Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2010:BO2872

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
03-11-2010
Datum publicatie
04-11-2010
Zaaknummer
09-6562 ZW
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Weigering ziekengeld. Loondoorbetalingsverplichting van de werkgever. Geen gelijkstelling met de situatie waarin een dienstbetrekking is geëindigd.

Wetsverwijzingen
Ziektewet 29
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

09/6562 ZW

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: appellant),

tegen de uitspraak van de rechtbank Haarlem van 26 oktober 2009, 09/81 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

[betrokkene], gevestigd te [vestigingsplaats] (hierna: betrokkene)

en

appellant.

Datum uitspraak: 3 november 2010

I. PROCESVERLOOP

Appellant heeft hoger beroep ingesteld.

Namens betrokkene heeft mr. D.J.B. de Wolff, advocaat te Utrecht, een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 22 september 2010. Appellant heeft zich laten vertegenwoordigen door A.M. Snijders. Namens betrokkene is mr. De Wolff verschenen, bijgestaan door [K.], werkzaam bij betrokkene, en S. Zomerdijk, werkzaam bij de arbodienst.

II. OVERWEGINGEN

1.1. Op 10 september 2001 is [werkneemster] wegens voetklachten uitgevallen voor haar werk als filiaalhoudster voor 36 uur bij appellant. Nadien heeft werkneemster haar bedongen werkzaamheden in aangepaste vorm hervat voor aanvankelijk 20 en later 30 uur per week. Met ingang van 9 september 2002 is haar een uitkering ingevolge de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO) toegekend, berekend naar de mate van arbeidsongeschiktheid van 15 tot 25%.

1.2.Werkneemster is op 5 april 2005 uitgevallen wegens een hersenbloeding. Na een gedeeltelijke werkhervatting is zij op 4 september 2006 weer volledig uitgevallen in verband met dystrofie aan haar voet. Naar aanleiding van de aanvraag van betrokkene om toekenning van een uitkering ingevolge de Ziektewet (ZW) heeft het appellant bij besluit van 29 september 2006 aan betrokkene meegedeeld dat de aanvraag wordt afgewezen, omdat zij een loondoorbetalingsverplichting heeft aangezien werkneemster langer dan vijf jaar bij haar in dienst is. Bij besluit van 8 juni 2007 heeft appellant het besluit van

29 september 2006 ingetrokken en aan betrokkene meegedeeld dat per 4 september 2006 geen ZW-uitkering wordt toegekend aan de werkneemster op grond van artikel 29, eerste lid, van de ZW.

1.3. Bij besluit van 3 december 2008 (hierna: bestreden besluit) heeft appellant het bezwaar van betrokkene tegen het besluit van 8 juni 2007 ongegrond verklaard, onder de overweging dat voor werkneemster noch per 5 april 2005, noch per 4 september 2006 recht bestaat op een ZW-uitkering omdat niet voldaan wordt aan de limitatieve voorwaarden, genoemd in artikel 29, tweede lid, van de ZW.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep van betrokkene tegen het bestreden besluit gegrond verklaard en het bestreden besluit vernietigd, alsmede bepalingen gegeven over vergoeding van proceskosten en griffierecht. De rechtbank heeft overwogen dat appellant in het kader van de toepassing van artikel 29, vijfde lid, van de ZW een interne beleidslijn heeft ontwikkeld en dat, hoewel dit beleid niet bekend is gemaakt op de in de Algemene wet bestuursrecht (Awb) voorgeschreven wijze, dit niet maakt dat appellant in dit geval niet gehouden zou zijn om dit beleid toe te passen. Mitsdien wordt het bestreden besluit vernietigd wegens strijd met de artikelen 3:2 en 7:12 van de Awb.

3.1. In hoger beroep heeft appellant aangevoerd dat de wetgever, gelet op de wetsystematiek en de wetsgeschiedenis, in artikel 29, tweede lid, van de ZW een limitatieve opsomming heeft opgenomen van groepen aan wie ziekengeld uitgekeerd kan worden. Nu werkneemster niet onder één van de genoemde groepen valt, kan zij volgens appellant geen aanspraak maken op een recht op ziekengeld.

3.2. Betrokkene handhaaft haar standpunt dat niet onomstotelijk vaststaat dat artikel 29, tweede lid, van de ZW een limitatieve opsomming bevat en dat een vangnetsituatie nodig blijkt voor die situaties waarin de werknemer niet beschermd wordt door een loondoorbetalingsverplichting van de werkgever. Voorts wordt een beroep gedaan op de toepassing van het beleid dat appellant met betrekking tot artikel 29, vijfde lid, van de ZW heeft vormgegeven.

