Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2010:BO3238

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
02-11-2010
Datum publicatie
08-11-2010
Zaaknummer
08-2782 WWB
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Koppelingswet. Pardonregeling. Intrekking en terugvordering bijstand. Geen schending inlichtingenverplichting. Niet kan worden vastgesteld dat appellant geen melding heeft gemaakt van de uitspraak van de ABRvS van 9 december 2005 mbt zijn verblijfsrechtelijke positie. Instandlating rechtsgevolgen. Appellant heeft ten onrechte bijstand ontvangen. De Raad stelt vast dat appellant in de periode van 7 februari 2007 tot 15 juni 2007, de datum met ingang waarvan aan hem een vergunning tot verblijf op grond van de pardonregeling is verleend, een vreemdeling was (...) en derhalve (...) niet met een Nederlander gelijk kon worden gesteld, zodat hij gedurende deze periode geen recht had op bijstand. Het College heeft dan ook terecht eerst met ingang van 15 juni 2007 aan appellant weer bijstand toegekend.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JWWB 2011/10
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

08/2782 WWB

08/2831 WWB

08/5670 WWB

10/1804 WWB

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op de hoger beroepen van:

[Appellant], wonende te [woonplaats] (hierna: appellant),

tegen de uitspraken van de rechtbank Rotterdam van 31 maart 2008, 07/2133 en 07/3083 (hierna: aangevallen uitspraak 1) en van 12 augustus 2008, 08/274 (hierna: aangevallen uitspraak 2),

in de gedingen tussen:

appellant

en

het College van burgemeester en wethouders van de gemeente Rotterdam (hierna: College)

Datum uitspraak: 2 november 2010

I. PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. W.H. van Zundert, advocaat te Rotterdam, hoger beroep ingesteld.

Het College heeft een tweetal verweerschriften ingediend.

Namens appellant zijn nadere stukken ingediend.

Het onderzoek ter zitting in beide zaken heeft plaatsgevonden op 31 augustus 2010. Voor appellant is verschenen mr. Van Zundert. Het College heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. D. Cevik, werkzaam bij de gemeente Rotterdam.

II. OVERWEGINGEN

1. De Raad gaat, voor zover thans nog van belang, uit van de volgende feiten en omstandigheden. Voor een weergave van de van toepassing zijnde wetgeving verwijst de Raad naar de aangevallen uitspraak 1.

1.1. Appellant, in het bezit van de Chinese nationaliteit, heeft op 16 juli 1997 een aanvraag ingediend om een vergunning tot verblijf met als doel "klemmende redenen van humanitaire aard". De Minister voor Vreemdelingenzaken en Integratie (hierna: de Minister) heeft het bezwaar tegen de afwijzing van deze aanvraag bij besluit van 4 oktober 2001 ongegrond verklaard. De rechtbank 's-Gravenhage heeft het beroep tegen het besluit van 4 oktober 2001 bij uitspraak van

31 maart 2003 gegrond verklaard en de Minister opgedragen een nieuw besluit te nemen. Bij besluit van 26 juni 2003 heeft de Minister opnieuw op het bezwaar tegen de weigering van een verblijfsvergunning wegens klemmende redenen van humanitaire aard beslist en het bezwaar wederom ongegrond verklaard. Bij uitspraak van 31 mei 2005 heeft de rechtbank 's-Gravenhage het beroep tegen het besluit van 26 juni 2003 ongegrond verklaard. Bij uitspraak van 9 december 2005 heeft de Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State (ABRvS) zich onbevoegd verklaard om van het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank kennis te nemen.

