Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2010:BO2867

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
03-11-2010
Datum publicatie
04-11-2010
Zaaknummer
09-1020 WAZ
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

De inhoud van inmiddels tot stand gekomen jurisprudentie biedt op zichzelf geen grond voor het doorbreken van het in rechte onaantastbaar zijn van besluiten waartegen niet in rechte is opgekomen. Niet kan worden gezegd dat het Uwv, in een geval als het onderhavige, waarbij uit eigen beweging wordt overgegaan tot herberekening van de mate van arbeidsongeschiktheid van appellant aan de hand van de volledige urenomvang van de maatmanarbeid, niet in redelijkheid heeft kunnen besluiten om te volstaan met een gedeeltelijke heroverweging van het oorspronkelijke besluit, dan wel dat het Uwv daarbij anderszins heeft gehandeld in strijd met een geschreven of ongeschreven rechtsregel of met een algemeen rechtsbeginsel.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

09/1020 WAZ

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[appellant], wonende te [woonplaats] (hierna: appellant),

tegen de uitspraak van de rechtbank Zwolle-Lelystad van 5 januari 2009, 08/992 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellant

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv).

Datum uitspraak: 3 november 2010

I. PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. G.J.A.M. Gloudi, advocaat te Lelystad, hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 22 september 2010. Appellant is verschenen, bijgestaan door mr. Gloudi. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. A.H. Rebel.

II. OVERWEGINGEN

1.1. Bij besluit van 1 augustus 2005 heeft het Uwv de uitkering van appellant ingevolge de Wet arbeidsongeschiktheidsverzekering zelfstandigen (WAZ) met ingang van 2 oktober 2005 ingetrokken. Het hiertegen gerichte bezwaar van 23 mei 2006 is bij besluit op bezwaar van 29 augustus 2006 niet-ontvankelijk verklaard. Appellant heeft hiertegen geen rechtsmiddel aangewend, zodat het besluit van 1 augustus 2005 in rechte onaantastbaar is geworden.

1.2. Het Uwv heeft na 1 augustus 2005 naar aanleiding van diverse daartoe strekkende verzoeken van appellant, meerdere keren geweigerd om het besluit van 1 augustus 2005 te herzien. Laatstelijk deed het Uwv dit bij besluit van 27 april 2006.

1.3. Bij uitspraak van 2 maart 2007 (LJN AZ9652) heeft de Raad geoordeeld dat de maximering van de urenomvang van de maatman bij de berekening van de resterende verdiencapaciteit op 38 uur per week, zoals opgenomen in artikel 9, aanhef en onder b, en artikel 10, eerste lid, onder a, van het Schattingsbesluit arbeidsongeschiktheidswetten (zoals vastgesteld op 18 augustus 2004 en in werking getreden op 1 oktober 2004; Stb. 2004, 434), verbindende kracht mist.

1.4. Naar aanleiding van deze uitspraak van de Raad is het Uwv overgegaan tot herberekening van de mate van arbeidsongeschiktheid van appellant. Op basis van deze herberekening heeft het Uwv bij besluit van 12 februari 2008 aan appellant te kennen gegeven dat hij vanaf 2 maart 2007 geen uitkering krijgt ingevolge de WAZ. Uitgaande van zijn situatie per 2 oktober 2005, bedraagt de mate van zijn arbeidsongeschiktheid volgens het Uwv ook bij een berekening waarbij is uitgegaan van het volledige aantal van 50 uren per week dat appellant in zijn maatmanarbeid heeft gewerkt minder dan 25%, als gevolg waarvan niet wordt terug gekomen van het besluit van 1 augustus 2005.

1.5. Het Uwv heeft het tegen het besluit van 12 februari 2008 gerichte bezwaar bij besluit van 2 juni 2008 (bestreden besluit) ongegrond verklaard.

2. De rechtbank heeft in de aangevallen uitspraak het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard.

3. In hoger beroep stelt appellant zich allereerst op het standpunt dat zijn bezwaarschrift van 23 mei 2006 (mede) had moeten worden geacht te zijn gericht tegen het besluit van 27 april 2006, waarbij het Uwv heeft geweigerd om tot herziening van het besluit van 1 augustus 2005 over te gaan. Daarnaast heeft appellant aangevoerd dat, gelet op de uitspraak van de Raad van 2 maart 2007, een volledige heroverweging van het besluit van 1 augustus 2005 had dienen plaats te vinden, waarbij zowel het medische als het arbeidskundige aspect van de schatting ten volle aan bod zou moeten komen. Ten slotte heeft appellant, onder verwijzing naar de uitspraak van de Raad van 28 april 2010 (LJN BM2059) gesteld dat de maximering van zijn maatman ook voor de periode gelegen voor 2 maart 2007 niet in stand kan blijven.

