Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2010:BO2768

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
02-11-2010
Datum publicatie
04-11-2010
Zaaknummer
08-6712 WWB
Formele relaties
Einduitspraak na bestuurlijke lus: ECLI:NL:CRVB:2012:BX1688
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Gezamenlijke huishouding. Intrekking en (mede)terugvordering bijstand. Horen getuigen in beroep. De bevindingen van het onderzoek vormen een toereikende grondslag voor de conclusie dat appellanten ten tijde in geding hun gezamenlijk hoofdverblijf hadden op het adres van appellante. In het algemeen mag van de juistheid van een tegenover een sociaal rechercheur afgelegde en door de betrokkene ondertekende verklaring worden uitgegaan en aan het later herroepen of wijzigen ervan kan geen zwaarwegende betekenis worden toegekend.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JWWB 2010/250
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

08/6712 WWB

08/6713 WWB

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op de hoger beroepen van:

[Appellante 1], wonende te [woonplaats] (hierna: appellante 1) en

[Appellante 2] wonende te [woonplaats] (hierna: appellante 2),

tegen de uitspraak van de rechtbank Rotterdam van 16 oktober 2008, 07/4470 en 07/4471 (hierna: aangevallen uitspraak),

in de gedingen tussen:

appellanten

en

het College van burgemeester en wethouders van de gemeente Maassluis (hierna: College)

Datum uitspraak: 2 november 2010

I. PROCESVERLOOP

Bij afzonderlijke geschriften heeft mr. P. Hoogenraad, advocaat te Maassluis, namens appellanten hoger beroep ingesteld.

Het College heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 10 augustus 2010. Appellanten zijn verschenen, bijgestaan door mr. Hoogenraad. Het College heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. M.M.S. van Sprundel-Steenwinkel, werkzaam bij de gemeente Maassluis.

II. OVERWEGINGEN

1. De Raad gaat uit van de volgende van belang zijnde feiten en omstandigheden.

1.1. Appellante 1 ontving sinds 25 oktober 2004 bijstand naar de norm voor een alleenstaande ouder op grond van de Wet werk en bijstand (WWB).

1.2. Naar aanleiding van een anonieme melding dat appellante 1 samenwoont met een vrouw, heeft de sociale recherche van de gemeente Maassluis een onderzoek ingesteld naar de rechtmatigheid van de aan appellante 1 verleende bijstand. In dat kader is in de periode van 15 februari 2007 tot 15 maart 2007 geobserveerd bij de woning van appellante 1 te [woonplaats], zijn appellanten op 20 maart 2007 door sociaal rechercheur L.D. van der Linde gehoord en zijn op 26 maart 2007 gegevens opgevraagd van het verbruik van water, gas en elektra op het adres van appellante 2 te [woonplaats].

De sociaal rechercheur heeft zijn bevindingen neergelegd in een rapportage die hij op 27 maart 2007 heeft afgesloten. Op grond van de onderzoeksresultaten is het College tot de conclusie gekomen dat appellanten vanaf 1 april 2006 een gezamenlijke huishouding voeren.

1.3. Bij besluit van 25 mei 2007 heeft het College de bijstand van appellante 1 met ingang van 1 april 2006 ingetrokken en de gemaakte kosten van bijstand over de periode van 1 april 2006 tot en met 28 februari 2007 van haar teruggevorderd tot een bedrag van € 14.903,43. Bij afzonderlijk besluit van eveneens 25 mei 2007 heeft het College appellante 2 meegedeeld dat dit bedrag mede van haar wordt teruggevorderd.

1.4. Bij afzonderlijke besluiten van 6 november 2007 heeft het College de bezwaren van appellanten tegen de besluiten van 25 mei 2007 ongegrond verklaard. Het College heeft aan zijn besluitvorming ten grondslag gelegd dat appellante 1 gedurende de betreffende periode, zonder daarvan melding te maken aan het College, in haar woning met

appellante 2 een gezamenlijke huishouding heeft gevoerd, zodat zij niet als zelfstandig rechtssubject van bijstandsverlening kan worden beschouwd en daarom geen recht had op de aan haar toegekende bijstand naar de norm voor een alleenstaande ouder.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank de beroepen van appellanten ongegrond verklaard.

