzoek heeft kunnen plaatsvinden wordt aangevoerd, dat er voor een dergelijk onderzoek geen grond zou zijn nu dit onderzoek in 2009 retrospectief van aard zou zijn geweest.

4. De Raad overweegt als volgt.

4.1. De Raad kan zich geheel vinden in het onder 2 weergegeven oordeel van de rechtbank en de daaraan ten grondslag gelegde overwegingen. Naar aanleiding van hetgeen namens appellant in hoger beroep is aangevoerd over de onmogelijkheid om zijn gezondheidstoestand op de datum in geding te beoordelen, merkt de Raad op dat een beoordeling als hier aan de orde nu eenmaal een retrospectief karakter heeft. Dit hoeft echter, anders dan appellant kennelijk meent, geenszins met zich te brengen dat een dergelijke beoordeling niet zinvol zou kunnen zijn.

4.2. Uit het vorenstaande vloeit voort dat het hoger beroep niet slaagt, zodat de aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

5. De Raad ziet geen aanleiding voor een veroordeling in de proceskosten.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door J.W. Schuttel, in tegenwoordigheid van M.A. van Amerongen als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 5 november 2010.

(get.) J.W. Schuttel.

(get.) M.A. van Amerongen.

NK