Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2010:BO2860

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
03-11-2010
Datum publicatie
04-11-2010
Zaaknummer
10-1160 WW
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Herziening en (bruto) terugvordering onverschuldig betaalde WW-uitkering. Gefingeerd dienstverband. Bewijs: Nu de verklaringen die in het kader van het fraudeonderzoek zijn verzameld stelligheid en eenduidigheid met betrekking tot de relevante feiten ontberen is de Raad, mede gelet op de verklaringen van v. S., niet ervan overtuigd geraakt dat die stelling gedragen wordt door de beschikbare feiten.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

10/1160 WW

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[appellante], wonende te [woonplaats] (hierna: appellante),

tegen de uitspraak van de rechtbank ’s-Gravenhage van 13 januari 2010, 09/1707 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellante

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv).

Datum uitspraak: 3 november 2010

I. PROCESVERLOOP

Namens appellante heeft mr. H. Polat-Kiliç, advocaat te ’s-Gravenhage, hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 22 september 2010, waar appellante is verschenen, bijgestaan door mr. Polat-Kiliç. Ter zitting zijn vier door appellante opgeroepen getuigen gehoord. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door W.H.M. Visser.

II. OVERWEGINGEN

1.1. Met een aanvraag van 11 oktober 2005, waarbij appellante heeft gesteld dat zij van 6 september 2004 tot en met 7 oktober 2005 een dienstverband heeft gehad met het uitzendbureau [naam uitzendbureau], heeft appellante het Uwv verzocht in aanmerking te komen voor een uitkering ingevolge de Werkloosheidswet (WW). Dit verzoek is ingewilligd en aan appellante is een WW-uitkering toegekend over de periode van 10 oktober 2005 tot en met 9 oktober 2006.

1.2. Naar aanleiding van signalen over fraude bij het uitzendbureau [naam uitzendbureau] heeft een tweetal rapporteurs van het Uwv een onderzoek ingesteld. Tijdens dit onderzoek hebben zij gesprekken gevoerd met eigenaren van bedrijven waar appellante volgens de administratie van het uitzendbureau [naam uitzendbureau] in de periode van 6 september 2004 tot en met 7 oktober 2005 gewerkt heeft. Daaronder bevonden zich de eigenaren van het bedrijf M. en P. [v. S.]. De resultaten van dit onderzoek zijn neergelegd in een Rapport werknemersfraude van 2 september 2008. Op grond van de onderzoeksresultaten heeft het Uwv geconcludeerd dat appellante een gefingeerd dienstverband heeft gehad met uitzendbureau [naam uitzendbureau] en dat zij met tussenkomst van dit uitzendbureau nooit persoonlijk arbeid heeft verricht. Zij is derhalve geen werknemer in de zin van de WW geweest. Bij besluit van 22 september 2008 heeft het Uwv de aan appellante toegekende uitkering herzien in die zin dat is bepaald dat zij van 10 oktober 2005 tot en met 9 oktober 2006 ten onrechte een WW-uitkering heeft ontvangen. Tevens is bij dit besluit bepaald dat de over deze periode uitbetaalde bruto-uitkering ter hoogte van € 17.101,87 van appellante wordt teruggevorderd als onverschuldigd betaald.

2.1. Tegen het besluit van 22 september 2008 heeft appellante bezwaar gemaakt. Zij stelt dat zij wel werkzaamheden heeft verricht en ontkent dat er sprake is geweest van een gefingeerd dienstverband met het uitzendbureau [naam uitzendbureau]. Als verklaring voor de omstandigheid dat zij tijdens het fraudeonderzoek niet is herkend door de verschillende eigenaren heeft zij naar voren gebracht dat tijdens dit onderzoek aan deze eigenaren een kopie van haar paspoort is getoond met een pasfoto waar zij, anders dan tijdens haar werk, zonder hoofddoek op stond. Ook de omstandigheid dat het gaat om werkzaamheden in de jaren 2004 en 2005 heeft er naar haar mening aan bijgedragen dat deze eigenaren haar niet meer voor de geest hebben kunnen halen.