3. Appellanten hebben zich tegen de uitspraak van de rechtbank gekeerd. Zij hebben aangevoerd dat de rechtbank de door hen genoemde getuige had moeten horen en dat de bezwaarschriftenprocedure niet op correcte wijze is verlopen. Zij bestrijden verder dat zij een gezamenlijke huishouding hebben gevoerd.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1. Artikel 8:60, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) bepaalt dat de rechtbank getuigen kan oproepen en deskundigen en tolken kan benoemen. In het vierde lid van dit artikel is - voor zover hier van belang - bepaald, dat partijen ter zitting getuigen en deskundigen kunnen meebrengen, of bij aangetekende brief of deurwaardersexploit kunnen oproepen, mits daarvan uiterlijk een week voor de dag van de zitting aan de rechtbank en aan de andere partijen mededeling is gedaan met vermelding van namen en woonplaatsen.

4.2. Appellanten hebben betoogd dat de rechtbank ten onrechte het verzoek om sociaal rechercheur Van der Linde als getuige te horen heeft afgewezen en dat om die reden de aangevallen uitspraak onzorgvuldig tot stand is gekomen en daarom dient te worden vernietigd. Dit betoog slaagt niet. De rechtbank was, gelet op de onder 4.1 genoemde bepalingen, bevoegd maar niet verplicht in te gaan op het verzoek van appellanten. De Raad is niet gebleken dat de rechtbank er in het onderhavige geval niet in redelijkheid van heeft kunnen afzien om Van der Linde als getuige op te roepen. Het stond appellanten vrij zelf de getuige ter zitting van de rechtbank mee te brengen of hem daartoe op te roepen, doch zij hebben daar om hen moverende redenen van afgezien. Ook in hoger beroep hebben appellanten Van der Linde niet meegebracht ter zitting van de Raad of hem daartoe opgeroepen.

4.3. Op grond van artikel 7:13, derde lid, van de Awb kan, indien een adviescommissie is ingesteld ten behoeve van de beslissing op het bezwaar, en die bestaat uit een voorzitter en ten minste twee leden, de commissie het horen opdragen aan de voorzitter of een lid dat geen deel uitmaakt van en niet werkzaam is onder verantwoordelijkheid van het bestuursorgaan. Artikel 3, eerste lid, van de Verordening commissie bezwaarschriften van de gemeente Maassluis (hierna: Verordening) bepaalt dat de commissie bestaat uit een voorzitter en ten minste twee leden. Artikel 11 van de Verordening bepaalt voorts dat voor het houden van een zitting is vereist dat de meerderheid van het aantal leden, onder wie in elk geval de voorzitter, of zijn plaatsvervanger aanwezig is.

4.4. Tijdens de hoorzitting van 6 september 2007, waar de bezwaarschriften van appellanten werden behandeld, waren de plaatsvervangend voorzitter en een lid aanwezig. Daarmee was voldaan aan de onder 4.3 genoemde bepalingen. Het betoog van appellanten dat zij door ten minste drie leden van de commissie moesten worden gehoord treft daarom geen doel. Voorts blijkt voldoende uit de stukken dat de voorzitter van de commissie aan de beraadslaging over de bezwaren van appellanten heeft deelgenomen en de adviezen aan het College afkomstig zijn van de voltallige commissie, bestaande uit de voorzitter en twee leden. De stelling van appellanten dat de behandeling van het bezwaar door de adviescommissie in strijd met de Awb of de Verordening is verlopen, kan derhalve niet worden gevolgd.

