Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2010:BO3198

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
02-11-2010
Datum publicatie
08-11-2010
Zaaknummer
08/1673 WWB + 10/2116 WWB
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Herziening, intrekking en terugvordering bijstand. Maatregel. Schending inlichtingenverplichting. Gezamenlijke huishouding. Met nader besluit niet (geheel) tegemoetgekomen. Indien een bestuursorgaan ter uitvoering van een aangevallen uitspraak een nieuw besluit heeft genomen, is het belang van appellante bij een oordeel over het hoger beroep tegen de aangevallen uitspraak daardoor niet komen te ontvallen. De Raad hecht betekenis aan de gedurende de periode van

27 november 2006 tot en met 14 december 2006 verrichte waarnemingen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

08/1673 WWB

10/2116 WWB

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[Appellante], wonende te [woonplaats] (hierna: appellante),

tegen de uitspraak van de rechtbank Middelburg van 6 februari 2008, 07/816 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellante

en

het College van burgemeester en wethouders van de gemeente Sluis (hierna: College)

Datum uitspraak: 2 november 2010

I. PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. B.J. van de Wijnckel, advocaat te Terneuzen, hoger beroep ingesteld.

Het College heeft een verweerschrift ingediend.

De zaak is ter behandeling aan de orde gesteld ter zitting van 17 augustus 2010, waar partijen, zoals door beiden vooraf bericht, niet zijn verschenen.

II. OVERWEGINGEN

1. De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.

1.1. Appellante ontving sinds 19 juni 2006 bijstand ingevolge de Wet werk en bijstand (WWB) naar de norm voor een alleenstaande ouder.

1.2. Naar aanleiding van een mededeling van een bij het Centrum voor Werk en Inkomen te Oostburg werkzame consulent, dat appellante meerdere malen is gesignaleerd in gezelschap van een man, waarvan wordt gezegd dat deze haar ex-man [H.] is, heeft de Sociale Recherche regio Zeeuwsch-Vlaanderen een onderzoek ingesteld naar de rechtmatigheid van de aan appellante verleende bijstand. In dat kader is dossieronderzoek verricht, is informatie opgevraagd bij de Dienst Wegverkeer, zijn waarnemingen en een buurtonderzoek verricht in de omgeving van de [adres 1] te [plaatsnaam] (hierna: de woning van appellante), waarbij getuigen zijn gehoord, is een buurtonderzoek verricht in de omgeving van de [adres 2] te [plaatsnaam] (hierna: de voormalige woning van [H.]), waarbij eveneens getuigen zijn gehoord, heeft op 14 december 2006 een onaangekondigd huisbezoek plaatsgevonden in de woning van appellante, waarbij [H.] gekleed in een pyjama onder een bed werd aangetroffen, en is appellante verhoord. De bevindingen van dat onderzoek zijn neergelegd in een rapport van 9 december 2006. De onderzoeksbevindingen zijn voor het College aanleiding geweest om bij besluit van 2 april 2007 de bijstand van appellante over de periode van

23 augustus 2006 tot en met 3 januari 2007 te herzien (lees: in te trekken) en de over die periode gemaakte kosten van bijstand tot een bedrag van € 1.745,24 van haar terug te vorderen. Bij datzelfde besluit is aan appellante een maatregel opgelegd van € 174,50. Aan de besluitvorming ligt ten grondslag dat appellante, zonder hiervan het College mededeling te hebben gedaan, gedurende de periode van 23 augustus 2006 tot en met 3 januari 2007 een gezamenlijke huishouding heeft gevoerd met [H.].

1.3. Bij besluit van 30 juli 2007 heeft het College het bezwaar gegrond verklaard voor zover het betreft de intrekking over de periode van 15 december 2006 tot en met 3 januari 2007 en voorts de intrekking over de periode van 23 augustus 2006 tot en met 14 december 2006 gehandhaafd. Het College heeft het van appellante terug te vorderen bedrag en de aan haar opgelegde maatregel nader bepaald op € 1.427,32 respectievelijk € 142,73.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank, met bepalingen over griffierecht en proceskosten, het beroep tegen het besluit van 30 juli 2007 gegrond verklaard en dit besluit vernietigd. Daartoe heeft de rechtbank overwogen dat er onvoldoende feitelijke grondslag bestaat voor het standpunt van het College dat [H.] vanaf 23 augustus 2006 zijn hoofdverblijf had in de woning van appellante. De rechtbank heeft tevens geoordeeld dat er wel voldoende feitelijke grondslag bestaat voor het standpunt van het College dat [H.] vanaf eind september zijn hoofdverblijf had in de woning van appellante.

3. Appellante heeft zich in hoger beroep gemotiveerd tegen de aangevallen uitspraak gekeerd uitsluitend voor wat betreft het laatst onder 2 weergegeven oordeel. Zij betoogt dat de rechtbank ten onrechte aannemelijk heeft geoordeeld dat zij en [H.] gedurende de periode van eind september 2006 tot en met 14 december 2006 een gezamenlijke huishouding hebben gevoerd.

