Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2010:BO2996

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
02-11-2010
Datum publicatie
08-11-2010
Zaaknummer
09-3488 WWB
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Vaststelling ingangsdatum bijstand. Terugvordering bijstand. Geen bijzondere omstandigheid die rechtvaardigt dat de bijstand wordt verleend met ingang van een eerdere dag dan de dag van indiening van de aanvraag. Naar het oordeel van de Raad had appellant, gelet op het intrekkingsbesluit van 3 augustus 2007, redelijkerwijs kunnen begrijpen dat de bijstand over de periode van 4 augustus 2007 tot en met 31 augustus 2007 onverschuldigd was betaald. Afwijzing verzoek om schadevergoeding.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JWWB 2011/26
ABkort 2010/401
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

09/3488 WWB

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[Appellant], wonende te [woonplaats] (hierna: appellant),

tegen de uitspraak van de voorzieningenrechter van de rechtbank Roermond van 29 mei 2009, 09/499 en 09/500 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellant

en

het College van burgemeester en wethouders van de gemeente Beesel (hierna: College)

Datum uitspraak: 2 november 2010

I. PROCESVERLOOP

Appellant heeft hoger beroep ingesteld.

Het College heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 31 augustus 2010. Appellant is verschenen. Het College heeft zich niet laten vertegenwoordigen.

II. OVERWEGINGEN

1. De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.

1.1. Appellant ontving sedert 1988 bijstand, laatstelijk op grond van de Wet werk en bijstand (WWB).

1.2. Bij besluit van 3 augustus 2007 heeft het College de bijstand van appellant met ingang van 1 juli 2007 ingetrokken. Over de periode van 1 juli 2007 tot en met 31 augustus 2007 heeft appellant nog bijstand ontvangen. Bij besluit van 5 november 2007 heeft het College de bezwaren van appellant tegen het besluit van 3 augustus 2007 ongegrond verklaard. Bij uitspraak van 16 april 2008, 07/1558 en 07/1681, voor zover hier van belang, heeft de rechtbank het beroep van appellant tegen het besluit van 5 november 2007 gegrond verklaard, dat besluit vernietigd en het College opgedragen een nieuw besluit te nemen op het bezwaar tegen het besluit van 3 augustus 2007. Bij uitspraak van 14 oktober 2008, 08/2969, 08/2970, 08/4451 en 08/4453, LJN BG1985, voor zover hier van belang, heeft de voorzieningenrechter van de Raad de uitspraak van de rechtbank vernietigd voor zover daarbij is bepaald dat het College een nieuw besluit moet nemen op het bezwaar tegen het besluit van 3 augustus 2007 en bepaald dat de rechtsgevolgen van het door de rechtbank vernietigde besluit van

5 november 2007 in stand blijven.

1.3. Op 25 november 2008 heeft appellant een aanvraag om bijstand ingediend. Bij besluit van 19 december 2008 heeft het College met ingang van 25 november 2008 bijstand toegekend. Bij dat besluit heeft het College voorts met toepassing van artikel 58, eerste lid, aanhef en onder f, van de WWB de kosten van bijstand over de periode van 1 juli 2007 tot en met

31 augustus 2007 tot een bedrag van € 1.660,94 van appellant teruggevorderd.

1.4. Bij besluit van 30 maart 2009 heeft het College het bezwaar tegen het besluit van 19 december 2008 ongegrond verklaard.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de voorzieningenrechter van de rechtbank overwogen dat niet is gebleken van bijzondere omstandigheden die rechtvaardigen dat de bijstand eerder ingaat dan de dag waarop appellant zich heeft gemeld om bijstand aan te vragen. Voorts heeft de voorzieningenrechter overwogen dat het College de terugvordering ten onrechte heeft gebaseerd op artikel 58, eerste lid, onder f, van de WWB, dat het College op grond van artikel 58, eerste lid, aanhef en onder a, van de WWB bevoegd was om de kosten van bijstand over de periode van 1 juli 2007 tot en met

31 augustus 2007 van appellant terug te vorderen en dat de wijze waarop het College van de bevoegdheid tot terugvorderen heeft gebruik gemaakt in overeenstemming is met het geschreven en het ongeschreven recht. Ten slotte heeft de voorzieningenrechter overwogen dat er geen aanleiding bestaat voor een veroordeling in de proceskosten. Gelet op die overwegingen heeft de voorzieningenrechter - met een beslissing inzake griffierecht - het beroep gegrond verklaard, het besluit van 30 maart 2009 vernietigd voor zover dit de terugvordering betreft, bepaald dat de rechtsgevolgen van het vernietigde gedeelte van het besluit in stand blijven en het beroep voor het overige ongegrond verklaard. Verder heeft de voorzieningenrechter het verzoek van appellant om een voorlopige voorziening afgewezen.