4.5. De Raad stelt vast dat het College bij het besluit van 25 mei 2007 de intrekking van bijstand van appellante 1 niet heeft beperkt tot een bepaalde periode. Volgens vaste rechtspraak van de Raad bestrijkt de beoordeling door de bestuursrechter in een dergelijk geval de periode vanaf de datum met ingang waarvan de bijstand is ingetrokken tot en met de datum van het primaire intrekkingsbesluit. Gelet voorts op de omstandigheid dat aan appellante 1 met ingang van 3 mei 2007 opnieuw bijstand is toegekend dient hier beoordeeld worden de periode van 1 april 2006 tot 3 mei 2007. In geschil is of appellanten in die periode een gezamenlijke huishouding hebben gevoerd.

4.6. Ingevolge artikel 3, derde lid, van de WWB is van een gezamenlijke huishouding sprake, indien twee personen hun hoofdverblijf in dezelfde woning hebben en zij blijk geven zorg te dragen voor elkaar door middel van het leveren van een bijdrage in de kosten van de huishouding dan wel anderszins. Naar vaste rechtspraak van de Raad dient de vraag of in een bepaald geval sprake is van een gezamenlijke huishouding te worden beantwoord aan de hand van objectieve criteria. Daarbij zijn de omstandigheden die tot het voeren van een gezamenlijke huishouding hebben geleid, de motieven van betrokkenen en de aard van hun relatie niet van belang.

4.7. De Raad is met de rechtbank van oordeel dat de bevindingen van het onderzoek een toereikende grondslag vormen voor de conclusie dat appellanten ten tijde in geding hun gezamenlijk hoofdverblijf hadden op het adres van appellante 1 te [woonplaats]. De Raad kent daarbij doorslaggevende betekenis toe aan de verklaringen die appellanten op 20 maart 2007 tegenover de sociaal rechercheur Van der Linde hebben afgelegd. Beiden hebben afzonderlijk van elkaar verklaard dat zij vanaf (medio) april 2006 voortdurend bij elkaar waren. Voorts komt uit de verklaringen voldoende naar voren dat sprake was van wederzijdse zorg. De Raad heeft daarbij in aanmerking genomen dat appellante 2 heeft verklaard appellante 1 zo veel mogelijk te helpen met boodschappen doen, het huishouden en de verzorging van de kinderen. Tevens heeft zij verklaard dat toen zij nog werkte alle lasten en boodschappen samen werden betaald, dat nadat zij werkloos was geworden appellante 1 alles betaalde en dat haar kleding door appellante 1 werd gewassen. De verklaring van appellante 1 stemt hiermee overeen.

4.8. Appellanten hebben onder verwijzing naar het arrest van het Europese Hof voor de Rechten van de Mens van 27 november 2008, 36391/02 (hierna: Salduz-arrest), LJN BH0402, aangevoerd dat de verklaringen niet mogen worden gebruikt, omdat zij voorafgaand aan het verhoor niet zijn ingelicht over het doel daarvan en zij niet in de gelegenheid zijn gesteld om zich te laten bijstaan door een raadsman. De verklaringen zijn volgens appellanten bovendien niet juist weergegeven in het proces-verbaal van

20 maart 2007.

