Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2010:BO3235

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
29-10-2010
Datum publicatie
08-11-2010
Zaaknummer
10-1186 WAO
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Herziening WAO-uitkering. De stelling van Hertroijs dat er bij appellante op de in geding zijnde datum sprake was van een ongedifferentieerde somatoforme stoornis en zij toentertijd dus geen duurzaam benutbare mogelijkheden had, acht de Raad onvoldoende gemotiveerd. Juiste FML. De Raad ziet geen aanleiding een onafhankelijke deskundige in te schakelen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

10/1186 WAO

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[Appellante], wonende te [woonplaats] (hierna: appellante),

tegen de uitspraak van de rechtbank ’s-Gravenhage van 20 januari 2010, 08/9129

(hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellante

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv).

Datum uitspraak:29 oktober 2010

I. PROCESVERLOOP

Namens appellante heeft H.J.A. Aerts, werkzaam bij Delescen Advocaten te Roermond, hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 17 september 2010. Appellante is verschenen, bijgestaan door Aerts. Voor het Uwv is verschenen A.W.G. Determan.

II. OVERWEGINGEN

1. Bij besluit van 8 september 2008 heeft het Uwv de mate waarnaar aan appellante WAO-uitkering was toegekend per 5 november 2008 herzien van 80% of meer naar 35 tot 45%.

2. Bij besluit van 19 november 2008 heeft het Uwv het bezwaar tegen het besluit van

4 september 2008 ongegrond verklaard.

3. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het besluit van

19 november 2008 ongegrond verklaard.

4. Appellante heeft zich hier niet mee kunnen verenigen en heeft in hoger beroep - kort samengevat - herhaald dat de door haar in beroep geraadpleegde psychiater A.R. Hertroijs de diagnose ongedifferentieerde somatoforme stoornis heeft gesteld. Ook heeft hij aangegeven dat appellante op de datum in geding geen duurzaam benutbare mogelijkheden had. Deze gegevens heeft de bezwaarverzekeringsarts ten onrechte en ongemotiveerd naast zich neergelegd.

5.1. Naar het oordeel van de Raad heeft de rechtbank op juiste wijze besproken en ook op juiste wijze uiteengezet waarom het besluit van 19 november 2008 de rechterlijke toets kan doorstaan. Appellante heeft in hoger beroep geen wezenlijk andere gronden naar voren gebracht dan in beroep. Evenmin heeft zij aangegeven waarom het oordeel van de rechtbank over hetgeen zij in beroep heeft aangevoerd, waaronder haar commentaar op het niet volgen van Hertroijs, naar haar mening onjuist is. De Raad verwijst naar de overwegingen van de rechtbank en maakt deze tot de zijne. De Raad voegt hier nog aan toe dat een diagnose op zichzelf geen beperkingen met zich brengt, in ieder afzonderlijk geval moet de belastbaarheid vastgesteld worden. Met de door Hertroijs gestelde diagnose is dat niet anders. De stelling van Hertroijs dat er bij appellante op de in geding zijnde datum sprake was van een ongedifferentieerde somatoforme stoornis en zij toentertijd dus geen duurzaam benutbare mogelijkheden had, acht de Raad onvoldoende gemotiveerd. Nu er geen medische, objectieve stukken zijn waaruit blijkt dat appellante meer of anders beperkt is dan is aangenomen in de FML, dan wel dat zij geen duurzaam benutbare mogelijkheden had op de datum in geding, kan appellante in haar standpunt niet gevolgd worden. In de in hoger beroep ingebrachte brieven van appellantes huisarts van 6 juli 2010, cardioloog i.o. L. Antoni van

16 augustus 2010 en huisarts i.o. C. Smeenk van 25 augustus 2010 ziet de Raad evenmin aanleiding tot twijfel aan de juistheid van de FML. Deze stukken hebben geen betrekking op de datum in geding en bevatten ook geen objectieve, medische gegevens die nog niet bekend waren.

5.2. Uit hetgeen hiervoor is overwogen volgt dat de Raad geen aanleiding ziet een onafhankelijke deskundige in te schakelen.

6. Het vorengaande betekent dat het hoger beroep niet slaagt en dat bijgevolg de aangevallen uitspraak moet worden bevestigd.

7. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep,

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door G. van der Wiel als voorzitter en G.J.H. Doornewaard en J. Brand als leden, in tegenwoordigheid van M.A. van Amerongen als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 29 oktober 2010.

(get.) G. van der Wiel.

(get.) M.A. van Amerongen.

IvR