Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2010:BO3225

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
02-11-2010
Datum publicatie
08-11-2010
Zaaknummer
08-6695 WWB
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Gezamenlijke huishouding. Schending inlichtingenverplichting. Anonieme tip. De bestuursrechter is niet gebonden aan de uitkomst van een strafrechtelijke procedure, omdat daarbij een andere rechtsvraag voorligt en een ander bewijsrecht van toepassing is. De onderzoeksbevindingen bieden een toereikende feitelijke grondslag voor de conclusie dat er sprake was van een gezamenlijke huishouding. Bijzondere betekenis wordt gehecht aan de bij de sociale recherche door appellante en betrokkene afgelegde verklaringen. De naderhand aangebracht wijzigingen in het handgeschreven proces-verbaal zijn minimaal en doen geen afbreuk op aan de strekking van de afgelegde verklaring.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

08/6695 WWB

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[Appellant], wonende te [woonplaats] (hierna: appellante),

tegen de uitspraak van de rechtbank Maastricht van 16 oktober 2008, 08/236 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellante

en

het College van burgemeester en wethouders van de gemeente Maastricht (hierna: College)

Datum uitspraak: 2 november 2010

I. PROCESVERLOOP

Namens appellante heeft mr. M.Ph.M. Hogervorst, advocaat te Maastricht, hoger beroep ingesteld.

Het College heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 21 september 2010. Voor appellante is mr. Hogervorst verschenen. Het College heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. M.H.E. Overhof, werkzaam bij de gemeente Maastricht.

II. OVERWEGINGEN

1. Voor een overzicht van de in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden verwijst de Raad naar de aangevallen uitspraak. Hij volstaat hier met het volgende.

1.1. Appellante ontving sinds 17 november 2000 bijstand, laatstelijk ingevolge de Wet werk en bijstand (WWB) naar de norm voor een alleenstaande ouder.

1.2. Begin 2007 is bij de gemeente Maastricht een anonieme melding binnengekomen onder meer inhoudende dat appellante in verwachting is van haar vriend met wie zij al meer dan vier jaar samenwoont op haar adres. Met ingang van

1 juni 2007 is de uitbetaling van de bijstand geblokkeerd. De sociale recherche heeft een onderzoek ingesteld naar de rechtmatigheid van de aan appellante verleende bijstand. De bevindingen van het onderzoek zijn voor het College aanleiding geweest om bij besluit van 24 juli 2007 de aan appellante verleende bijstand met ingang van 1 juni 2007 in te trekken.

1.3. Bij besluit van 7 januari 2008 heeft het College het bezwaar van appellante tegen het besluit van 24 juli 2007 ongegrond verklaard. Daarbij heeft het College de intrekking van de bijstand gebaseerd op schending van artikel 17, eerste lid, van de WWB in samenhang met artikel 54, derde lid, aanhef en onder a, van de WWB. Door bij het College geen opgave te doen van de gezamenlijke huishouding met [W.] heeft appellante de op haar ingevolge artikel 17, eerste lid, van de WWB rustende inlichtingenverplichting geschonden waardoor aan haar ten onrechte bijstand naar de norm voor een alleenstaande ouder is verleend. Het College achtte zich daarom bevoegd om met toepassing van artikel 54, derde lid, aanhef en onder a, van de WWB over te gaan tot intrekking van de bijstand.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het besluit van 7 januari 2008 ongegrond verklaard.

3. Appellante heeft zich in hoger beroep gemotiveerd tegen deze uitspraak gekeerd. Daarbij is aangevoerd dat er geen sprake is geweest van een gezamenlijke huishouding omdat [W.] zijn eigen woning in [plaatsnaam] heeft en het College zijn besluitvorming niet heeft gebaseerd op een zorgvuldig en deugdelijk onderzoek.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1. De Raad stelt vast dat het College de intrekking van bijstand niet heeft beperkt tot een bepaalde periode. Volgens vaste rechtspraak van de Raad bestrijkt de beoordeling door de bestuursrechter in een dergelijk geval de periode vanaf de datum met ingang waarvan de bijstand is ingetrokken tot en met de datum van het primaire intrekkingsbesluit. Het voorgaande betekent dat hier beoordeeld dient te worden de periode van 1 juni 2007 tot en met 24 juli 2007.

4.2. Niet in geding is dat [W.] de vader is van het kind van appellante, dat is geboren [in] 2007. De Raad volgt de rechtbank in haar oordeel dat gelet op artikel 3, vierde lid, aanhef en onder b, van de WWB voor de beantwoording van de vraag of sprake is van een gezamenlijke huishouding als bedoeld in artikel 3, derde lid, van de WWB bepalend is of appellante en [W.] gedurende de periode in geding hun hoofdverblijf in dezelfde woning hadden. Omdat appellante en [W.] samen een kind hebben is derhalve niet van belang of er ook sprake is van wederzijdse zorg.

4.3. Ter zitting van de Raad heeft de gemachtigde van appellante benadrukt het merkwaardig te vinden dat een tip die in januari 2007 binnenkomt pas in juni 2007 wordt onderzocht. Desgevraagd heeft de gemachtigde van appellante echter niet kunnen aangeven op welke wijze appellante is benadeeld doordat de tip blijkbaar enige tijd is blijven liggen. Ten aanzien van de opmerking dat over de anonieme tip in het dossier geen verdere gegevens zijn te vinden, overweegt de Raad dat dit geen reden is om een nader onderzoek naar de rechtmatigheid van de verlening van bijstand niet toelaatbaar te achten. Volgens appellante bestond er geen aanleiding voor een onderzoek omdat het College al jaren bekend was met het feit dat zij een relatie met [W.] had en hij een paar nachten per week bij haar sliep. Bij een bezoek aan de woning van appellante in 2003 is echter geen gezamenlijke huishouding vastgesteld. De Raad overweegt dat dit niet betekent dat die situatie nadien niet gewijzigd kan zijn.

