Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2010:BO3192

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
26-10-2010
Datum publicatie
08-11-2010
Zaaknummer
08-1182 WWB
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Afwijzing aanvraag bijstand. Niet overleggen van de gevraagde gegevens. Geen bewijs van schuldbekentenissen van leningen bij familie, en opnamen van het doorlopend krediet. Nu als gevolg van de schending van de inlichtingenverplichting niet vastgesteld kan worden of, en zo ja in welke mate, appellant ten tijde in geding verkeerde in bijstandbehoevende omstandigheden, heeft het College de bijstand al op deze grond terecht geweigerd. Aan de vraag of het College de aanvraag terecht mede heeft afgewezen op de grond dat onduidelijkheid bestond over mogelijke in- en verkoop van auto’s komt de Raad niet toe.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

08/1182 WWB

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[Appellant], wonende te [woonplaats] (hierna: appellant),

tegen de uitspraak van de rechtbank Roermond van 15 januari 2008, 07/1066 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellant

en

het College van burgemeester en wethouders van de gemeente Venlo (hierna: College)

Datum uitspraak: 26 oktober 2010

I. PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. R.A.N.H. Verkoeijen, advocaat te Venlo-Blerick, hoger beroep ingesteld.

Het College heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 14 september 2010. Voor appellant is verschenen mr. Verkoeijen. Het College heeft zich, zoals bericht, niet laten vertegenwoordigen.

II. OVERWEGINGEN

1. De Raad gaat uit van de volgende feiten en omstandigheden.

1.1. Appellant heeft op 5 januari 2007 een aanvraag om bijstand ingevolge de Wet werk en bijstand (WWB) ingediend. Bij brief van 12 februari 2007 heeft het College appellant verzocht nadere gegevens te verschaffen, waaronder deugdelijke en verifieerbare bewijsstukken met betrekking tot de wijze waarop hij in zijn levensonderhoud heeft voorzien vanaf 1 juli 2006 alsmede bewijsstukken met betrekking tot de inkomsten uit de inkoop en de verkoop van de voertuigen die hij in de afgelopen 12 maanden heeft gekocht en ook weer verkocht.

1.2. Op deze brief heeft appellant gereageerd door toezending van enkele gegevens, waaronder een overschrijvings- en kentekenbewijs, twee vrijwaringsbewijzen alsmede diverse bankafschriften, en de verklaring dat familie en vrienden hem in de periode vanaf 1 juli 2006 hebben gesteund.

1.3. Bij besluit van 14 maart 2007 heeft het College de aanvraag van appellant afgewezen. Daartoe heeft het College overwogen dat appellant geen of onvoldoende inlichtingen heeft verstrekt over de wijze waarop hij in de periode vanaf

1 juli 2006 in zijn levensonderhoud heeft voorzien alsmede over de op zijn naam staande auto’s en de eventuele inkomsten uit de verkoop daarvan. Aan dat besluit ligt het standpunt ten grondslag dat appellant in strijd met de in artikel 17 van de WWB omschreven inlichtingenverplichting niet de informatie heeft verstrekt die nodig was om het recht op bijstand te kunnen vaststellen. Bij besluit van 19 juni 2007 heeft het College het bezwaar tegen het besluit van 14 maart 2007 ongegrond verklaard.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het besluit van 19 juni 2007 ongegrond verklaard. Daartoe heeft zij onder meer overwogen dat gelet op het bepaalde in artikel 11, eerste lid, van de WWB, voor de beoordeling van het recht op bijstand noodzakelijk is om inzicht te verkrijgen in de financiële situatie in de aan de bijstandsaanvraag voorafgaande periode. Nu appellant in gebreke is gebleven de benodigde, objectief onderbouwde, inlichtingen te verstrekken, heeft het College terecht het standpunt ingenomen dat appellant de inlichtingenverplichting, zoals bedoeld in artikel 17, eerste lid, van de WWB heeft geschonden als gevolg waarvan niet kan worden vastgesteld of appellant recht had op bijstand.

3. Appellant heeft zich in hoger beroep tegen deze uitspraak gekeerd. Hij is van mening dat hij voldoende duidelijkheid heeft verschaft over de auto’s en over de wijze waarop hij in zijn levensonderhoud heeft voorzien. Hij heeft naar zijn zeggen geleefd van het doorlopend krediet dat hij contant had opgenomen en van kleine bedragen die hij leende van familie en vrienden.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1. Volgens vaste rechtspraak van de Raad bestrijkt de door de bestuursrechter te beoordelen periode in geval van een aanvraag om bijstand in beginsel de periode vanaf de datum van de aanvraag tot en met de datum van het primaire besluit. Dat betekent dat in dit geval de periode van 5 januari 2007 tot en met 14 maart 2007 dient te worden beoordeeld.

4.2. Nu het hier gaat om een voor appellant begunstigend besluit op aanvraag, is het aan hem om aannemelijk te maken dat hij recht heeft op bijstand.

4.3. Blijkens de bij de aanvraag overgelegde bankafschriften over de periode van 25 september 2006 tot en met

28 december 2006 had appellant een inkomen van € 410,-- per maand aan WW-uitkering en € 36,-- per maand aan zorgtoeslag en zijn in deze periode geen kasopnamen of elektronische betalingen verricht voor bijvoorbeeld levensmiddelen, benzine of het te betalen kostgeld. Onder deze omstandigheden was het voor de beoordeling van het recht op bijstand noodzakelijk om appellant om aanvullende gegevens te vragen over de wijze waarop hij in zijn levensonderhoud heeft voorzien.

4.4. De Raad stelt vast dat appellant de gevraagde gegevens niet heeft overgelegd. Aan de enkele stelling van appellant dat hij zijn doorlopend krediet heeft gebruikt en zo nu en dan van vrienden en familie kleine bedragen heeft geleend, heeft het College terecht geen betekenis toegekend, nu bewijs, bijvoorbeeld in de vorm van schuldbekentenissen van leningen bij familie, en opnamen van het doorlopend krediet volledig ontbreekt.

4.5. Nu als gevolg van de schending van de inlichtingenverplichting niet vastgesteld kan worden of, en zo ja in welke mate, appellant ten tijde in geding verkeerde in bijstandbehoevende omstandigheden, heeft het College de bijstand al op deze grond terecht geweigerd. Aan de vraag of het College de aanvraag terecht mede heeft afgewezen op de grond dat onduidelijkheid bestond over mogelijke in- en verkoop van auto’s komt de Raad niet toe.

4.6. De aangevallen uitspraak komt derhalve voor bevestiging in aanmerking.

5. De Raad ziet geen aanleiding voor een veroordeling in de proceskosten.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door A.B.J. van der Ham als voorzitter en J.N.A. Bootsma en H.D. Stout als leden, in tegenwoordigheid van J.M. Tason Avila als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 26 oktober 2010.

(get.) A.B.J. van der Ham.

(get.) J.M. Tason Avila.

IJ