4.9. In hetgeen appellanten hebben aangevoerd ziet de Raad geen aanleiding om af te wijken van zijn vaste rechtspraak dat in het algemeen van de juistheid van een tegenover een sociaal rechercheur afgelegde en door de betrokkene ondertekende verklaring mag worden uitgegaan en dat aan het later herroepen of wijzigen ervan geen zwaarwegende betekenis kan worden toegekend. Ten aanzien van het beroep op het Salduz-arrest wijst de Raad op zijn uitspraken van 19 mei 2009 (LJN BI6036) en 7 september 2009 (LJN BJ7968). Uit deze uitspraken volgt dat het in een zaak als de onderhavige, waarin intrekking en (mede)terugvordering van bijstand aan de orde is, niet gaat om een strafrechtelijke procedure, zodat de beschermende werking van artikel 6, derde lid, van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden zich niet tot appellanten uitstrekt. Anders dan appellanten betogen blijkt overigens uit het proces-verbaal van 20 maart 2007 dat zij voorafgaand aan het verhoor in kennis zijn gesteld waarover zij werden gehoord en dat hen is meegedeeld dat zij niet tot antwoorden waren verplicht. Ook blijkt uit het proces-verbaal dat de verklaring aan ieder afzonderlijk is voorgelezen en dat zij deze vervolgens (zonder voorbehoud) hebben ondertekend. Appellanten hebben pas afstand van hun verklaring genomen nadat zij, door kennisneming van de besluiten van 25 mei 2007, zijn geconfronteerd met de gevolgen van hun verklaringen. Dat de verklaringen onder ontoelaatbare druk zijn afgelegd, onjuist zijn of om een andere reden buiten beschouwing moeten blijven, hebben appellanten niet aannemelijk gemaakt. De Raad voegt daaraan toe dat de beide verklaringen steun vinden in andere objectieve gegevens zoals de gegevens van het waterleiding- en energiebedrijf. Daaruit blijkt dat het verbruik van water en energie op het adres van appellante 2 te [woonplaats] in 2006 aanmerkelijk is gedaald. In de door appellante 2 in beroep overgelegde verklaring van haar moeder omtrent het energieverbruik staan geen objectieve en verifieerbare gegevens vermeld die afbreuk doen aan de afgelegde verklaringen van appellanten.

4.10. Vaststaat dat appellante 1 de wettelijke op haar rustende inlichtingenverplichting niet is nagekomen door de gezamenlijke huishouding niet aan het College te melden. Ten gevolge hiervan is haar over de periode in geding ten onrechte als zelfstandig rechtssubject bijstand verleend. Gelet hierop is de Raad van oordeel dat het College op grond van artikel 54, derde lid, aanhef en onder a, van de WWB bevoegd was de bijstand van appellante 1 over de in geding zijnde periode in te trekken. Nu de uitoefening van die bevoegdheid niet is bestreden, is daarmee tevens gegeven dat het College op grond van artikel 58, eerste lid, aanhef en onder a, van de WWB bevoegd was de voor appellante 1 over de periode van 1 april 2006 tot en met 28 februari 2007 gemaakte kosten van bijstand van haar terug te vorderen.

4.11. Aangezien vaststaat dat appellante 2 degene is met wier middelen bij de aan appellante 1 verleende bijstand rekening diende te worden gehouden, is het College tevens bevoegd deze kosten van bijstand op grond van artikel 59, tweede lid, van de WWB mede van appellante 2 terug te vorderen. De door appellante 2 aangevoerde beroepsgrond dat zij van het College geen bijstand ontving en niet van de aan appellante 1 verleende bijstand heeft geprofiteerd, slaagt niet, nu genoemde omstandigheden, gelet op artikel 59, tweede lid, van de WWB geen voorwaarden zijn voor de bevoegdheid van het College om tot medeterugvordering over te kunnen gaan.

4.12. Tegen de uitoefening van de bevoegdheden tot (mede)terugvordering hebben appellanten geen zelfstandige grieven aangevoerd, zodat het oordeel van de rechtbank hierover geen verdere bespreking behoeft.

4.13. Het voorgaande betekent dat de hoger beroepen niet slagen. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

5. Voor een veroordeling in de proceskosten ziet de Raad geen aanleiding.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door R.H.M. Roelofs als voorzitter en J.F. Bandringa en O.L.H.W.I. Korte als leden, in tegenwoordigheid van N.M. van Gorkum als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 2 november 2010.

(get.) R.H.M. Roelofs.

(get.) N.M. van Gorkum.

Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na de datum van verzending beroep in cassatie instellen bij de Hoge Raad der Nederlanden (Postbus 20303, 2500 EH ’s-Gravenhage) ter zake van schending of verkeerde toepassing van bepalingen

HD