4.4. Aan de omstandigheid dat de Officier van Justitie van het Arrondissementsparket Maastricht heeft besloten om appellante wegens gebrek aan bewijs niet (verder) te vervolgen ter zake van de verdenking van valsheid in geschrifte, geeft de Raad niet de betekenis die appellante daaraan gehecht wil zien. Immers, naar vaste rechtspraak van de Raad is de bestuursrechter in het kader van een bestuursrechtelijke procedure in het algemeen niet gebonden aan de uitkomst van een strafrechtelijke procedure, omdat daarbij een andere rechtsvraag voorligt en een ander bewijsrecht van toepassing is. De Raad ziet geen bijzondere redenen om hierover in dit geval anders te oordelen. Overigens heeft het College er terecht op gewezen dat de strafrechtelijke procedure betrekking had op de periode vóór 1 juni 2007, dus niet op de periode in geding.

4.5. Met de rechtbank is de Raad van oordeel dat de onderzoeksbevindingen een toereikende feitelijke grondslag bieden voor de conclusie dat er in de periode in geding sprake was van een gezamenlijke huishouding. Ook de Raad hecht in het bijzonder betekenis aan de op 24 juli 2007 bij de sociale recherche door appellante en [W.] afgelegde verklaringen, waarbij zij onafhankelijk van elkaar hebben verklaard dat [W.] reeds geruime tijd het merendeel van de tijd in de woning van appellante verbleef. Dat [W.] daarnaast zijn eigen woning in [plaatsnaam] heeft aangehouden en daar in het voetbalseizoen ook sliep als hij een training of wedstrijd had gehad, doet daar niet aan af. Dit geldt temeer nu aannemelijk is dat het voetbalseizoen in de periode in geding (grotendeels) voorbij was en [W.] zelf heeft verklaard dat hij buiten het voetbalseizoen eigenlijk alle dagen van de week bij appellante verbleef. Uit de afgelegde verklaringen blijkt tevens dat appellante en [W.] zich ervan bewust waren dat zij de gezamenlijke huishouding aan het College hadden moeten melden. Zij hebben er echter voor gekozen om dit niet te doen omdat zij schulden hadden en het geld van de uitkering goed konden gebruiken.

4.6. Volgens appellante kan aan de door haar afgelegde verklaring weinig waarde worden gehecht, gezien de omstandigheden waaronder deze tot stand is gekomen. Aangevoerd is dat appellante beperkt psychisch belastbaar is en dat bij de verhoren een ontoelaatbare druk op haar is uitgeoefend. Ook zou hetgeen in het proces-verbaal van het verhoor is vermeld geen juiste weergave zijn van hetgeen appellante heeft gezegd. Dit laatste geldt ook voor het proces-verbaal van het verhoor van [W.].

4.7. Naar vaste rechtspraak gaat de Raad in het algemeen uit van de juistheid van een tegenover een sociaal rechercheur afgelegde en ondertekende verklaring, en kent hij weinig betekenis toe aan het achteraf intrekken of ontkennen van een dergelijke verklaring. De Raad heeft in dit geval onvoldoende aanknopingspunten gevonden om te oordelen dat sprake is van zodanige bijzondere omstandigheden dat een uitzondering op het hiervoor weergegeven uitgangspunt dient te worden gemaakt. De Raad onderschrijft het oordeel van de rechtbank dat niet is gebleken dat de door appellante en [W.] afgelegde verklaringen niet in vrijheid zijn afgelegd.

4.8. Het College heeft op verzoek van appellantes gemachtigde een kopie overgelegd van het handgeschreven proces-verbaal van het verhoor van [W.]. Aangevoerd is dat hierin naderhand wijzigingen zijn aangebracht, die door [W.] niet zijn gezien en waarvoor hij niet heeft getekend. De in de kantlijn aangebrachte parafen zouden niet van hem zijn maar van de sociaal rechercheur. De Raad is evenwel van oordeel dat, daargelaten of [W.] de aangebrachte wijzigingen wel of niet heeft geparafeerd, deze wijzigingen minimaal zijn en op geen enkele wijze afbreuk doen aan de strekking van de afgelegde verklaring.

4.9. Uit hetgeen hiervoor onder 4.1 tot en met 4.8 is overwogen volgt dat appellante en [W.] in de periode in geding een gezamenlijke huishouding voerden in de zin van de WWB op grond waarvan appellante als gehuwd moet worden aangemerkt. Dit betekent dat het hoger beroep niet slaagt en dat de aangevallen uitspraak voor bevestiging in aanmerking komt.

5. De Raad ziet geen aanleiding voor een veroordeling in de proceskosten.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door J.C.F. Talman als voorzitter en J.M.A. van der Kolk-Severijns en J.F. Bandringa als leden, in tegenwoordigheid van R. Scheffer als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 2 november 2010.

(get.) J.C.F. Talman.

(get.) R. Scheffer.

HD

Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na de datum van verzending beroep in cassatie instellen bij de Hoge Raad der Nederlanden (Postbus 20303, 2500 EH ’s-Gravenhage) ter zake van schending of verkeerde toepassing van bepalingen inzake het begrip gezamenlijke huishouding.