2.2. Bij bestreden besluit van 30 januari 2009 heeft het Uwv het primaire besluit gehandhaafd.

2.3. De rechtbank heeft zich kunnen verenigen met het bestreden besluit en heeft het beroep ongegrond verklaard.

3. In hoger beroep heeft appellante, onder verwijzing naar een aantal zich onder gedingstukken bevindende verklaringen, haar eerdere in de procedure naar voren gebrachte gronden herhaald.

4. De Raad overweegt als volgt.

4.1. Aanvankelijk hebben de broers [v. S.], eigenaren van het bedrijf van M. en P. [v. S.], tegenover de rapporteurs verklaard dat appellante niet op hun bedrijf had gewerkt en dat zij appellante niet kenden. Naderhand zijn zij echter op deze verklaringen teruggekomen. Bij een confrontatie op 10 juni 2008 tussen appellante en M. [v. S.] heeft deze laatste verklaard dat appellante wel eens op het bedrijf van hem en zijn broer heeft gewerkt. Voorts heeft P. [v. S.] na de totstandkoming van het rapport van 2 september 2008 schriftelijk verklaard dat appellante in de periode van september 2004 tot oktober 2005 heeft gewerkt op het bedrijf van hem en zijn broer. Ter zitting heeft P. [v. S.], gehoord als getuige, zijn schriftelijke verklaring bevestigd. Hij heeft daarbij uiteengezet dat bij appellant op de hem door de rapporteurs getoonde foto niet heeft kunnen herkennen, omdat hem een kopie van slechte kwaliteit van een kleine foto van een vrouw zonder hoofddoek werd getoond.

4.2. Op het Uwv rust de verplichting om zijn stelling te onderbouwen dat appellante in de periode van 10 oktober 2005 tot en met 9 oktober 2006 geen werkneemster is geweest. Nu de verklaringen die in het kader van het fraudeonderzoek zijn verzameld stelligheid en eenduidigheid met betrekking tot de relevante feiten ontberen is de Raad, mede gelet op de verklaringen van [v. S.], niet ervan overtuigd geraakt dat die stelling gedragen wordt door de beschikbare feiten. Dit brengt de Raad tot de conclusie dat het Uwv het aan het bestreden besluit ten grondslag gelegde standpunt dat appellante in de hier bedoelde periode in het geheel niet heeft gewerkt, in onvoldoende mate heeft onderbouwd. Dit betekent dat de rechtbank het bestreden besluit bij de aangevallen uitspraak ten onrechte in stand heeft gelaten en dat daarom die uitspraak voor vernietiging in aanmerking komt.

5. De Raad acht termen aanwezig om op grond van artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht het Uvw te veroordelen in de proceskosten van appellante in beroep en in hoger beroep. Die voor verleende rechtsbijstand in beroep worden begroot op € 644,-- en voor verleende rechtsbijstand in hoger beroep op € 874,--, in totaal derhalve op € 1.518,--.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep,

Recht doende:

Vernietigt de aangevallen uitspraak;

Verklaart het beroep tegen het bestreden besluit gegrond en vernietigt dat besluit;

Bepaalt dat het Uwv een nieuwe beslissing op bezwaar neemt met inachtneming van hetgeen in deze uitspraak is overwogen;

Veroordeelt het Uwv in de proceskosten van appellante tot een bedrag van € 1.518,--;

Bepaalt dat het Uwv aan appellante het betaalde griffierecht ten bedrage van € 149,-- vergoedt.

Deze uitspraak is gedaan door T. Hoogenboom als voorzitter en B.M. van Dun en M. Greebe als leden, in tegenwoordigheid van M. Mostert als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 3 november 2010.

(get.) T. Hoogenboom.

(get.) M. Mostert.

JL