Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2010:BO2862

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
02-11-2010
Datum publicatie
04-11-2010
Zaaknummer
08-3023 WWB
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Herziening, intrekking en terugvordering omdat appellante, gezien de onduidelijke woonsituatie, de op haar rustende wettelijke inlichtingenverplichting niet is nagekomen en dat als gevolg daarvan het recht op bijstand niet (langer) kan worden vastgesteld. Van belang wordt geacht dat appellante zowel tijdens het huisbezoek als in de gesprekken daarna heeft ontkend dat er behalve haar kinderen anderen op haar adres blijven overnachten. Pas nadat zij was geconfronteerd met de resultaten van de waarnemingen (...) heeft zij verklaard dat betrokkene sedert een week bij haar verbleef.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

08/3023 WWB

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[appellante], wonende te [woonplaats] (hierna: appellante),

tegen de uitspraak van de rechtbank van ’s-Hertogenbosch van 11 april 2008, 08/805 en 08/913 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellante

en

het College van burgemeester en wethouders van de gemeente ’s-Hertogenbosch (hierna: College)

Datum uitspraak: 2 november 2010

I. PROCESVERLOOP

Namens appellante heeft mr. M. van Vliet, advocaat te ’s-Hertogenbosch, hoger beroep ingesteld.

Het College heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 21 september 2010. Appellante is verschenen, bijgestaan door mr. Van Vliet. Het College heeft zich laten vertegenwoordigen door A.M. Jacobs, werkzaam bij de gemeente ’s-Hertogenbosch.

II. OVERWEGINGEN

1. De Raad gaat uit van de volgende feiten en omstandigheden.

1.1. Appellante ontvangt vanaf 1 november 1984 bijstand naar de norm voor een alleenstaande ouder, laatstelijk ingevolge de Wet werk en bijstand (WWB).

1.2. Naar aanleiding van het vermoeden dat appellante een gezamenlijke huishouding voerde met [F.], is door de Afdeling Arbeidsmarkt en Sociale Zaken, Team Handhaving, een onderzoek ingesteld naar de rechtmatigheid van de aan appellante verleende bijstand. In dat kader is dossieronderzoek gedaan, is informatie opgevraagd bij de Dienst Wegverkeer (hierna: RDW), zijn over diverse perioden waarnemingen gedaan, is op 18 oktober 2007 een huisbezoek bij appellante afgelegd waarbij appellante een verklaring heeft afgelegd omtrent haar woonsituatie en zijn met appellante op 24 oktober 2007 en met appellante, [F.] en [B.] op 29 oktober 2007 gesprekken gevoerd. De bevindingen van het onderzoek zijn neergelegd in een rapport van 30 oktober 2007. Op grond daarvan heeft het College geconcludeerd dat appellante, gezien de onduidelijke woonsituatie, de op haar rustende wettelijke inlichtingenverplichting niet is nagekomen en dat als gevolg daarvan het recht op bijstand niet (langer) kan worden vastgesteld.

1.3. Bij besluit van 15 november 2007 heeft het College de bijstand van appellante met ingang van 29 oktober 2007 herzien/ beëindigd ( lees: ingetrokken), en de gemaakte kosten van bijstand over de periode van 29 oktober 2007 tot 1 november 2007 tot een bedrag van € 91,74 van haar teruggevorderd.

1.4. Bij besluit van 22 januari 2008 heeft het College het bezwaar tegen het besluit van 15 november 2007 ongegrond verklaard.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de voorzieningenrechter van de rechtbank, voor zover van belang, het beroep van appellante tegen het besluit van 22 januari 2008 ongegrond verklaard.

3. Appellante heeft zich gemotiveerd tegen deze uitspraak gekeerd, voor zover daarbij het beroep ongegrond is verklaard.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1. De Raad stelt allereerst vast dat de intrekking van de aan appellante verleende bijstand, naar vaste rechtspraak van de Raad, de periode bestrijkt tot en met de datum van het primaire intrekkingsbesluit. Dit betekent dat hier beoordeeld dient te worden de periode van 29 oktober 2007 tot en met 15 november 2007.

4.2. Evenals de voorzieningenrechter en het College is de Raad van oordeel dat appellante heeft nagelaten aan het College mededeling te doen van een voor de voortzetting van verleende bijstand van belang zijnde wijziging in haar woon-of leefsituatie en dat als gevolg daarvan het recht op bijstand niet (langer) kan worden vastgesteld.

4.3. In dit verband acht de Raad van belang dat appellante zowel tijdens het huisbezoek als in de gesprekken daarna heeft ontkend dat er behalve haar kinderen anderen op haar adres blijven overnachten. Pas nadat zij was geconfronteerd met de resultaten van de waarnemingen in de periode van 19 oktober 2007 tot en met 23 oktober 2007 en van

24 oktober 2007 tot en met 29 oktober 2007 waaruit bleek dat een (kalende) man met een brommer waarvan het kenteken op naam stond van [F.] met enige regelmaat ’s-morgens vroeg haar woning verliet, heeft zij verklaard dat [B.] sedert een week bij haar verbleef. [B.] heeft dit echter aanvankelijk tegenover de opsporingsambtenaren ontkend, maar heeft later weer zijn verklaring gewijzigd in die zin dat hij wel bij appellante verbleef. Verder acht de Raad van belang dat het signalement van [B.] niet overeenstemt met dat van de man die ’s-ochtends de woning van appellante op de brommer verliet, terwijl [F.] wel aan dat signalement voldoet. Appellante heeft eerst op 2 november 2007 van het verblijf van [B.] in haar woning melding gemaakt. Aan de stelling van appellante dat zij wel aan haar inlichtingenverplichting heeft voldaan gaat de Raad in het licht van het vorenstaande voorbij.

4.4. Het College was dan ook bevoegd om met toepassing van artikel 54, derde lid, aanhef en onder a, van de WWB de bijstand in te trekken met ingang van 29 oktober 2007. In hetgeen appellante heeft aangevoerd, namelijk dat het College de uitkering eerst had moeten opschorten en nader onderzoek had moeten doen, ziet de Raad geen grond voor het oordeel dat het College bij afweging van de hierbij rechtstreeks betrokken belangen in redelijkheid geen gebruik heeft kunnen maken van zijn bevoegdheid tot intrekking.

4.5. Uit het vorenstaande vloeit tevens voort dat aan de voorwaarden voor toepassing van artikel 58, eerste lid, aanhef en onder a, van de WWB is voldaan, zodat het College bevoegd was om tot terugvordering over te gaan.

4.6. In het voorliggende geval heeft het College in overeenstemming met het terugvorderingsbeleid gehandeld. In hetgeen appellante heeft aangevoerd, ziet de Raad voorts geen grond voor het oordeel dat het College, met overeenkomstige toepassing van artikel 4:84 (slot) van de Algemene wet bestuursrecht, in afwijking van het beleid geheel of gedeeltelijk van terugvordering had moeten afzien.

4.7. Gelet op het vorenstaande komt de aangevallen uitspraak, voor zover aangevochten, voor bevestiging in aanmerking.

5. De Raad ziet geen aanleiding voor een veroordeling in de proceskosten.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak voor zover aangevochten.

Deze uitspraak is gedaan door A.B.J. van der Ham, in tegenwoordigheid van J. de Jong als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 2 november 2010.

(get.) A.B.J. van der Ham.

(get.) J. de Jong.

HD