4.1. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.2. De beroepsgrond dat het bezwaarschrift van 23 mei 2006 mede moet worden geacht te zijn gericht tegen het besluit van 27 april 2006 treft geen doel. Uit het besluit van 29 augustus 2006 volgt dat het Uwv het bezwaar van 23 mei 2006 niet-ontvankelijk heeft verklaard omdat hij dit aanmerkte als een te laat bezwaar tegen zijn besluit van 1 augustus 2005. Als appellant van mening was dat hij met zijn bezwaarschrift van 23 mei 2006 ook, en wel tijdig, was opgekomen tegen het besluit van 27 april 2006, had hij tegen het besluit van 29 augustus 2006 een rechtsmiddel moeten aanwenden. Hij heeft dat niet gedaan zodat het besluit van 27 april 2006 in rechte onaantastbaar is geworden.

4.3. Een bestuursorgaan komt de bevoegdheid toe om, niet alleen op een verzoek van een belanghebbende, als bedoeld in artikel 4:6 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb), maar ook uit eigen beweging, een eerder genomen besluit gedeeltelijk dan wel in volle omvang te heroverwegen. De omstandigheid dat dat eerder genomen besluit in rechte onaantastbaar is geworden, staat daar niet aan in de weg. Indien het bestuursorgaan met gebruikmaking van deze bevoegdheid het eerder genomen besluit handhaaft, kan dit echter niet de weg openen naar een toetsing als betrof het een oorspronkelijk besluit. Een dergelijke wijze van toetsen zou zich niet verdragen met de dwingendrechtelijk voorgeschreven termijn(en) voor het instellen van rechtsmiddelen in het bestuursrecht. Gelet hierop dient de bestuursrechter in zulk geval uit te gaan van de oorspronkelijke afwijzing. Zijn toetsing beperkt zich dan in beginsel tot de vraag of sprake is van nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden en, zo ja, of het bestuursorgaan daarin aanleiding had behoren te vinden om het oorspronkelijke besluit te herzien. Daarnaast dient de bestuursrechter met betrekking tot het nieuwe besluit nog de vraag te beantwoorden of kan worden gezegd dat het bestuursorgaan niet in redelijkheid tot het nieuwe besluit heeft kunnen komen dan wel daarbij anderszins heeft gehandeld in strijd met een geschreven of ongeschreven rechtsregel of met een algemeen rechtsbeginsel.

4.4. Naar de Raad reeds meermalen heeft uitgesproken vormt de inhoud van inmiddels tot stand gekomen jurisprudentie op zichzelf geen grond voor het doorbreken van het in rechte onaantastbaar zijn van besluiten waartegen niet in rechte is opgekomen; zie bijvoorbeeld zijn uitspraak van 3 maart 2006 (LJN AV8305). Zoals de Raad daarnaast heeft overwogen in zijn uitspraak van 21 april 2010 (LJN BM1974), kan niet worden gezegd dat het Uwv, in een geval als het onderhavige, waarbij uit eigen beweging wordt overgegaan tot herberekening van de mate van arbeidsongeschiktheid van appellant aan de hand van de volledige urenomvang van de maatmanarbeid, niet in redelijkheid heeft kunnen besluiten om te volstaan met een gedeeltelijke heroverweging van het oorspronkelijke besluit, dan wel dat het Uwv daarbij anderszins heeft gehandeld in strijd met een geschreven of ongeschreven rechtsregel of met een algemeen rechtsbeginsel.

4.5. Uit hetgeen is overwogen in 4.3 en 4.4 volgt dat de beroepsgrond dat het Uwv ten onrechte het besluit van 1 augustus 2005 niet volledig heeft heroverwogen evenmin doel treft.

4.6. De beroepsgrond dat de maximering van de maatman van appellant ook voor de periode gelegen voor 2 maart 2007 dient te worden opgeheven, treft – wat daar ook van zij – reeds geen doel nu de mate van arbeidsongeschiktheid van appellant ook in het bestreden besluit minder dan 25% bedraagt.

5. Het hoger beroep slaagt niet en de aangevallen uitspraak komt voor bevestiging in aanmerking. Het verzoek om veroordeling tot schadevergoeding moet in verband hiermee worden afgewezen.

6. De Raad acht geen termen aanwezig voor een veroordeling in de proceskosten.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep,

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak;

Wijst het verzoek om veroordeling tot vergoeding van schade af.

Deze uitspraak is gedaan door T. Hoogenboom als voorzitter en B.M. van Dun en M. Greebe als leden, in tegenwoordigheid van M. Mostert als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 3 november 2010.

(get.) T. Hoogenboom.

(get.) M. Mostert.

JL