Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2010:BO2807

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
20-10-2010
Datum publicatie
04-11-2010
Zaaknummer
09-4471 WMO
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Afwijzing aanvraag voor een vervoersvoorziening in de vorm van een vergoeding voor de meerkosten van de aanschaf en aanpassing van een rolstoelbus, met toekenning van vervoerskostenvergoeding. Besluit is door de rechtbank vernietigd. Hangende hoger beroep is ter uitvoering van de aangevallen uitspraak een nieuw besluit genomen. Na heroverweging is beslist dat aan appellante een vergoeding voor individueel rolstoeltaxivervoer wordt toegekend van € 1.901,-- per jaar, alsmede een persoonsgebonden budget van € 13.759,--, zijnde de tegenwaarde van een elektrische rolstoel en een tillift. Beroep op vertrouwensbeginsel faalt.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

09/4471 WMO

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[appellante], wonende te [woonplaats], (hierna: appellante)

tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 2 juli 2009, 08/4915 (hierna: aangevallen uitspraak)

in het geding tussen

appellante

en

het College van burgemeester en wethouders van de gemeente Amstelveen (hierna: College)

Datum uitspraak: 20 oktober 2010

I. PROCESVERLOOP

Namens appellante heeft mr. dr. M.F. Vermaat, advocaat te Amsterdam, hoger beroep ingesteld en nadere stukken ingezonden.

Het College heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft, gevoegd met dat in de zaak 09/6371 WMO, plaatsgevonden op 8 september 2010. Appellante is verschenen, bijgestaan door mr. dr. Vermaat. Het College heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. A.P.E. de Zwart-Dulfer.

In de zaak 09/6371 WMO is het onderzoek ter zitting geschorst en zal op een later tijdstip uitspraak worden gedaan. In de zaak 09/4471 WMO wordt thans uitspraak gedaan.

II. OVERWEGINGEN

1. De Raad gaat uit van de volgende feiten en omstandigheden.

1.1. Appellante, geboren op 23 februari 1945, heeft een dwarslaesie. Zij heeft op 10 mei 2007 op grond van het bepaalde bij en krachtens de Wet maatschappelijke ondersteuning (Wmo) een aanvraag ingediend voor een vervoersvoorziening in de vorm van een vergoeding voor de meerkosten van de aanschaf en aanpassing van een rolstoelbus: een VW Transporter T5.

1.2. De arts J.M. Hobbelt-Stoker, verbonden aan Argonaut Advies B.V., heeft het College bij rapport van 6 juli 2007 van advies gediend. Appellante is door de dwarslaesie verlamd aan de benen en de linkerarm. Voorts heeft zij in toenemende mate moeite met het op peil houden van de temperatuur in haar benen bij lage buitentemperaturen. Zij kan geen gebruik maken van het regiovervoer en VALYS en is aangewezen op vervoer in een verwarmd vervoermiddel. Geconcludeerd is dat er een indicatie is voor een vervoersvoorziening in de vorm van een autoaanpassing.

1.3. De arts J. Biersteker, verbonden aan Argonaut Advies B.V., heeft het College bij rapport van 30 januari 2008 aanvullend geadviseerd over de aanvraag van appellante. Geconcludeerd is dat appellante met het collectief vervoer kan reizen, indien bij langere reizen een chemisch toilet kan worden meegenomen. Appellante moet zittend in de rolstoel vervoerd kunnen worden en zij is aangewezen op extra service van de chauffeur bij vervoer van deur tot deur.

1.4. Het College heeft de aanvraag bij besluit van 14 maart 2008 afgewezen op de grond dat appellante is geïndiceerd voor individueel rolstoeltaxivervoer. Het College heeft haar in plaats van de aangevraagde voorziening een vervoerskostenvergoeding toegekend. Rekening houdend met haar inkomen is die vergoeding vastgesteld op het verschil tussen de kosten van een rolstoeltaxi en een reguliere taxi, zijnde € 672,55 per jaar.

