Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2010:BO3028

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
02-11-2010
Datum publicatie
08-11-2010
Zaaknummer
09/1963 WWB + 09/1964 WWB
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Intrekking en (mede)terugvordering bijstand. Gezamenlijke huishouding. Feitelijke woonsituatie. De Raad oordeelt over meerdere periodes. Appellanten hebben wél in de periode van 1 mei 2003 tot en met 20 november 2006 een gezamenlijke huishouding gevoerd.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

09/1963 WWB

09/1964 WWB

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op de hoger beroepen van:

[Appellante] (hierna: appellante) en [appellant] (hierna: appellant), beiden wonende te [woonplaats],

tegen de uitspraak van de rechtbank Utrecht van 13 maart 2009, 07/3281 en 07/3284 (hierna: aangevallen uitspraak),

in de gedingen tussen:

appellanten

en

het College van burgemeester en wethouders van de gemeente Utrecht (hierna: College)

Datum uitspraak: 2 november 2010

I. PROCESVERLOOP

Namens appellante heeft mr. H. Brouwer, advocaat te Utrecht, hoger beroep ingesteld. Nadien heeft mr. C.C.W. Plaat, advocaat en kantoorgenoot van mr. Brouwer, zich als gemachtigde van appellante gesteld. Namens appellant heeft mr. J.J.D. van Doleweerd, advocaat te Amersfoort, hoger beroep ingesteld.

Het College heeft in beide zaken een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 31 augustus 2010. Daarbij zijn de zaken ter behandeling gevoegd. Appellant is verschenen, bijgestaan door mr. Van Doleweerd. Appellante is met voorafgaande kennisgeving niet verschenen. Het College heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. C. van den Bergh, werkzaam bij de gemeente Utrecht.

II. OVERWEGINGEN

1. De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.

1.1. Appellante ontving sinds 29 november 1994 bijstand naar de norm voor een alleenstaande ouder, laatstelijk ingevolge de Wet werk en bijstand (WWB). Zij woonde in de periode van 1 december 2000 tot en met 20 november 2006 op het adres [adres 1] te [plaatsnaam] en vanaf 21 november 2006 op het adres [adres 2] te [plaatsnaam]. Appellant stond op andere woonadressen ingeschreven. Voorts hebben appellanten een dochter, geboren op [geboortedatum]. De sociale recherche van de gemeente Utrecht heeft naar aanleiding van een anonieme melding van 11 oktober 2006 dat appellante al ruim 14 jaar samenwoont met appellant een onderzoek ingesteld naar de rechtmatigheid van de aan appellante verleende bijstand. In dat kader zijn onder andere verklaringen afgelegd door omwonenden in de [straatnaam], te weten [T.] en [F.], en zijn appellanten verhoord. Verder zijn waarnemingen ter plaatse verricht ter hoogte van de woning van appellante in de [adres 2] in de periode van 26 februari 2007 tot en 5 maart 2007 en daarna zijn daar observaties verricht in de periode van 21 maart 2007 tot en met 2 april 2007.

1.2. In de bevindingen van het onderzoek, neergelegd in een op 6 juni 2007 opgemaakt proces-verbaal, heeft het College aanleiding gezien om bij besluit van 18 mei 2007 de bijstand van appellante over de periode van 1 juli 1997 tot en met

30 april 2007 in te trekken en de bijstand met ingang van 1 mei 2007 te beëindigen (lees: eveneens in te trekken). Daarnaast heeft het College de over de periode van 1 juli 1997 tot en met 30 april 2007 gemaakte kosten van bijstand tot een bedrag van € 138.519,77 van appellante teruggevorderd en deze kosten mede van appellant teruggevorderd.