1.2. Appellant ontving vanaf 19 maart 1998 bijstand naar de norm voor een alleenstaande, laatstelijk op grond van de Wet werk en bijstand (WWB). Aan de bijstand was de verplichting verbonden dat appellant het College op de hoogte diende te houden van de stand van zaken van de procedure over zijn verblijfsstatus. Bij besluit van 24 januari 2007 heeft het College het recht op bijstand met ingang van 1 februari 2007 opgeschort, omdat in de gemeentelijke basisadministratie (hierna: GBA) stond geregistreerd dat appellant geen verblijfstitel (meer) had (GBA-code 98). Op grond van informatie van de Immigratie-en Naturalisatiedienst (IND) van 7 februari 2007, dat met de uitspraak van de ABRvS van 9 december 2005 onherroepelijk over de verblijfsstatus van appellant was beslist, heeft het College vervolgens de bijstand van appellant bij besluit van 15 maart 2007 met toepassing van artikel 54, derde lid, aanhef en onder a, van de WWB ingetrokken met ingang van 9 december 2005 en de over de periode van 9 december 2005 tot en met 31 januari 2007 gemaakte kosten van bijstand tot een bedrag van in totaal € 11.450,20 van hem teruggevorderd met toepassing van artikel 58, eerste lid, aanhef en onder a, van de WWB.

1.3. Op 7 februari 2007 heeft appellant de Minister verzocht om - onder meer - zijn besluiten van 4 oktober 2001 en van

26 juni 2003 te herzien. Op 8 februari 2007 heeft appellant bij de Minister een verzoek om toepassing van de zogeheten pardonregeling ingediend. Blijkens informatie van de IND mocht appellant de behandeling van deze verzoeken in Nederland afwachten en verbleef hij vanaf 7 februari 2007 op grond van artikel 8, aanhef en onderdelen f en h, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw 2000) rechtmatig in Nederland (GBA-code 31 en 32).

1.4. Bij besluit van 22 mei 2007 heeft het College het bezwaar tegen het opschortingsbesluit van 24 januari 2007 ongegrond verklaard.

1.5. Bij besluit van 10 juli 2007 heeft het College het bezwaar tegen het intrekkings- en terugvorderingsbesluit van

15 maart 2007 ongegrond verklaard. Aan de besluitvorming is ten grondslag gelegd dat uit vaste jurisprudentie van de Raad (bijvoorbeeld de uitspraak van 31 augustus 2004, LJN AQ8862) volgt dat voor degenen aan wie - zoals aan appellant - bijstand is toegekend op grond van de Algemene bijstandswet (Abw) zoals die gold tot 1 juli 1998 de Koppelingswet van kracht wordt vanaf het moment dat sprake is van een definitieve afwijzende beslissing op een verzoek om toelating. De aanvraag van appellant om een verblijfsvergunning is met de uitspraak van 9 december 2005 van de ABRvS definitief afgewezen, zodat de Koppelingswet vanaf die datum ook op hem van toepassing is. Appellant heeft in strijd met de ingevolge artikel 17, eerste lid, van de WWB op hem rustende inlichtingenverplichting en de aan de bijstand verbonden voorwaarde, geen melding gemaakt van de uitspraak van de ABRvS van 9 december 2005. Appellant kan niet op grond van artikel 11, tweede lid, van de WWB, bezien in samenhang met artikel 8, aanhef en onderdelen a tot en met e en l, van de Vw 2000 of op grond van artikel 11, derde lid, van de WWB met een Nederlander worden gelijkgesteld. Ook niet op 15 maart 2007, de datum waarop het primaire besluit werd genomen. Naar aanleiding van de bij de hoorzitting door appellant naar voren gebrachte stelling dat hij tijdens het jaarlijkse gesprek, dat plaatsvond in januari 2006 met de heer Por, melding heeft gemaakt van de uitspraak van de ABRvS van 9 december 2005, heeft het College overwogen dat uit onderzoek is gebleken dat er in 2006 geen herbeoordelingsgesprek heeft plaatsgevonden.

1.6. In verband met zijn rechtmatig verblijf in Nederland als bedoeld in artikel 8, aanhef en onderdelen f en h, van de Vw 2000 vanaf 7 februari 2007 heeft appellant op 8 juni 2007 een zogeheten W-documentpasje ontvangen. Dit is een Nederlands identiteits-document voor asielzoekers die geen verblijfsvergunning hebben, maar de beslissing op een aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning of de procedure daarover in Nederland mogen afwachten. Met ingang van 15 juni 2007 is aan appellant een verblijfsvergunning verleend op grond van de pardonregeling.