3. Appellant heeft zich in hoger beroep gemotiveerd tegen deze uitspraak gekeerd, voor zover daarbij de rechtsgevolgen van het vernietigde gedeelte van het besluit van 30 maart 2009 in stand zijn gelaten, het beroep voor het overige ongegrond is verklaard en zijn verzoek om een veroordeling in de proceskosten is afgewezen. Tevens heeft appellant verzocht om een veroordeling tot vergoeding van schade. Hij stelt zich op het standpunt dat het College niet bevoegd was tot terugvordering van de kosten van bijstand over de periode van 1 juli 2007 tot en met 31 augustus 2007 en dat het College hem vanaf

1 september 2007 bijstand had moeten verlenen.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1. Met betrekking tot de ingangsdatum

4.1.1. Het College heeft appellant bijstand toegekend met ingang van de dag waarop hij een aanvraag om bijstand heeft ingediend. Volgens vaste rechtspraak van de Raad inzake toepassing van de artikelen 43 en 44 van de WWB wordt in beginsel geen bijstand verleend over een periode voorafgaand aan de datum waarop de bijstandsaanvraag is ingediend. Van dit uitgangspunt kan worden afgeweken indien bijzondere omstandigheden dit rechtvaardigen.

4.1.2. Appellant heeft aangevoerd dat het College de bijstand ten onrechte met ingang van 1 juli 2007 heeft ingetrokken en dat het daarom op de weg van het College lag uit eigen beweging wederom bijstand te verlenen met ingang van de datum waarop het College eerder de betaling van bijstand heeft gestaakt. De Raad ziet hierin geen bijzondere omstandigheid die rechtvaardigt dat de bijstand wordt verleend met ingang van een eerdere dag dan de dag van indiening van de aanvraag. De Raad merkt in dit verband op dat de rechtmatigheid van de intrekking van de bijstand met ingang van 1 juli 2007 in deze procedure niet meer aan de orde kan komen, aangezien de voorzieningenrechter van de Raad bij de onder 1.2 genoemde uitspraak de rechtsgevolgen van het besluit van 5 november 2007 tot handhaving van de intrekking van de bijstand met ingang van 1 juli 2007, in stand heeft gelaten. De omstandigheid dat appellant tot de datum van die uitspraak verwikkeld was in een procedure over de intrekking van de bijstand stond niet aan het indienen van een aanvraag om bijstand in de weg. Ook overigens is niet gebleken dat appellant vóór 25 november 2008 buiten staat was een aanvraag om bijstand in te dienen dan wel een gegronde reden voor latere indiening had.

4.1.3. Hetgeen onder 4.1.1 en 4.1.2 is overwogen betekent dat de aangevallen uitspraak voor bevestiging in aanmerking komt voor zover daarbij het beroep van appellant tegen het besluit van 30 maart 2009 voor het overige ongegrond is verklaard.

4.2. Met betrekking tot de terugvordering

4.2.1. Artikel 58, eerste lid, aanhef en onder a, van de WWB bepaalt dat het college van de gemeente die de bijstand heeft verleend kosten van bijstand kan terugvorderen, voor zover de bijstand ten onrechte of tot een te hoog bedrag is verleend. Artikel 58, eerste lid, aanhef en onder e, van de WWB bepaalt dat het college van de gemeente die de bijstand heeft verleend kosten van bijstand kan terugvorderen, voor zover de bijstand anderszins onverschuldigd is betaald voor zover de belanghebbende dit redelijkerwijs had kunnen begrijpen.

4.2.2. Volgens vaste rechtspraak van de Raad is artikel 58, eerste lid, aanhef en onder a, van de WWB geschreven voor gevallen waarin een wijziging van de omstandigheden of (nieuw) gebleken feiten of omstandigheden nopen tot herziening of intrekking van een besluit inzake de verlening van bijstand. Heeft het betrokken bestuursorgaan in een dergelijk geval tot herziening of intrekking van bijstand besloten met toepassing van artikel 54, derde lid, van de WWB, dan vormt artikel 58, eerste lid, aanhef en onder a, van de WWB de grondslag voor terugvordering van de ten onrechte of tot een te hoog bedrag verleende bijstand. Artikel 58, eerste lid, aanhef en onder e, van de WWB is uitsluitend geschreven voor de gevallen waarin herziening of intrekking van een toekenningsbesluit niet aan de orde is (geweest) en niettemin (meer) bijstand is verleend als gevolg van een administratieve vergissing aan de zijde van het bestuursorgaan die bij de toekenning of bij de uitbetaling van de bijstand is begaan.