1.3. Bij het op de bezwaren van appellanten genomen besluit van 10 oktober 2007 heeft het College het besluit van

18 mei 2007 in die zin herroepen dat de bijstand van appellante over de periode van 1 december 2000 tot en met

30 april 2007 wordt ingetrokken, dat de in deze periode gemaakte kosten van bijstand tot een bedrag van € 96.728,82 van appellante worden teruggevorderd en dat deze kosten mede van appellant worden teruggevorderd. Voor het overige heeft het College het besluit van 18 mei 2007 onder aanvulling van de motivering gehandhaafd. Aan de besluitvorming ligt ten grondslag dat appellanten in ieder geval sinds 1 december 2000 een gezamenlijke huishouding hebben gevoerd, nu zij sindsdien beiden hun hoofdverblijf in de woningen in de [straatnaam] en de [adres 2] hebben gehad en uit hun relatie een kind is geboren. Voorts heeft appellante de op haar rustende inlichtingenverplichting geschonden.

2. Appellanten hebben - op dezelfde datum - ieder afzonderlijk beroep bij de rechtbank ingesteld. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank de beroepen tegen het besluit van 10 oktober 2007 ongegrond verklaard.

3. Appellanten hebben zich in hoger beroep gemotiveerd tegen deze uitspraak gekeerd.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1. De Raad stelt vast dat het College de intrekking in het primaire besluit van 18 mei 2007 niet heeft beperkt tot een bepaalde periode. Volgens vaste rechtspraak van de Raad - zie onder meer de uitspraak van 18 juli 2006 (LJN AY5142) - bestrijkt de beoordeling door de bestuursrechter in een dergelijk geval de periode vanaf de datum met ingang waarvan de bijstand is ingetrokken tot en met de datum van het primaire intrekkingsbesluit. Dit betekent - mede gelet op het besluit op bezwaar van 10 oktober 2007 - dat hier beoordeeld dient worden de periode van 1 december 2000 tot en met 18 mei 2007.

4.2. Aangezien vaststaat dat uit de relatie van appellanten een kind is geboren, is ingevolge artikel 3, vierde lid, aanhef en onder b, van de Algemene bijstandswet (Abw) respectievelijk van de WWB voor de beantwoording van de vraag of sprake was van een gezamenlijke huishouding bepalend of appellanten gedurende de periode in geding hun hoofdverblijf in dezelfde woning hadden. De vraag waar iemand zijn hoofdverblijf heeft, dient te worden beantwoord aan de hand van concrete feiten en omstandigheden.

4.3. Appellanten stonden ten tijde hier van belang ingeschreven op verschillende woonadressen. Volgens vaste rechtspraak behoeft het aanhouden van afzonderlijke woonadressen niet aan het hebben van hoofdverblijf in dezelfde woning in de weg te staan. In dat geval zal redelijkerwijs aannemelijk moeten zijn dat desondanks een feitelijke situatie van samenwoning bestaat doordat slechts een van beide ter beschikking staande woningen wordt gebruikt dan wel doordat op een andere wijze zodanig gebruik van de woningen wordt gemaakt dat in feite van samenwonen moet worden gesproken.

4.4. Naar het oordeel van de Raad bieden de onderzoeksbevindingen van de sociale recherche een toereikende grondslag voor het standpunt van het College dat appellanten in de periode van 1 mei 2003 tot en met 20 november 2006 beiden hun hoofdverblijf in de woning op het adres [adres 1] te [plaatsnaam] hebben gehad. De omwonenden [T.] en [F.] hebben volgens de opgemaakte processen-verbaal na het tonen van foto’s van appellanten beiden op 22 mei 2007 verklaard dat appellanten op dat adres als een gezin hebben geleefd. [T.] heeft verder verklaard dat hij appellanten vaak en regelmatig zag. Voorts heeft [F.] verklaard dat hij zelf vier jaar in de [straatnaam] woonde, dat appellanten als het ware dag en nacht samen waren en dat appellant veel thuis was. De Raad hecht in dit verband tevens belang aan een mutatie van de politie, opgenomen in bijlage 0300 bij het proces-verbaal van 6 juni 2007. Blijkens deze mutatie heeft appellante op 2 oktober 2003 telefonisch verklaard dat zij appellant het afgelopen half jaar onderdak heeft verleend.