1.7. In verband met de ontvangst van het W-documentpasje heeft appellant op 8 juni 2007 een aanvraag om bijstand ingediend. Bij besluit van 24 september 2007, gehandhaafd bij besluit van 5 december 2007, heeft het College aan appellant met ingang van 15 juni 2007 bijstand toegekend. Hieraan ligt ten grondslag dat appellant sinds 15 juni 2007 op grond van de pardonregeling beschikt over een verblijfsvergunning als bedoeld in artikel 8, onderdeel a, van de Vw 2000 en derhalve op grond van artikel 11, tweede lid, van de WWB gelijk wordt gesteld met een Nederlander, zodat hij vanaf die datum in aanmerking komt voor bijstand. Het College ziet geen aanleiding om appellant vóór 15 juni 2007 bijstand toe te kennen.

2. Bij de aangevallen uitspraak 1 heeft de rechtbank het beroep tegen het besluit van 22 mei 2007 niet-ontvankelijk verklaard en het beroep tegen het besluit van 10 juli 2007 ongegrond verklaard. Bij de aangevallen uitspraak 2 heeft de rechtbank, voor zover hier van belang, het beroep gericht tegen de ingangsdatum van de bijstand ongegrond verklaard.

3. Appellant heeft zich in hoger beroep gekeerd tegen de aangevallen uitspraak 1, voor zover daarbij het beroep tegen het intrekkings- en terugvorderingsbesluit van 10 juli 2007 ongegrond is verklaard, en tegen de aangevallen uitspraak 2, voor zover daarbij het beroep gericht tegen de ingangsdatum van de bijstand ongegrond is verklaard. Hij is van mening dat, gelet op zijn herzieningsverzoek van 7 februari 2007, niet kan worden gezegd dat met de uitspraak van de ABRvS van 9 december 2005 definitief over zijn toelating is beslist, zodat zijn vóór 1 juli 1998 met toepassing van de Abw toegekende recht op bijstand is blijven voortbestaan. Appellant heeft verder het vanaf de hoorzitting in bezwaar naar voren gebrachte standpunt, dat hij zijn consulent, de heer Por, bij een beoordelingsgesprek in januari 2006 heeft geïnformeerd over de uitspraak van de ABRvS van 9 december 2005, onderbouwd door de uitnodiging te overleggen voor een gesprek met S. Por op

11 januari 2006 over de stand van zaken rond zijn verblijfsvergunning.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1. De intrekking en de terugvordering

4.1.1. De Raad stelt vast dat het College de intrekking niet heeft beperkt tot een bepaalde periode. Volgens vaste rechtspraak van de Raad - zie onder meer de uitspraak van 18 juli 2006 (LJN AY5142) - bestrijkt de beoordeling door de bestuursrechter in een dergelijk geval de periode vanaf de datum met ingang waarvan de bijstand is ingetrokken tot en met de datum van het primaire intrekkingsbesluit. Het voorgaande betekent dat hier beoordeeld dient worden de periode van 9 december 2005 tot en met 15 maart 2007.

4.1.2. Naar aanleiding van de stelling van appellant dat zijn met toepassing van de Abw vóór 1 juli 1998 toegekende recht op bijstand is blijven voortbestaan, overweegt de Raad - onder verwijzing naar zijn onder 1.5 genoemde uitspraak - dat er alleen gedurende een al lopende aanvraag, bezwaar- of beroepsprocedure onvoldoende grond aanwezig is om een vóór

1 juli 1998 verworven rechtspositie te beëindigen. Dit wordt anders zodra sprake is van een definitieve beslissing om toelating. Evenals het College en de rechtbank is de Raad van oordeel dat met de uitspraak van de ABRvS van 9 december 2005 een definitieve beslissing is gegeven over het toelatingsverzoek van appellant uit 1997.