1.5. Appellante heeft bezwaar gemaakt tegen het besluit van 14 maart 2008.

1.6. Hangende dat bezwaar heeft het College nader advies ingewonnen van de arts Koning-van den Berg van Saparoea, verbonden aan Trompetter & Van Eeden. Deze is blijkens een rapport van 27 juni 2008 tot de conclusie gekomen dat er geen contra-indicatie is voor individueel rolstoeltaxivervoer mits appellante in een adequate rolstoel, voorzien van hoofdsteun en rompfixatie, wordt vervoerd en gebruik kan maken van deur tot deur begeleiding.

1.7. Het College heeft het bezwaar bij besluit van 31 oktober 2008 gedeeltelijk gegrond verklaard. Aan appellante is na heroverweging een vervoerskostenvergoeding toegekend van € 1.901,-- per jaar, zijnde het verschil tussen de kosten van een rolstoeltaxi en de kosten van een gewone taxi plus een toeslag in verband met extra wachttijden.

1.8. Appellante heeft beroep ingesteld tegen het besluit van 31 oktober 2008. Zij heeft ondermeer beroepsgronden aangevoerd tegen de weigering om de meerkosten van aanschaf en aanpassing van een auto te verstrekken, tegen de gevolgde adviesprocedure en tegen de hoogte van de toegekende vergoeding. Voorts is een beroep gedaan op het vertrouwensbeginsel. Appellante stelt zich op het standpunt dat in de procedure bij haar vertrouwen is gewekt dat haar aanvraag positief zou worden gehonoreerd. Appellante heeft daarbij in de eerste plaats een beroep gedaan op de voorgeschiedenis. Haar is op grond van Wet voorzieningen gehandicapten wel een aangepaste auto toegekend. Voorts heeft zij een beroep gedaan op de gang van zaken bij de voorbereiding van het primaire besluit. Argonaut-arts Hobbelt-Stoker heeft geadviseerd om de aangevraagde voorziening toe te kennen. Wmo-consulente H.E. van den Hoek heeft uitlatingen gedaan waaruit zij heeft afgeleid dat de aanvraag zou worden toegekend en er heeft vanwege de gemeente een beoordeling door een externe deskundige plaatsgevonden van de noodzakelijke aanpassingen.

2. De rechtbank heeft het beroep van appellante tegen het besluit van 31 oktober 2008 gegrond verklaard, dat besluit vernietigd en het College opgedragen een nieuw besluit te nemen op het bezwaar van appellante met inachtneming van haar uitspraak. Zij heeft daarbij overwogen dat uit de twee meest recente adviezen aan het College blijkt dat appellante gebruik kan maken van een individuele rolstoeltaxi en dat appellante geen contra-expertise heeft overgelegd waaruit het tegendeel kan worden afgeleid. Uit die adviezen blijkt echter ook dat appellante moet worden vervoerd in een adequate rolstoel voorzien van hoofdsteun en rompfixatie. Nu daarmee in het besluit van 31 oktober 2008 geen rekening is gehouden dient dit besluit te worden vernietigd. De rechtbank heeft het College opgedragen bij het nemen van het nieuwe besluit op bezwaar voorts te betrekken dat appellante voor een persoonsgebonden budget in aanmerking wenst te komen en te bezien of een tillift nodig is. Voorts heeft zij overwogen dat het College de hoogte van de toegekende vergoeding voor vervoer onjuist heeft bepaald door de kosten van een rolstoeltaxi niet te vergelijken met de kosten van een gewone auto. De rechtbank heeft de tegen de gevolgde adviesprocedure gerichte beroepsgronden verworpen evenals het beroep op het vertrouwensbeginsel. Over laatstgenoemde beroepsgrond heeft zij het volgende overwogen: “Met betrekking tot het beroep dat eiseres doet op het vertrouwensbeginsel overweegt de rechtbank het volgende. Volgens vaste rechtspraak van de Centrale Raad van Beroep moet sprake zijn van een uitdrukkelijke, ondubbelzinnige en onvoorwaardelijke toezegging van de zijde van het bevoegde orgaan, wil een beroep op het vertrouwensbeginsel in rechte kunnen worden gehonoreerd. Naar het oordeel van de rechtbank is in het onderhavige geval van een dergelijke toezegging geen sprake. Het e-mail bericht van mevrouw Van den Hoek van 13 december 2007 waarop eiseres doelt, kan niet als zodanig worden gekwalificeerd nu daaruit niet ondubbelzinnig blijkt dat de gevraagde vergoeding zal worden toegekend. De omstandigheid dat eiseres mede op basis van het eerste deskundigenadvies in de veronderstelling verkeerde dat de aanpassingen zouden worden vergoed, maakt dit naar het oordeel van de rechtbank niet anders, aangezien er nog steeds geen sprake is van een uitdrukkelijke, ondubbelzinnige en onvoorwaardelijke toezegging.”