4. Ter uitvoering van de aangevallen uitspraak heeft het College op 4 maart 2008 een nieuw besluit op bezwaar genomen. Daarbij is de bijstand van appellante over de periode van 30 september 2006 tot en met 14 december 2006 ingetrokken, zijn de over deze periode gemaakte kosten van bijstand tot een bedrag van € 669,82 van haar teruggevorderd en is aan haar een maatregel opgelegd van € 66,98. De Raad merkt dit besluit aan als een besluit dat op grond van de artikelen 6:18, 6:19, eerste lid, en 6:24 van de Algemene wet bestuursrecht mede in de beoordeling moet worden betrokken.

5. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

5.1. De Raad stelt voorop dat het College zich ten onrechte op het standpunt stelt dat vanwege het nieuwe besluit op bezwaar van 4 maart 2008, het hoger beroep van appellante tegen de aangevallen uitspraak niet-ontvankelijk moet worden verklaard. Het is vaste rechtspraak van de Raad dat indien een bestuursorgaan ter uitvoering van een aangevallen uitspraak een nieuw besluit heeft genomen, het belang van betrokkene bij een oordeel over het hoger beroep tegen de aangevallen uitspraak daardoor niet is komen te ontvallen. Bij de beoordeling van dat besluit geldt die uitspraak immers als uitgangspunt.

5.2. Ten aanzien van de hoger beroepsgronden tegen de aangevallen uitspraak overweegt de Raad als volgt.

5.3. Ingevolge artikel 3, tweede lid, aanhef en onder a, van de WWB, voor zover hier van belang, wordt als gehuwd of als echtgenoot mede aangemerkt de ongehuwde die met een ander een gezamenlijke huishouding voert. Ingevolge artikel 3, vierde lid, aanhef en onder b, van de WWB wordt een gezamenlijke huishouding in ieder geval aanwezig geacht indien de belanghebbenden hun hoofdverblijf hebben in dezelfde woning en uit hun relatie een kind is geboren of erkenning heeft plaatsgevonden van een kind van de een door de ander.

5.4. Vast staat dat uit de relatie tussen appellante en [H.] in 2002 een kind is geboren. Gelet daarop is voor de beantwoording van de vraag of gedurende de hier te beoordelen periode sprake is van een gezamenlijke huishouding beslissend of appellante en [H.] hun hoofdverblijf hadden in dezelfde woning.

5.5. Deze vraag beantwoordt de Raad bevestigend. De Raad hecht daarbij betekenis aan de gedurende de periode van

27 november 2006 tot en met 14 december 2006 verrichte waarnemingen, waaruit blijkt dat de op naam van [H.] staande auto, zijnde een grijze Volkswagen Golf, bijna dagelijks voor de woning van appellante stond geparkeerd, en aan de getuigenverklaringen van vier omwonenden nabij het woonadres van appellante, waaruit blijkt dat gedurende de periode in geding in de woning van appellante een man, een vrouw en een kind wonen en dat de man in een grijze Volkswagen Golf rijdt. Ook kent de Raad betekenis toe aan het feit dat tijdens het huisbezoek op 14 december 2006 [H.] in de woning van appellante is aangetroffen en dat appellante heeft verklaard dat [H.] zijn spullen in haar woning heeft staan omdat er geen andere plaats is. Bij het voorgaande betrekt de Raad dat de voormalige woning van [H.] eind september 2006 is verkocht en dat de levering van nutsvoorzieningen ten behoeve van deze woning op zijn verzoek eind september 2006 is beëindigd. Verder blijkt uit getuigenverklaringen van twee omwonenden nabij de voormalige woning van [H.], dat [H.] tegen hen heeft gezegd dat hij naar [plaatsnaam] ging verhuizen en bij vrienden ging wonen. Al deze feiten en omstandigheden, in onderlinge samenhang bezien, brengen de Raad tot het oordeel dat appellante en [H.] gedurende de hier te beoordelen periode hun hoofdverblijf hadden in de woning van appellante.

5.6. Gelet op hetgeen hiervoor is overwogen komt de Raad tot de conclusie dat het hoger beroep niet slaagt. De aangevallen uitspraak, voor zover aangevochten, dient dan ook te worden bevestigd.

6. Met betrekking tot het besluit van 4 maart 2008 overweegt de Raad het volgende. Nu bij het nieuwe besluit van

4 maart 2008 de overwegingen van de aangevallen uitspraak in acht zijn genomen en tegen dit besluit geen inhoudelijke beroepsgronden zijn aangevoerd, behoeft dit besluit verder geen bespreking. Het beroep tegen het besluit van 4 maart 2008 dient dan ook ongegrond te worden verklaard.

7. De Raad ziet geen aanleiding voor een veroordeling in de proceskosten.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak voor zover aangevochten;

Verklaart het beroep tegen het besluit van 4 maart 2008 ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door J.C.F. Talman als voorzitter en O.L.H.W.I. Korte en N.M. van Waterschoot als leden, in tegenwoordigheid van N.M. van Gorkum als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 2 november 2010.

(get.) J.C.F. Talman.

(get.) N.M. van Gorkum.

Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na de datum van verzending beroep in cassatie instellen bij de Hoge Raad der Nederlanden (Postbus 20303,

2500 EH ’s-Gravenhage) ter zake van schending of verkeerde toepassing van bepalingen inzake het begrip gezamenlijke huishouding.

HD