4. De Raad, oordelend over hetgeen appellant tegen de aangevallen uitspraak heeft aangevoerd, overweegt het volgende.

4.1. Zoals de Raad in zijn uitspraak van 28 juli 2010, LJN BN2809, heeft overwogen, gaat hij er evenals appellant vanuit dat artikel 29, tweede lid, van de ZW een limitatieve opsomming bevat van de gevallen waarin een verzekerde aanspraak kan maken op ziekengeld. In dat verband heeft de Raad verwezen naar de memorie van toelichting bij de Wet uitbreiding loonbetalingsverplichting bij ziekte (Kamerstukken II 1995-1996, 24 439, nr. 3, blz. 67 en 68) waarin onder meer het volgende is vermeld: “De betekenis van het eerste lid is dat indien wordt vastgesteld dat bij ziekte recht bestaat op loon, er geen ziekengeld door de bedrijfsvereniging wordt uitgekeerd. Indien bij ziekte geen recht bestaat op loon betekent dit echter niet automatisch dat de betrokkene recht heeft op ZW-uitkering. Het tweede lid geeft namelijk de situaties aan waarin wel wettelijk ziekengeld wordt uitgekeerd.”. Naar het oordeel van de Raad bestaat er buiten de in het tweede lid genoemde gevallen dan ook geen aanspraak op ziekengeld. Tussen partijen is niet in geschil dat de situatie van werkneemster naar de letter niet valt onder de in artikel 29, tweede lid, van de ZW genoemde gevallen.

4.2. Wat betreft de door betrokkene aangevoerde grond dat de situatie van haar werkneemster voor de toepassing van artikel 29, tweede lid, aanhef en onder c, van de ZW gelijk gesteld dient te worden met de situatie waarin een dienstbetrekking is geëindigd, overweegt de Raad het volgende. Vaststaat dat de dienstbetrekking van werkneemster op de data in geding, 5 april 2005 en 4 september 2006, nog niet was geëindigd. Gelet op het gesloten stelsel van beëindigingswijzen van de arbeidsovereenkomst in het burgerlijk recht, is de Raad van oordeel dat gelijkstelling derhalve niet in overeenstemming met de letter en de bedoeling van genoemd artikelonderdeel geacht kan worden. Mitsdien treft deze grond van betrokkene geen doel.

4.3. Nu de wetgever, mede blijkens het onder 4.1 opgenomen citaat uit de memorie van toelichting, heeft onderkend dat indien bij ziekte geen loondoorbetaling plaatsvindt dit niet automatisch met zich brengt dat een betrokkene recht heeft op ziekengeld, is de Raad van oordeel dat er geen sprake is van een onvoorziene situatie. Zo er in dit geval al sprake is van een lacune in de wetgeving, dan acht de Raad het niet aan hem maar aan de wetgever om hieraan invulling te geven.

4.4. Hetgeen onder 4.1 tot en met 4.3 is overwogen leidt tot de conclusie dat het Uwv aan appellante terecht op grond van artikel 29, tweede lid, van de ZW ziekengeld heeft geweigerd.

4.5. Wat betreft het beroep van betrokkene op toepassing van artikel 29, vijfde lid, van de ZW overweegt de Raad het volgende. In zijn uitspraak van 28 november 2007, LJN BC0042, heeft de Raad onder meer overwogen dat hij geen grond ziet om aan te nemen dat toepassing van het vijfde lid van artikel 29 van de ZW pas aan de orde is, nadat is beoordeeld of het tweede lid van dat artikel van toepassing is. Daarmee heeft de Raad beoogd aan te geven dat aan artikel 29, vijfde lid, van de ZW geen recht op toekenning van ziekengeld kan worden ontleend, maar dat hierin wel een zelfstandige weigeringsgrond is opgenomen. Als, zoals in het geval van betrokkene, vaststaat dat op grond van artikel 29, tweede lid, van de ZW geen aanspraak op ziekengeld bestaat, dan kan aan het vijfde lid geen aanspraak op ziekengeld worden ontleend en kan het daarop gebaseerde beleid uiteraard evenmin tot toekenning leiden.

4.6. De Raad komt dan ook tot de slotsom dat het hoger beroep slaagt, zodat de aangevallen uitspraak dient te worden vernietigd en het inleidend beroep ongegrond dient te worden verklaard.

5. De Raad acht geen termen aanwezig om toepassing te geven aan artikel 8:75 van de Awb inzake vergoeding van proceskosten.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep,

Recht doende:

Vernietigt de aangevallen uitspraak;

Verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door C.P.J. Goorden als voorzitter en A.A.H. Schifferstein en J.J.T. van den Corput als leden, in tegenwoordigheid van A.L. de Gier als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 3 november 2010.

(get.) C.P.J. Goorden.

(get.) A.L. de Gier.

KR