Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2010:BO3234

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
05-11-2010
Datum publicatie
08-11-2010
Zaaknummer
10-768 WAO
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Intrekking WAO-uitkering. De medische situatie van appellant is sinds 19 november 2006 niet gewijzigd. Geen reden om af te wijken van het primaire oordeel. Geen argumenten voor een medische urenbeperking. In hoger beroep zijn geen medische verklaringen ingediend, die duiden op een verslechtering van de medische situatie van appellant op 22 februari 2007 ten opzichte van die van 19 november 2006. Medische situatie van appellant is juist beoordeeld.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

10/768 WAO

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[Appellant], wonende te [woonplaats] (hierna: appellant),

tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 24 december 2009, 08/1034 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellant

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv).

Datum uitspraak: 5 november 2010

I. PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. J.A.K. Kuipers, werkzaam bij FNV Bondgenoten, hoger beroep ingesteld en naderhand de gronden van het hoger beroep ingezonden.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Het geding is ter behandeling aan de orde gesteld ter zitting van de Raad op 24 september 2010 waar partijen, zoals tevoren was bericht, niet zijn verschenen.

II. OVERWEGINGEN

1.1. Voor een uitvoerige weergave van de voor dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden verwijst de Raad naar de aangevallen uitspraak. De Raad volstaat met het volgende.

1.2. Bij besluit van 18 september 2006 heeft het Uwv de aan appellant toegekende uitkering krachtens de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO), welke werd berekend naar een mate van 45 tot 55%, met ingang van 19 november 2006 ingetrokken op de grond dat de mate van arbeidsongeschiktheid van appellant per die datum minder dan 15% was. Het Uwv heeft het bezwaar tegen dit besluit bij besluit van 25 januari 2007 ongegrond verklaard. Vervolgens heeft de rechtbank bij uitspraak van 3 december 2007 (07/405) het beroep tegen het besluit van 25 januari 2007 ongegrond verklaard.

1.3. Bij besluit van 22 februari 2008 (hierna: bestreden besluit) heeft het Uwv ongegrond verklaard het bezwaar van appellant tegen het besluit van 4 februari 2008, waarbij aan appellant is meegedeeld dat het Uwv de mate van zijn arbeidsongeschiktheid op basis van het oude Schattingsbesluit (oSB) per 22 februari 2007 onveranderd heeft vastgesteld op minder dan 15%.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard. De rechtbank heeft hiertoe overwogen dat bij de uitspraak van de rechtbank van 3 december 2007 geoordeeld is over de mate van arbeidsongeschiktheid per 19 november 2006. Nu tegen deze uitspraak geen hoger beroep is ingesteld staat deze uitspraak in rechte vast. De voorliggende arbeidsongeschiktheidsbeoordeling betreft die per 22 februari 2007. De vaststelling van de mate van arbeidsongeschiktheid per 19 november 2006 berust primair op het standpunt dat appellant in staat wordt geacht zijn eigen arbeid van administrateur in een volledige werkweek te verrichten. Het Uwv heeft, aldus de rechtbank, ook aan het thans bestreden besluit ten grondslag gelegd de geschiktheid voor de eigen arbeid. De rechtbank overweegt voorts dat wat betreft de geschiktheid voor de maatgevende arbeid de toepassing van het oSB per 22 februari 2007 geen verandering met zich heeft gebracht ten opzichte van een beoordeling met toepassing van het aangepaste Schattingsbesluit (aSB), zoals dat aan de beoordeling per 19 november 2006 ten grondslag heeft gelegen. Dit betekent volgens de rechtbank dat er slechts sprake kan zijn van een ander oordeel over de arbeidsongeschiktheid per 22 februari 2007 indien aannemelijk is dat de medische situatie van appellant per die datum is verslechterd en zijn arbeidsbeperkingen zijn toegenomen ten opzichte van 19 november 2006 dan wel dat de belasting van de eigen arbeid in die periode is gewijzigd. Daarvan is naar het oordeel van de rechtbank niet gebleken.

3. In hoger beroep is namens appellant aangevoerd dat de herbeoordeling voor de vaststelling van de mate van arbeidsongeschiktheid per 22 februari 2007 met toepassing van de oude soepelere regeling had moeten plaatsvinden, op basis waarvan appellant ook voorheen recht had op een uitkering naar de mate van 45 tot 55% en waarbij een urenbeperking is aangenomen. Voorts is aangevoerd dat de arbeidsongeschiktheid van appellant tussen 19 november 2006 en 22 februari 2007 wel degelijk is toegenomen. Aangegeven is dat getracht zal worden deze laatste stelling met medische informatie te ondersteunen.

4. De Raad overweegt als volgt.

4.1. Het Uwv heeft onderzoek gedaan naar de mate van arbeidsongeschiktheid van appellant per 22 februari 2007 op basis van het oude arbeidsongeschiktheidscriterium, zoals dat vóór 1 oktober 2004 van toepassing was. Het Uwv is ervan uit gegaan dat de medische situatie van appellant sinds 19 november 2006 niet is gewijzigd. Aan de beoordeling per 19 november 2006 heeft de rapportage van de verzekeringsarts van 25 augustus 2006 ten grondslag gelegen, waarna de belastbaarheid van appellant is vastgelegd in een Functionele Mogelijkhedenlijst. Het oordeel van de verzekeringsarts is bekrachtigd in een rapport van de bezwaarverzekeringsarts P.M. Cramer van 6 november 2006. Deze heeft voor zijn onderzoek het dossier van appellant bestudeerd en tijdens de hoorzitting op 6 november 2006 contact gehad met appellant, waarna een lichamelijk onderzoek heeft plaatsgevonden.

4.2. In bezwaar tegen het besluit van 4 februari 2008 heeft de bezwaarverzekeringsarts P. Eken de dossiergegevens bestudeerd en de hoorzitting bijgewoond. In haar rapport van 21 februari 2008 heeft Eken uitvoerig beredeneerd waarom er geen reden is af te wijken van het primaire oordeel. Tijdens de hoorzitting zijn er geen objectiveerbare aanwijzingen dat de medische situatie van appellant sinds augustus 2006, en ook niet op of na 22 februari 2007, is gewijzigd. Ook zijn er volgens de bezwaarverzekeringsarts geen argumenten voor een medische urenbeperking. Nu ook in hoger beroep geen medische verklaringen zijn ingediend, die duiden op een verslechtering van de medische situatie van appellant op 22 februari 2007 ten opzichte van die van 19 november 2006 ziet de Raad geen aanknopingspunten voor het oordeel dat de medische situatie van appellant niet juist is beoordeeld.

4.3. Uit het voorgaande volgt dat het hoger beroep niet slaagt en dat de aangevallen uitspraak bevestigd dient te worden.

5. De Raad ziet geen aanleiding voor een veroordeling in de proceskosten.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep,

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door J.P.M. Zeijen, in tegenwoordigheid van D.E.P.M. Bary als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 5 november 2010.

(get/) J.P.M. Zeijen.

(get.) D.E.P.M. Bary.

CVG