Het ingediende herzieningsverzoek maakt dit niet anders. Dit verzoek is immers pas ingediend toen al sprake was van een onherroepelijke beslissing. Dit betekent dat de koppelingswetgeving zoals die onder meer in de WWB is opgenomen vanaf 9 december 2005 ook op appellant van toepassing is.

4.1.3. De Raad stelt vast dat appellant in de hier ter beoordeling voorliggende periode niet op grond van artikel 11, tweede lid, van de WWB, bezien in samenhang met artikel 8, aanhef en onderdelen a tot en met e en l, van de Vw 2000 met een Nederlander gelijk kan worden gesteld. Hij heeft nimmer een verblijfsvergunning gehad, is geen gemeenschapsonderdaan en ontleent ook geen verblijfsrecht aan Associatiebesluit 1/80 van de Associatieraad EEG/Turkije. Evenmin kan appellant op grond van artikel 11, derde lid, van de WWB in verbinding met artikel 1, eerste lid, van het Besluit gelijkstelling vreemdelingen WWB, IOAW, IOAZ, WVG en WIK met een Nederlander worden gelijkgesteld. Dit geldt ook voor de periode vanaf 7 februari 2007, toen appellant weliswaar rechtmatig in Nederland verbleef op grond van artikel 8, aanhef en onderdelen f en h, van de Vw 2000, maar niet op grond van (een van de) onderdelen a tot en met e en l, van dit artikel.

4.1.4. Uit het onder 4.1.2 en 4.1.3 overwogene volgt dat appellant over de periode van 9 december 2005 tot en met

31 januari 2007 ten onrechte bijstand heeft ontvangen. Anders dan het College is de Raad evenwel van oordeel dat niet kan worden vastgesteld dat appellant geen melding heeft gemaakt van de uitspraak van de ABRvS van 9 december 2005. Ter zitting is namens het College naar aanleiding van de door appellant overgelegde uitnodiging voor een gesprek op

11 januari 2006 erkend dat in 2006 een gesprek heeft plaatsgehad. Van dit gesprek was echter geen verslag terug te vinden. Naar het oordeel van de Raad dient het risico van het ontbreken van een gespreksverslag in de gegeven omstandigheden voor rekening van het College te komen en moet het er voor worden gehouden dat appellant, zoals hij steeds heeft gesteld, in januari 2006 inzicht heeft gegeven in zijn verblijfsrechtelijke positie, zodat geen sprake is van schending van de inlichtingenverplichting. Dit betekent dat aan de intrekking ten onrechte artikel 54, derde lid, aanhef en onder a, van de WWB ten grondslag is gelegd, zodat het besluit van 10 juli 2007 voor zover dat ziet op de intrekking wegens strijd met de wet dient te worden vernietigd. Om die reden kan ook de aangevallen uitspraak 1, voor zover aangevochten, niet in stand blijven.

4.1.5. De Raad ziet aanleiding om de rechtsgevolgen van het te vernietigen gedeelte van het besluit in stand te laten. Hij overweegt daartoe als volgt. Artikel 54, derde lid, aanhef en onder b, van de WWB geeft het College de bevoegdheid om de bijstand in te trekken indien anderszins de bijstand ten onrechte of tot een te hoog bedrag is verleend.

Gelet op hetgeen onder 4.1.4 is overwogen, is de Raad van oordeel dat aan de voorwaarden voor toepassing van deze bepaling is voldaan, zodat het College bevoegd was tot intrekking van de bijstand met ingang van 9 december 2005. Het gebruik maken van die bevoegdheid zou in overeenstemming zijn met het door het College ter zake van intrekking gehanteerde beleid. In hetgeen appellant heeft aangevoerd ziet de Raad geen bijzondere omstandigheden op grond waarvan het College van dit beleid zou moeten afwijken.

