Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2010:BO2761

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
26-10-2010
Datum publicatie
04-11-2010
Zaaknummer
09-5936 WWB
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

1) Herziening bijstandsuitkering (2007). Besluit door rechtbank vernietigd. Ter uitvoering van die uitspraak heeft het College op een nieuw besluit genomen waarbij de bijstand per kalendermaand is vastgesteld en het terug te vorderen bedrag is vastgesteld. Er is in het kader van de toepassing van de WWB bij de vaststelling van het in aanmerking te nemen inkomen geen ruimte voor verrekening van verwervingskosten (LJN BJ7733). Schending inlichtingenverplichting. Beroep tegen nieuwe besluit is ongegrond. 2) Verlaging bijstandsuitkering. Het College heeft eerst de bijstand over de maand januari 2008 verlaagd, vervolgens ingetrokken en ten slotte bijstand over die maand toegekend op een andere grondslag zonder verlaging toe te passen. Verlaging van bijstand is slechts mogelijk indien en voor zover er recht op bijstand bestaat. Het College was dus na de intrekking van de bijstand bij besluit van 28 februari 2008 met ingang van 1 januari 2008, niet meer bevoegd de bijstand over die maand te verlagen. Het College kon dus het besluit tot verlaging van bijstand in bezwaar niet handhaven. Daaraan doet niet af dat het College appellant nadien op andere grondslag bijstand heeft verleend. De rechtbank heeft dit niet onderkend. Vernietiging besluit.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JWWB 2010/249
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

09/5936 WWB

09/5937 WWB

10/2381 WWB

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op de hoger beroepen van:

[appellant], wonende te [woonplaats],

tegen de uitspraken van de rechtbank ’s-Hertogenbosch van 21 september 2009, 08/2233 (hierna: uitspraak 1) en eveneens 21 september 2009, 08/2802 (hierna: uitspraak 2),

in de gedingen tussen:

appellant

en

het College van burgemeester en wethouders van de gemeente Asten (hierna: College)

Datum uitspraak: 26 oktober 2010

I. PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. S.B.M.A. Engelen, advocaat te Venlo, hoger beroepen ingesteld.

Het College heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting in de onderhavige gedingen heeft, gevoegd met het onderzoek in het geding geregistreerd onder nummer 09/5935 BBZ, plaatsgevonden op 14 september 2010. Appellant is verschenen, bijgestaan door mr. Engelen. Het College heeft zich niet laten vertegenwoordigen. Na de sluiting van het onderzoek ter zitting is de zaak met het nummer 0/5935 BBZ weer gesplitst van de onderhavige zaken. In deze zaken wordt heden afzonderlijk uitspraak gedaan.

II. OVERWEGINGEN

1. Voor een overzicht van de in deze gedingen van belang zijnde feiten en omstandigheden verwijst de Raad naar de uitspraken 1 en 2. Hij volstaat hier met het volgende.

1.1. Appellant ontving bijstand naar de norm voor een alleenstaande op grond van de Wet werk en bijstand (WWB). Het College heeft appellant toestemming verleend om, in verband met diens wens om zelfstandig ondernemer in de aardappelhandel te worden, gedurende de periode van 31 mei 2006 tot 31 mei 2007 gebruik te maken van de voorbereidingsperiode als bedoeld in artikel 2, derde lid, van het Besluit bijstandverlening zelfstandigen 2004 (Bbz 2004). Bij besluit van 27 juni 2007 heeft het College appellant medegedeeld, voor zover hier van belang, dat hij na die voorbereidingsperiode werkzaamheden als zelfstandige mag verrichten, mits deze werkzaamheden van bescheiden omvang zijn, en dat hij verplicht is zijn inkomsten uit zijn werkzaamheden als zelfstandige te vermelden op het maandelijks in te leveren inlichtingenformulier.

1.2. Appellant heeft op 29 januari 2008 bijstand aangevraagd op grond van het Bbz 2004. Naar aanleiding van de door appellant in het kader van die aanvraag overgelegde gegevens met betrekking tot de inkomsten uit zijn aardappelhandel in 2007 en begin 2008 heeft het College een onderzoek ingesteld naar de rechtmatigheid de aan appellant verleende bijstand op grond van de WWB.

1.3. Bij besluit van 17 januari 2008, na bezwaar gehandhaafd bij besluit van 27 mei 2008, is de bijstand van appellant over de maand januari 2008 met 50% verlaagd. Hieraan is ten grondslag gelegd dat appellant niet heeft voldaan aan de in artikel 9, eerste lid, aanhef en onder a, van de WWB neergelegde (arbeids)verplichting om naar vermogen algemeen geaccepteerde arbeid te verkrijgen.

