Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2010:BO3231

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
02-11-2010
Datum publicatie
08-11-2010
Zaaknummer
08-4748 WWB
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Afwijzing aanvraag bijstand. Gelet op de rapportage van het huisbezoek, bezien in samenhang met de overige gegevens, oordeelt de Raad dat het College op goede gronden heeft geconcludeerd dat appellant niet aannemelijk heeft gemaakt dat hij woonachtig is op het door hem opgegeven adres en dat, nu niet kan worden beoordeeld of hij in bijstandsbehoevende omstandigheden verkeert, zijn recht op bijstand niet kan worden vastgesteld.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

08/4748 WWB

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[Appellant], wonende te [woonplaats] (hierna: appellant),

tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 7 juli 2008, 07/4303 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellant

en

het College van burgemeester en wethouders van de gemeente Amsterdam (hierna: College)

Datum uitspraak: 2 november 2010

I. PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. D. van der Wal, advocaat te Amsterdam, hoger beroep ingesteld.

Het College heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 21 september 2010. Het College heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. drs. J.M. Boegborn, werkzaam bij de gemeente Amsterdam. Appellant is - zoals tevoren bericht - niet verschenen.

II. OVERWEGINGEN

1. De Raad gaat uit van de volgende hier van belang zijnde feiten en omstandigheden.

1.1. Appellant heeft eind mei 2007 een aanvraag ingediend voor bijstand op grond van de Wet werk en bijstand (WWB). Daarbij gaf hij onder meer aan dat hij alleenwonend is op het adres [Straatnaam A] te [plaatsnaam], dat zijn feitelijke verblijfadres niet afwijkt van het opgegeven woonadres en dat hij weet dat hij alle veranderingen in zijn omstandigheden direct moet doorgeven.

1.2. Aangezien appellant volgens het College een relatief laag termijnbedrag aan energiekosten betaalde en een eerdere in april 2006 gedane aanvraag om bijstand was afgewezen op de grond dat de woonsituatie niet was te controleren, heeft op 22 juni 2007, aansluitend aan een afspraak bij de Dienst Werk en Inkomen (DWI), een huisbezoek plaatsgevonden. Tevens is appellant gevraagd nadere informatie te verstrekken omtrent onder meer een een-gezins-polis van appellant bij een schadeverzekeringsmaatschappij en over een betaling aan Centraal Beheer Achmea.

1.3. Blijkens de van dit huisbezoek opgemaakte rapportage was de woning erg stoffig, werden geen persoonlijke verzorgingsartikelen aangetroffen, waren er geen recente poststukken en bankafschriften, maar alleen van het vorig jaar en waren er alleen enkele recent gekochte levensmiddelen en een paar kledingstukken aanwezig. De gevraagde informatie over de verzekeringen is niet verkregen.

1.4. Bij besluit van 4 juli 2007, na bezwaar gehandhaafd bij besluit van 4 september 2007, heeft het College de aanvraag van appellant afgewezen op de grond, kort gezegd, dat zijn recht op bijstand niet is vast te stellen aangezien hij niet woonachtig is op het opgegeven adres en hij de over de verzekeringen gevraagde gegevens niet heeft verstrekt.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank, voor zover hier van belang, het beroep van appellant tegen het besluit van 4 september 2007 ongegrond verklaard.

3. Naar aanleiding van hetgeen partijen in hoger beroep hebben aangevoerd, overweegt de Raad het volgende.

3.1. Uit de rapportage die is opgemaakt van het huisbezoek op 22 juni 2007 blijkt dat geen sporen van recente bewoning zijn aangetroffen. De stelling van appellant dat hij op dit adres zijn post ontvangt en dat de woning gemeubileerd is, is onvoldoende te achten om aan te nemen dat appellant op het opgegeven adres woont.

3.2. De door appellant in eerste instantie gegeven toelichting dat hij de laatste weken teneinde zijn alcoholprobleem de baas te worden vijf dagen per week bij zijn moeder in België had verbleven en twee dagen per week in [plaatsnaam], verklaart niet de afwezigheid van nagenoeg alle kleding, alle artikelen van persoonlijke verzorging en recente administratie. Appellant heeft deze toelichting naderhand gewijzigd in die zin dat hij stelt enige weken in België te hebben verbleven om zijn moeder te verzorgen. Nog daargelaten dat appellant dit indertijd niet had gemeld aan de DWI en dit ook overigens niet aannemelijk heeft gemaakt, verklaart ook dit niet de totale afwezigheid van de hiervoor genoemde spullen.

3.3. Gelet op de rapportage van het huisbezoek, bezien in samenhang met de overige gegevens, is de Raad van oordeel dat het College op goede gronden heeft geconcludeerd dat appellant niet aannemelijk heeft gemaakt dat hij woonachtig is op het door hem opgegeven adres en dat, nu niet kan worden beoordeeld of hij in bijstandsbehoevende omstandigheden verkeert, zijn recht op bijstand niet kan worden vastgesteld.

3.4. Uit het vorenstaande volgt dat het hoger beroep niet slaagt, zodat de aangevallen uitspraak, voor zover aangevochten, moet worden bevestigd.

4. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak, voor zover aangevochten.

Deze uitspraak is gedaan door J.C.F. Talman als voorzitter en J.M.A. van der Kolk-Severijns en J.F. Bandringa als leden, in tegenwoordigheid van R. Scheffer als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 2 november 2010.

(get.) J.C.F. Talman.

(get.) R. Scheffer.

RB