3.1. Appellante heeft hoger beroep ingesteld tegen de beslissing van de rechtbank over het beroep op het vertrouwensbeginsel. Zij heeft aangevoerd dat zij er in de context van de voorgeschiedenis waarin haar wel een aangepaste auto is verstrekt, gevoegd bij het advies van de arts Hobbelt-Stoker, de uitlatingen van de Wmo-consulente Van den Hoek en de vanwege de gemeente verrichte beoordeling welke aanpassingen noodzakelijk zijn, op mocht vertrouwen dat de aangevraagde voorziening zou worden toegekend.

3.2. Het College heeft gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank.

3.3. Het College heeft hangende hoger beroep ter uitvoering van de aangevallen uitspraak een nieuw besluit op bezwaar d.d. 21 oktober 2009 genomen. Het besluit houdt in dat het bezwaar gedeeltelijk gegrond wordt verklaard. Na heroverweging is beslist dat aan appellante een vergoeding voor individueel rolstoeltaxivervoer wordt toegekend van € 1.901,-- per jaar, alsmede een persoonsgebonden budget van € 13.759,--, zijnde de tegenwaarde van een elektrische rolstoel en een tillift.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1. De Raad is van oordeel dat het besluit van 21 oktober 2009 een besluit is als bedoeld in artikel 6:18, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb), dat op grond van de artikelen 6:19, eerste lid, en 6:24 van de Awb in de beoordeling zal worden betrokken.

4.2. Voor een weergave van de van toepassing zijnde wet- en regelgeving verwijst de Raad naar de aangevallen uitspraak.

4.3. De Raad verwerpt het beroep op het vertrouwensbeginsel. Hij kan zich geheel verenigen met hetgeen de rechtbank daarover heeft overwogen. Hij maakt die overwegingen tot de zijne. De Raad voegt daar nog aan toe dat Wmo-consulente Van den Hoek geen bevoegd orgaan is en dat appellante er gezien eerdere contacten met de gemeente mee bekend is dat besluiten van het College worden gebaseerd op een daaraan voorafgaande procedure van voorbereiding, waarin advies wordt ingewonnen. Het is aan het College als bevoegd orgaan om te beoordelen of een ingewonnen advies toereikend is om een besluit te nemen op de aanvraag van een belanghebbende. Met het uitbrengen van een positief medisch advies is niet automatisch gegeven dat een aangevraagde voorziening door het bevoegde orgaan moet worden toegekend, reeds niet omdat het beoordelingskader van voorzieningen ingevolge de Wmo meer omvattend is dan alleen het medische aspect.

4.4. Uit hetgeen overwogen is onder 4.3 vloeit voort dat het hoger beroep niet slaagt en dat de aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

5. De Raad acht geen termen aanwezig voor een proceskostenveroordeling.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak voor zover aangevochten.

Deze uitspraak is gedaan door R.M. van Male als voorzitter en G.M.T. Berkel-Kikkert en M.I. ’t Hooft als leden, in tegenwoordigheid van J. Waasdorp als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 20 oktober 2010.

(get.) R.M. van Male.

(get.) J. Waasdorp.

IJ