4.5. De Raad komt evenwel tot een ander oordeel waar het gaat om de periode van 1 december 2000 tot 1 mei 2003. Uit hetgeen onder 4.4 is overwogen volgt dat [F.] in deze periode nog niet in de [straatnaam] woonde, zodat het standpunt van het College in zoverre niet op zijn verklaring kan worden gebaseerd. Nu de verklaring van [T.] niet wordt ondersteund door andere onderzoeksbevindingen, is er naar het oordeel van de Raad onvoldoende feitelijke grondslag voor het standpunt van het College dat appellanten in deze periode beiden hun hoofdverblijf in de woning op het adres

[adres 1] te [plaatsnaam] hebben gehad.

4.6. Ten aanzien van de periode van 21 november 2006 tot en met 18 mei 2007 overweegt de Raad het volgende. Het standpunt van het College dat appellanten in deze periode hun hoofdverblijf in de woning op het adres [adres 2] te [plaatsnaam] hadden, berust op de bevindingen van de onder 1.1 genoemde waarnemingen ter plaatse en de observaties. Uit deze bevindingen heeft het College de conclusie getrokken dat appellant iedere werkdag ’s ochtends de woning verliet en met een auto wegreed. De Raad volgt het College hierin echter niet. In de verslagen van de observaties wordt enkele malen appellant bij naam genoemd als degene die de woning uitkomt en wegrijdt en wordt verder melding gemaakt van “een” man die de woning uitkomt en wegrijdt. In de gedingstukken wordt het hier bedoelde onderscheid niet toegelicht en ook ter zitting heeft de vertegenwoordiger van het College daarover geen opheldering kunnen geven. Naar het oordeel van de Raad is dan ook onvoldoende komen vast te staan dat in de verslagen van de observaties met de niet nader aangeduide man appellant wordt bedoeld en ontbreekt een deugdelijke feitelijke grondslag voor het standpunt van het College. Hierbij neemt de Raad mede in aanmerking dat appellante bij haar verhoor heeft verklaard dat haar broer zwervend is en regelmatig bij haar in huis is, zodat niet kan worden uitgesloten dat deze man haar broer was.

4.7. Gelet op hetgeen onder 4.4 is overwogen staat naar het oordeel van de Raad vast dat appellanten in de periode van

1 mei 2003 tot en met 20 november 2006 een gezamenlijke huishouding hebben gevoerd. Appellante heeft daarvan in strijd met de ingevolge artikel 65, eerste lid, van de Abw en artikel 17, eerste lid, (tekst tot 1 januari 2008) van de WWB op haar rustende inlichtingenverplichting geen opgave aan het College gedaan. Als gevolg hiervan is aan haar over voormelde periode ten onrechte bijstand verleend. Zij had immers over deze periode geen recht op bijstand naar de norm voor een alleenstaande ouder. Het College was dan ook bevoegd om de bijstand van appellante over voormelde periode met toepassing van artikel 54, derde lid, aanhef en onder a, van de WWB in te trekken. In hetgeen appellante heeft aangevoerd ziet de Raad geen grond voor het oordeel dat het College van deze bevoegdheid in redelijkheid geen gebruik heeft kunnen maken.

4.8. Het voorgaande brengt tevens mee dat over de periode van 1 mei 2003 tot en met 20 november 2006 is voldaan aan de voorwaarden voor toepassing van artikel 58, eerste lid, aanhef en onder a, van de WWB, zodat het College wat betreft die periode bevoegd was om tot terugvordering van appellante van de gemaakte kosten van bijstand over te gaan.

4.9. Verder volgt uit het voorgaande dat het College voor de periode van 1 mei 2003 tot en met 20 november 2006 bevoegd was om met toepassing van artikel 59, tweede lid, van de WWB de gemaakte kosten van bijstand mede van appellant terug te vorderen. Vast staat immers dat appellanten in deze periode een gezamenlijke huishouding hebben gevoerd, zodat de bijstand als gezinsbijstand aan hen had moeten worden verleend en daarbij rekening had moeten worden gehouden met de middelen van appellant. Dit is niettemin achterwege gebleven omdat appellante de op haar rustende inlichtingenverplichting niet is nagekomen.

