Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2010:BO2836

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
03-11-2010
Datum publicatie
04-11-2010
Zaaknummer
10-2545 WW
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Niet in geschil is dat appellant niet behoort tot de in artikel 53, eerste en tweede lid, van de WW omschreven categorieen van personen die tot de vrijwillige werkloosheidsverzekering kunnen worden toegelaten. Beroep op vertrouwensbeginsel faalt: van de zijde van het Uwv zijn geen mededelingen aan appellant gedaan waaraan deze het gerechtvaardigde vertrouwen heeft mogen ontlenen dat een verzoek van hem om toelating tot de vrijwillige werkloosheidsverzekering zou worden ingewilligd.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

10/2545 WW

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[appellant], wonende te [woonplaats] (hierna: appellant),

tegen de uitspraak van de rechtbank Roermond van 1 april 2010, 09/1695 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellant

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv)

Datum uitspraak: 3 november 2010

I. PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. M.A. Misker, werkzaam bij ARAG Rechtsbijstand, hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 13 oktober 2010. Appellant is verschenen met bijstand van mr. Misker. Het Uwv heeft zich niet laten vertegenwoordigen.

II. OVERWEGINGEN

1.1. Appellant was werkzaam in dienst van [naam werkgever] te [vestigingsplaats]. Hij heeft met zijn echtgenote in het kader van een zogenoemd persoonsgebonden budget een zorgovereenkomst voor onbepaalde tijd gesloten om met ingang van 17 februari 2009 gedurende 20 uren per week persoonlijke verzorging en begeleiding te verlenen. In verband daarmee heeft hij zijn arbeidstijd bij [naam werkgever] verminderd tot 24 uur per week.

1.2. Op 26 februari 2009 heeft appellant het Uwv verzocht om toelating tot de vrijwillige verzekering ingevolge de Ziektewet (ZW), de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen ( Wet WIA) en de Werkloosheidswet (WW).

1.3. Bij besluit van 1 juli 2009 heeft het Uwv dit verzoek ingewilligd vanaf 1 maart 2009 voor de ZW en de Wet WIA. Bij besluit van 31 juli 2009 heeft het Uwv het verzoek om toegelaten te worden tot de vrijwillige WW-verzekering afgewezen op de grond dat appellant niet tot één van de in de WW genoemde groepen van personen behoort die toegelaten kunnen worden tot de vrijwillige WW-verzekering.

1.4. Bij besluit van 13 oktober 2009, voor zover hier van belang, heeft het Uwv het bezwaar tegen het besluit van 31 juli 2009 ongegrond verklaard. Daarbij is onder meer overwogen dat geen sprake is van een dienstbetrekking tussen appellant en zijn echtgenote. Voorts is het Uwv van mening dat aan telefonisch verstrekte inlichtingen geen rechten kunnen worden ontleend.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het standpunt van het Uwv onderschreven en het door appellant tegen het besluit van 13 oktober 2009 ingestelde beroep ongegrond verklaard.

3. Appellant heeft zich in hoger beroep tegen deze uitspraak gekeerd. Volgens hem heeft het Uwv hem verkeerd geïnformeerd en is de rechtbank ten onrechte voorbijgegaan aan hetgeen is vermeld in een telefoonnotitie van 21 april 2009.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1. Niet in geschil is dat appellant niet behoort tot de in artikel 53, eerste en tweede lid, van de WW omschreven categorieen van personen die tot de vrijwillige werkloosheidsverzekering kunnen worden toegelaten.

4.2. Het beroep van appellant op het vertrouwensbeginsel faalt. Met de rechtbank is de Raad van oordeel dat van de zijde van het Uwv geen mededelingen aan appellant zijn gedaan waaraan deze het gerechtvaardigde vertrouwen heeft mogen ontlenen dat een verzoek van hem om toelating tot de vrijwillige werkloosheidsverzekering zou worden ingewilligd. De informatie waarop appellant zich beroept is volgens hem telefonisch door T. Vermeer, medewerkster van het Uwv, eind januari 2009, dus nog voorafgaand aan het indienen van een aanvraag, verstrekt. Deze medewerkster heeft desgevraagd niet kunnen aangeven hoe appellant zijn situatie toen geschetst heeft en wat zij wel of niet gezegd heeft. Dat blijkt, anders dan appellant veronderstelt, ook niet uit de notitie van het telefoongesprek dat op 21 april 2009 met appellant is gevoerd.

4.3. Het hoger beroep slaagt niet. De aangevallen uitspraak komt voor bevestiging in aanmerking.

5. De Raad ziet geen aanleiding voor een veroordeling in de proceskosten.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door G.A.J. van den Hurk als voorzitter en H.G. Rottier en M. Greebe als leden, in tegenwoordigheid van A.L. de Gier als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 3 november 2010.

(get.) G.A.J. van den Hurk.

(get.) A.L. de Gier.

JL