Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2010:BO3232

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
02-11-2010
Datum publicatie
08-11-2010
Zaaknummer
08-4672 WWB
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Afwijzing aanvraag en terugvordering voorschotten. Het College heeft op grond van de bevindingen van een onderzoek naar de woon- en leefsituatie van appellant (...) terecht het standpunt ingenomen dat appellant onvoldoende duidelijkheid heeft verschaft over zijn feitelijk woonadres. Recht op bijstand is niet vast te stellen. Uitgegaan wordt van de aanvankelijk tegenover de sociale recherche afgelegde en vervolgens ondertekende verklaring.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

08/4672 WWB

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[Appellant], wonende te [woonplaats] (hierna: appellant),

tegen de uitspraak van de rechtbank Maastricht van 2 juli 2008, 07/2101 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellant

en

het College van burgemeester en wethouders van de gemeente Maastricht (hierna: College)

Datum uitspraak: 2 november 2010

I. PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. F.Y. Gans, advocaat te Maastricht, hoger beroep ingesteld.

Het College heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 21 september 2010. Namens appellant is verschenen mr. Gans. Het College heeft zich laten vertegenwoordigen door P.H.J.M. Kalmar, werkzaam bij de gemeente Maastricht.

II. OVERWEGINGEN

1. De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.

1.1. Appellant heeft op 24 november 2006 een aanvraag om bijstand ingevolge de Wet werk en bijstand (WWB) ingediend.

1.2. Bij besluit van 22 februari 2007 heeft het College de aanvraag van appellant afgewezen en de betaalde voorschotten van € 150,-- teruggevorderd.

1.3. Bij besluit van 12 oktober 2007 heeft het College het bezwaar tegen het besluit van 22 februari 2007 ongegrond verklaard. Daarbij is overwogen dat appellant niet woonachtig is op het door hem op gegeven adres [Adres A] te [plaatsnaam]. Doordat de woonsituatie van appellant onduidelijk is gebleven, is niet vast te stellen of appellant recht op bijstand heeft.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep van appellant tegen het besluit van 12 oktober 2007 ongegrond verklaard.

3. Appellant heeft zich in hoger beroep gemotiveerd tegen deze uitspraak gekeerd.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1. Volgens vaste rechtspraak van de Raad bestrijkt de te beoordelen periode in een geval van een aanvraag om bijstand in beginsel de periode vanaf de datum van de aanvraag tot en met de datum van het primaire besluit. Het voorgaande betekent dat hier beoordeeld dient te worden de periode van 24 november 2006 tot en met 22 februari 2007.

4.2. De Raad stelt voorop dat voor de beoordeling van het recht op bijstand de woon- en leefsituatie van de aanvrager een essentieel gegeven vormt. Het is dan ook van belang dat de aanvrager juiste en volledige informatie verschaft omtrent zijn woonadres. Naar vaste rechtspraak van de Raad dient de vraag waar iemand woont te worden beantwoord aan de hand van de concrete feiten en omstandigheden.

4.3. De Raad is met de rechtbank van oordeel dat het College op grond van de bevindingen van een onderzoek naar de woon- en leefsituatie van appellant, zoals neergelegd in een rapport van 12 februari 2007, terecht het standpunt heeft ingenomen dat appellant onvoldoende duidelijkheid heeft verschaft over zijn feitelijk woonadres. Uit de bevindingen blijkt, onder meer, dat bij een op 10 januari 2007 afgelegd huisbezoek geen jas, schoeisel, sokken of ondergoed van appellant werden aangetroffen en dat appellant ten tijde van dit huisbezoek geen (eigen) (slaap-)kamer had op de [Adres A]. Verder heeft een van de bewoners op dit adres, [naam B.] (hierna: [naam B.]) tijdens een huisbezoek op 6 februari 2007 verklaard dat hij wist dat appellant op de [Adres A] stond ingeschreven, maar dat appellant daar niet woont, geen sleutel meer van de woning heeft en daar geen kamer heeft. Voorts hebben twee buren van de (ex-)vriendin van appellant, die woont aan de [adres B] te [plaatsnaam], op 6 februari 2007 verklaard dat op huisnummer [nummer] een man, vrouw en een kindje wonen. Een van de buren heeft verklaard dat deze man [naam] heet en de andere buurvrouw herkende appellant van een foto.

4.4. Op grond van het voorgaande komt de Raad tot de conclusie dat appellant in strijd met de ingevolge artikel 17, eerste lid, van de WWB op hem rustende inlichtingenverplichting onvoldoende duidelijkheid heeft verschaft omtrent zijn woonsituatie en dat als gevolg daarvan zijn recht op bijstand, ten tijde in geding, niet kan worden vastgesteld. Dit betekent dat het College de afwijzing van de aanvraag van 24 november 2006 terecht heeft gehandhaafd en dat het College op grond van artikel 58, eerste lid, aanhef en onder d, van de WWB bevoegd was het verleende voorschot van appellant terug te vorderen.

4.5. Appellant stelt dat, nu het rapport van 12 februari 2007 niet op ambtseed is opgemaakt, aan de daarin opgenomen verklaringen van [naam B.] en van de buren aan de [adres B] evenveel gewicht moet worden toegekend als aan de later afgelegde verklaringen van [naam B.] van 24 juni 2007 en 27 juni 2008 en de verklaring van [naam C.] - woonachtig op de [Adres A] - van 24 juni 2007, inhoudende dat appellant wel op het opgegeven adres woonde.

4.5.1. De Raad kan appellant in die stelling niet volgen. Volgens vaste rechtspraak van deze Raad mag, ook indien later van een afgelegde verklaring wordt teruggekomen, in het algemeen worden uitgegaan van de juistheid van de aanvankelijk tegenover de sociale recherche afgelegde en vervolgens ondertekende verklaring, tenzij sprake is van zodanige bijzondere omstandigheden dat op dit algemene uitgangspunt een uitzondering moet worden gemaakt. Daarvan is in dit geval geen sprake. De eerste verklaring van [naam B.] vindt steun in andere objectieve gegevens zoals de aangetroffen situatie tijdens het huisbezoek van 10 januari 2007 en de verklaringen van de buren van de (ex-)vriendin van appellant.

4.5.2. De Raad merkt daarbij op dat door appellant niet is betwist dat [naam B.] en de buren van de [adres B] hebben verklaard zoals in het rapport van 12 februari 2007 is opgetekend. De Raad wijst in dit verband ook naar de in hoger beroep overgelegde handgeschreven en ondertekende verklaringen van [naam B.] en genoemde buren die letterlijk overeenkomen met de weergave van die verklaringen in het rapport. Verder wijst de Raad erop dat de bevindingen tijdens het huisbezoek op 10 januari 2007 evenmin zijn betwist.

4.6. Uit het voorgaande vloeit voort dat het hoger beroep niet slaagt en dat de aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

5. De Raad ziet geen aanleiding voor een veroordeling in de proceskosten.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door A.B.J. van der Ham, in tegenwoordigheid van J. de Jong als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 2 november 2010.

(get.) A.B.J. van der Ham.

(get.) J. de Jong.

HD