4.2.3. Met de rechtbank is de Raad van oordeel dat het College op grond van artikel 58, eerste lid, aanhef en onder a, van de WWB bevoegd was de kosten van de over de periode van 1 juli 2007 tot en met 3 augustus 2007 aan appellant verleende bijstand terug te vorderen. Aan de betaling van bijstand over die periode lag immers een besluit tot toekenning van bijstand ten grondslag waaraan met het intrekkingsbesluit van 3 augustus 2007 met ingang van 1 juli 2007 de juridische werking werd ontnomen.

4.2.4. Anders dan de rechtbank is de Raad van oordeel dat de bevoegdheid om de kosten van bijstand over de periode van

4 augustus 2007 tot en met 31 augustus 2007 terug te vorderen niet op artikel 58, eerste lid, aanhef en onder a, van de WWB kan worden gebaseerd. Het gaat hier immers om een als gevolg van een administratieve vergissing aan de zijde van het College na het intrekkingsbesluit van 3 augustus 2007 doorgeschoten betaling van bijstand. Voor terugvordering van dergelijke betalingen is artikel 58, eerste lid, aanhef en onder e, van de WWB geschreven. Naar het oordeel van de Raad had appellant, gelet op het intrekkingsbesluit van 3 augustus 2007, redelijkerwijs kunnen begrijpen dat de bijstand over de periode van 4 augustus 2007 tot en met 31 augustus 2007 onverschuldigd was betaald. Dat betekent dat het College op grond van artikel 58, eerste lid, aanhef en onder e, van de WWB bevoegd was de kosten van bijstand over die periode terug te vorderen.

4.2.5. De Raad verwerpt de stelling van appellant dat het College de bijstand ten onrechte met ingang van 1 juli 2007 heeft ingetrokken en dat het College daarom niet tot terugvordering bevoegd was. Hij verwijst naar overweging 4.1.2 van deze uitspraak waarin tot uitdrukking is gebracht dat de intrekking van de bijstand met ingang van 1 juli 2007 in deze procedure niet meer aan de orde kan komen.

4.2.6. Naar het oordeel van de Raad zou terugvordering van de bijstand over de periode van 1 juli 2007 tot en met

31 augustus 2007 in overeenstemming zijn met de ter zake van terugvordering gehanteerde beleidsregel. In hetgeen appellant heeft aangevoerd ziet de Raad geen bijzondere omstandigheden op grond waarvan het College van deze beleidsregel zou moeten afwijken.

4.2.7. Hetgeen onder 4.2.1 tot en met 4.2.6 is overwogen brengt mee dat de aangevallen uitspraak met verbetering van gronden voor bevestiging in aanmerking komt voor zover daarbij de rechtsgevolgen van het vernietigde gedeelte van het besluit van 30 maart 2009 in stand zijn gelaten.

4.3. Met betrekking tot het verzoek om veroordeling tot schadevergoeding

4.3.1. Gelet op hetgeen hiervoor onder 4.1.3 en 4.2.7 is overwogen, is er voor een veroordeling tot vergoeding van schade geen ruimte. Het verzoek daartoe van appellant dient daarom te worden afgewezen

5. Met betrekking tot de proceskosten

5.1. De Raad stelt vast dat appellant de rechtbank heeft verzocht zijn proceskosten te vergoeden. Ofschoon de rechtbank het beroep van appellant gedeeltelijk gegrond heeft verklaard en het besluit van 30 maart 2009 ter zake van de terugvordering heeft vernietigd, heeft zij zonder motivering het verzoek om een veroordeling in de proceskosten afgewezen.

5.2. De Raad zal dan ook de aangevallen uitspraak vernietigen voor zover daarbij het verzoek om een vergoeding van de proceskosten is afgewezen.

5.3. De Raad ziet aanleiding om het College te veroordelen in de proceskosten van appellant. Deze kosten worden begroot op € 11,-- in beroep en op € 39,50 in hoger beroep voor reiskosten. Van andere voor vergoeding in aanmerking komende, in het kader van de onderhavige procedure gemaakte proceskosten is de Raad niet gebleken.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Vernietigt de aangevallen uitspraak voor zover deze ziet op de proceskosten;

Bevestigt de aangevallen uitspraak voor zover aangevochten voor het overige;

Wijst het verzoek om veroordeling tot vergoeding van schade af;

Veroordeelt het College in de proceskosten van appellant tot een bedrag van € 50,50;

Bepaalt dat het College aan appellant het in hoger beroep betaalde griffierecht van € 110,-- vergoedt.

Deze uitspraak is gedaan door J.J.A. Kooijman als voorzitter en A.B.J. van der Ham en J.N.A. Bootsma als leden, in tegenwoordigheid van C. de Blaeij als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 2 november 2010.

(get.) J.J.A. Kooijman.

(get.) C. de Blaeij.

HD