4.1.6. Uit hetgeen in 4.1.5 is overwogen vloeit voort dat is voldaan aan de voorwaarden voor toepassing van artikel 58, eerste lid, aanhef en onder a, van de WWB, zodat het College bevoegd was om de kosten van bijstand terug te vorderen voor zover deze ten onrechte zijn verleend. Het College voert het beleid om in alle gevallen waarin de WWB daartoe de bevoegdheid geeft kosten van bijstand terug te vorderen, tenzij sprake is van een kruimelbedrag of van dringende redenen om van terugvordering af te zien. Daarbij wordt geen onderscheid gemaakt tussen fraudevorderingen en vorderingen die niet het gevolg zijn van schending van de inlichtingenverplichting. In hetgeen appellant heeft aangevoerd ziet de Raad geen dringende redenen om van terugvordering af te zien.

Dit betekent dat het College heeft gehandeld in overeenstemming met het ter zake van terugvordering gevoerde beleid. In de omstandigheid dat er vanuit moet worden gegaan dat appellant het College tijdig op de hoogte heeft gesteld van de uitspraak van de ABRvS van 9 december 2005 ziet de Raad geen grond voor het oordeel dat met toepassing van artikel 4:84 (slot) van de Awb in afwijking van het beleid geheel of gedeeltelijk van terugvordering moet worden afgezien. Het had appellant immers redelijkerwijs duidelijk kunnen zijn dat deze uitspraak over zijn verblijfsstatus gevolgen kon hebben voor zijn recht op bijstand.

4.2. De ingangsdatum van de toegekende bijstand

4.2.1. Ingevolge artikel 44, eerste lid, van de WWB wordt, indien door het college is vastgesteld dat recht op bijstand bestaat, de bijstand toegekend vanaf de dag waarop dit recht is ontstaan, voor zover deze dag niet ligt voor de dag waarop de belanghebbende zich heeft gemeld om bijstand aan te vragen.

4.2.2. Appellant heeft zich op 8 juni 2007 gemeld om bijstand aan te vragen, die het College hem met ingang van

15 juni 2007 heeft toegekend. De Raad stelt vast dat appellant in de periode van 7 februari 2007 tot 15 juni 2007, de datum met ingang waarvan aan hem een vergunning tot verblijf op grond van de pardonregeling is verleend, een vreemdeling was als bedoeld in artikel 8, aanhef en onderdelen f en h, van de Vw 2000 en derhalve gelet op het bepaalde in artikel 11, tweede en derde lid, van de WWB niet met een Nederlander gelijk kon worden gesteld, zodat hij gedurende deze periode geen recht had op bijstand. Het College heeft dan ook terecht eerst met ingang van 15 juni 2007 aan appellant weer bijstand toegekend.

4.2.3. Uit het onder 4.2.1 en 4.2.2 overwogene volgt dat de aangevallen uitspraak 2 voor bevestiging in aanmerking komt.

5. De Raad ziet aanleiding om het College te veroordelen in de proceskosten van appellant. Deze kosten worden begroot op € 644,-- in beroep en op € 644,-- in hoger beroep voor verleende rechtsbijstand.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Vernietigt aangevallen uitspraak 1, voor zover aangevochten;

Verklaart het beroep gegrond;

Vernietigt het besluit van 10 juli 2007, voor zover dat ziet op de intrekking;

Bepaalt dat de rechtsgevolgen van het vernietigde gedeelte van het besluit in stand blijven;

Bevestigt aangevallen uitspraak 2;

Veroordeelt het College in de proceskosten van appellant tot een bedrag van € 1.288,--, te betalen aan de griffier van de Raad;

Bepaalt dat het College aan appellant het in beroep en in hoger beroep betaalde griffierecht van in totaal € 146,-- vergoedt.

Deze uitspraak is gedaan door J.J.A. Kooijman als voorzitter en A.B.J. van der Ham en J.N.A. Bootsma als leden, in tegenwoordigheid van C. de Blaeij als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 2 november 2010.

(get.) J.J.A. Kooijman.

(get.) C. de Blaeij.

RB