Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2010:BO2863

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
02-11-2010
Datum publicatie
04-11-2010
Zaaknummer
08-5907 WWB
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Herziening, intrekking en terugvordering bijstand. Door geen melding te maken van de geldtransacties en de in verband hiermede genoten inkomsten heeft appellante haar inlichtingenverplichting geschonden waardoor het recht op bijstand in de perioden waarin de transacties hebben plaatsgevonden niet meer kan worden vastgesteld. Appellante heeft geen verifieerbare gegevens overgelegd waaruit de omvang van de genoten inkomsten blijkt. Zij heeft slechts gesteld dat zij € 50,-- voor elk overgemaakt bedrag van € 1.000,-- ontving, maar heeft deze stelling niet met objectieve, controleerbare gegevens onderbouwd.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

08/5907 WWB

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[appellante], wonende te [woonplaats] (hierna: appellante),

tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 11 september 2008, 08/343 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellante

en

het College van burgemeester en wethouders van de gemeente Amsterdam (hierna: College)

Datum uitspraak: 2 november 2010

I. PROCESVERLOOP

Namens appellante heeft mr. E.V. Brunings, advocaat te Amsterdam, hoger beroep ingesteld.

Het College heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 21 september 2010. Appellante is met voorafgaand bericht niet verschenen. Het College heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. M. Mulders, werkzaam bij de gemeente Amsterdam.

II. OVERWEGINGEN

1. De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.

1.1. Appellante ontvangt sedert 10 juli 1997 bijstand naar de norm voor een alleenstaande ouder, laatstelijk op grond van de Wet werk en bijstand (WWB).

1.2. Naar aanleiding van een fraudemelding van de regiopolitie Amsterdam/Amstelland heeft de Afdeling Opsporing van de Dienst Werk en Inkomen van de gemeente Amsterdam een onderzoek ingesteld naar de rechtmatigheid van de aan appellante verleende bijstand. Uit de verkregen informatie van de politie blijkt dat appellante gedurende de periode van 1 april 2002 tot en met 30 april 2007 betrokken was bij 141 geldtransacties (money transfers) naar het buitenland waarmee een totaalbedrag van € 107.372,-- was gemoeid. Appellante is op 27 juni 2007 gehoord en heeft daarbij onder meer verklaard dat zij per transactie maximaal een bedrag van € 50,-- ontving.

1.3. Bij besluit van 20 juli 2007 heeft het College de bijstand van appellante herzien (lees: ingetrokken) over de perioden van 1 april 2002 tot en met 30 september 2002, 1 november 2002 tot en met 31 januari 2003, 1 maart 2003 tot en met 31 december 2003, 1 februari 2004 tot en met 31 augustus 2004, 1 oktober 2004 tot en met 31 oktober 2004, 1 januari 2005 tot en met 31 oktober 2005, 1 januari 2006 tot en met 31 maart 2006 en 1 november 2006 tot en met 30 april 2007 omdat zij haar inlichtingenverplichting niet is nagekomen. Tevens zijn de over deze perioden gemaakte kosten van bijstand van in totaal € 60.078,88 van appellante teruggevorderd.

1.4. Het bezwaar van appellante tegen het besluit van 20 juli 2007 is door het College bij besluit van 13 december 2007 ongegrond verklaard. Daaraan ligt het standpunt ten grondslag dat appellante door geen melding te maken van de geldtransacties en de in verband hiermede genoten inkomsten haar inlichtingenverplichting heeft geschonden waardoor het recht op bijstand in de perioden waarin de transacties hebben plaatsgevonden niet meer kan worden vastgesteld.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep van appellante tegen het besluit van 13 december 2007 ongegrond verklaard.

3. Appellante heeft zich in hoger beroep tegen deze uitspraak gekeerd. Zij stelt zich op het standpunt dat, uitgaande van de door haar gestelde vergoeding van € 50,-- voor elk overgemaakt bedrag van € 1.000,-- vastgesteld kan worden of, en zo ja, appellante in de perioden in geding nog recht had op (aanvullende) bijstand.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1. Tussen partijen is niet in geschil en ook voor de Raad staat vast dat appellante in de onder 1.3 genoemde perioden in geding in totaal 141 money transfers heeft verricht tot een bedrag van in totaal € 107.372,-- . Gelet op het aantal transacties en de daarmee gemoeide bedragen is de Raad van oordeel dat sprake is van op geld waardeerbare arbeid. Het moet appellante redelijkerwijs duidelijk zijn geweest dat deze activiteiten van invloed konden zijn op haar recht op bijstand. Appellante heeft deze activiteiten niet gemeld aan het College en daarmee de op haar rustende inlichtingenverplichting geschonden.

4.2. Volgens vaste rechtspraak levert schending van de inlichtingenverplichting een rechtsgrond op voor intrekking van de bijstand, indien als gevolg daarvan niet kan worden vastgesteld of, en zo ja, in hoeverre, de betrokkene verkeert in bijstandbehoevende omstandigheden. Het is aan betrokkene om feiten te stellen en zonodig te bewijzen dat in het geval wel aan de inlichtingenverplichting zou zijn voldaan over de betreffende perioden recht op (aanvullende) bijstand bestond.

4.3. De Raad is van oordeel dat appellante daarin niet is geslaagd. Appellante heeft geen verifieerbare gegevens overgelegd waaruit de omvang van de genoten inkomsten blijkt. Zij heeft slechts gesteld dat zij € 50,-- voor elk overgemaakt bedrag van € 1.000,-- ontving, maar heeft deze stelling niet met objectieve, controleerbare gegevens onderbouwd. Onder verwijzing naar zijn uitspraken van 24 februari 2009, LJN BH4362 en LJN BH4364, overweegt de Raad dat de gevolgen hiervan voor haar rekening komen.

4.4. Uit het vorenstaande volgt dat appellante aan het College geen toereikende inlichtingen en gegevens heeft verstrekt om het recht op bijstand te kunnen vaststellen, zodat het College bevoegd was om met toepassing van artikel 54, derde lid, aanhef en onder a, van de WWB over te gaan tot intrekking van de bijstand over de maanden waarin één of meer money transfers hebben plaatsgevonden. De wijze waarop het College van zijn bevoegdheid tot intrekking gebruik heeft gemaakt is door appellante niet bestreden. Ten aanzien van de terugvordering zijn geen afzonderlijke beroepsgronden aangevoerd, zodat deze verder buiten bespreking kan blijven.

4.5. Uit het vorenstaande volgt dat het hoger beroep niet slaagt. De aangevallen uitspraak dient derhalve te worden bevestigd.

5. De Raad ziet geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door A.B.J. van der Ham, in tegenwoordigheid van J. de Jong als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 2 november 2010.

(get.) A.B.J. van der Ham.

(get.) J. de Jong.

RB