4.10. Uit hetgeen onder 4.5, 4.6, 4.8 en 4.9 is overwogen volgt dat de aangevallen uitspraak dient te worden vernietigd. De Raad zal vervolgens doen wat de rechtbank zou behoren te doen en de beroepen van appellanten gegrond verklaren. Voorts zal de Raad het besluit van 10 oktober 2007 wegens strijd met artikel 7:12, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) vernietigen voor zover dit besluit betrekking heeft op de intrekking van de bijstand van appellante over de periodes van 1 december 2000 tot 1 mei 2003 en van 21 november 2006 tot en met 30 april 2007 en op de intrekking met ingang van

1 mei 2007. De Raad ziet tevens aanleiding om het primaire besluit van 18 mei 2007 in zoverre te herroepen. Verder zal de Raad het besluit van 10 oktober 2007 wegens strijd met artikel 7:12, eerste lid, van de Awb vernietigen voor zover dit besluit betrekking heeft op de terugvordering en medeterugvordering. Daarbij tekent de Raad aan dat een terugvorderingsbesluit ondeelbaar is, nu dit uitmondt in één - daarin te vermelden - bedrag aan teruggevorderde bijstand en dat besluit een executoriale titel oplevert. Het College dient uitsluitend een nieuw besluit op bezwaar te nemen voor zover het de terugvordering en de medeterugvordering betreft. Met het oog daarop overweegt de Raad dat hij in hetgeen appellanten hebben aangevoerd geen grond ziet voor het oordeel dat het College niet overeenkomstig zijn beleid gebruik zou kunnen maken van zijn bevoegdheid tot terugvordering en de medeterugvordering van de kosten van bijstand over de periode van

1 mei 2003 tot en met 20 november 2006.

5. De Raad ziet aanleiding om het College te veroordelen in de proceskosten van appellanten. Deze kosten worden in beroep voor elk der appellanten begroot op de helft van € 644,-- voor verleende rechtsbijstand, nu de Raad de beroepen beschouwt als samenhangende zaken in de zin van artikel 3 van het Besluit proceskosten bestuursrecht. De kosten worden in hoger beroep voor appellante begroot op € 322,-- en voor appellant op € 644,--, eveneens voor verleende rechtsbijstand.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Vernietigt de aangevallen uitspraak;

Verklaart de beroepen gegrond;

Vernietigt het besluit van 10 oktober 2007 voor zover het betreft de intrekking van de bijstand van appellante over de periodes van 1 december 2000 tot 1 mei 2003 en van 21 november 2006 tot en met 30 april 2007 alsmede de intrekking met ingang van 1 mei 2007;

Herroept het besluit van 18 mei 2007 in zoverre;

Vernietigt het besluit van 10 oktober 2007 voor zover het betreft de terugvordering en de medeterugvordering;

Bepaalt dat het College opnieuw beslist op het bezwaar van appellante tegen de terugvordering en dat van appellant tegen de medeterugvordering met inachtneming van deze uitspraak;

Veroordeelt het College in de proceskosten van appellante in beroep tot een bedrag van € 322,--, te betalen aan appellante en in hoger beroep tot een bedrag van € 322,--, te betalen aan de griffier van de Raad;

Veroordeelt het College in de proceskosten van appellant tot een bedrag van € 966,--;

Bepaalt dat het College aan elk der appellanten het door hen in beroep en in hoger beroep betaalde griffierecht van in totaal € 149,-- vergoedt.

Deze uitspraak is gedaan door J.J.A. Kooijman als voorzitter en A.B.J. van der Ham en J.N.A. Bootsma als leden, in tegenwoordigheid van C. de Blaeij als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 2 november 2010.

(get.) J.J.A. Kooijman.

(get.) C. de Blaeij.

Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na de datum van verzending beroep in cassatie instellen bij de Hoge Raad der Nederlanden (Postbus 20303, 2500 EH ’s-Gravenhage) ter zake van schending of verkeerde toepassing van bepalingen inzake het begrip gezamenlijke huishouding.

HD