1.4. Op grond van de bevindingen van het onder 1.1 genoemde onderzoek heeft het College bij besluit van 28 februari 2008, na bezwaar gehandhaafd bij besluit van 7 juli 2008 en aangevuld op 18 november 2008, voor zover hier van belang, de bijstand van appellant met ingang van 1 januari 2007 herzien en met ingang van 1 januari 2008 beëindigd (lees: ingetrokken). Bij dat besluit heeft het College verder de over de periodes van 1 januari 2007 tot en met 31 december 2007, respectievelijk 1 januari 2008 tot en met 31 januari 2008 gemaakte kosten van bijstand van appellant teruggevorderd tot bedragen van € 4.348,69, respectievelijk € 382,53. Hieraan heeft het College ten grondslag gelegd dat appellant door geen mededeling te doen van zijn inkomsten uit de aardappelhandel de op hem rustende wettelijke inlichtingenverplichting heeft geschonden en dat hij als gevolg daarvan geen recht op - volledige - bijstand naar de voor hem geldende norm had.

1.5. Bij besluit van 29 januari 2009 heeft het College aan appellant met ingang van 1 januari 2008 algemene bijstand toegekend op grond van het Bbz 2004. Daarbij is geen verlaging over de maand januari 2008 toegepast.

2.1. Bij uitspraak 1 heeft de rechtbank het beroep tegen het besluit van 27 mei 2008 aangaande de verlaging van bijstand ongegrond verklaard.

2.2. Bij uitspraak 2 heeft de rechtbank, met bepalingen omtrent proceskosten en griffierecht, het beroep tegen het besluit van 7 juli 2008 aangaande de herziening, intrekking en terugvordering van bijstand gegrond verklaard, dat besluit vernietigd en het College opgedragen een nieuwe beslissing op bezwaar te nemen met inachtneming van de uitspraak. Daartoe heeft de rechtbank, voor zover hier van belang, overwogen dat het College heeft miskend dat de bijstand ingevolge artikel 45, eerste lid, van de WWB per kalendermaand wordt vastgesteld, maar dat het College zich wel op het standpunt heeft kunnen stellen dat geen sprake is van onrechtmatig verkregen bewijs en dat de kosten die appellant heeft gemaakt om zijn omzet te realiseren niet met deze omzet kunnen worden verrekend.

3. Ter uitvoering van uitspraak 2 heeft het College op 3 februari 2010 een nieuw besluit op bezwaar genomen waarbij de bijstand van appellant per kalendermaand is vastgesteld en het terug te vorderen bedrag over de periode van 1 april 2007 tot en met 31 januari 2008 is bepaald op € 3.716,07.

4. Appellant heeft zich in hoger beroep gemotiveerd gekeerd tegen uitspraak 1 en tegen uitspraak 2 voor zover daarin oordelen zijn gegeven omtrent de rechtmatigheid van het door het College verkregen bewijs en de berekening van zijn inkomsten.

5. De Raad komt ten aanzien van uitspraak 2 en het besluit van 3 februari 2010 tot de volgende beoordeling.

5.1. De Raad stelt vast dat het College appellant overeenkomstig diens aanvraag per 1 januari 2008 bijstand heeft verleend ingevolge het Bbz 2004. Met ingang van die datum heeft appellant dus geen recht meer op bijstand op grond van de WWB. Daarom is, zoals ter zitting is geconstateerd, de intrekking van de bijstand, verleend op grond van de WWB, per 1 januari 2008 en de terugvordering van de over de periode van 1 januari 2008 tot en met 31 januari 2008 verleende bijstand niet langer tussen partijen in geschil. De omvang van het geschil in het hoger beroep tegen uitspraak 2 betreft dus uitsluitend de periode van 1 januari 2007 tot en met 31 december 2007.

5.2. Het betoog van appellant dat de rechtbank heeft miskend dat sprake is van onrechtmatig verkregen bewijs omdat het College inlichtingen heeft ingewonnen bij derden (handelspartners) behoeft naar het oordeel van de Raad geen inhoudelijke behandeling. De besluitvorming in bezwaar berust immers niet op gegevens van derden, maar uitsluitend op de door appellant zelf in bezwaar overgelegde inkomstengegevens.

5.3. Het betoog van appellant dat - anders dan de rechtbank heeft geoordeeld - de kosten die hij gemaakt heeft om de omzet te realiseren wel met de omzet moeten worden verrekend, treft evenmin doel. Volgens vaste rechtspraak van de Raad is er in het kader van de toepassing van de WWB bij de vaststelling van het in aanmerking te nemen inkomen geen ruimte voor verrekening van verwervingskosten (zie de uitspraak van de Raad van 1 september 2009, LJN BJ7733).

5.4. Het besluit van 3 februari 2010 is aan te merken als een besluit dat - voor zover betrekking hebbend op de periode van 1 april 2007 tot en met 31 december 2007 - met toepassing van de artikelen 6:18, 6:19, eerste lid, en 6:24 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) hier mede ter beoordeling voorligt.

5.5. Appellant heeft aangevoerd dat hem bij dit besluit ten onrechte is verweten dat hij zich schuldig heeft gemaakt aan schending van de inlichtingenverplichting omdat het College op de hoogte was van zijn aardappelhandel. De Raad volgt appellant hierin niet. De bekendheid van het College met de aardappelhandel van appellant laat onverlet dat appellant gehouden was de uit die handel genoten inkomsten onverwijld, uit eigen beweging en op de voorgeschreven wijze, primair via de rechtmatigheidsonderzoek-fomulieren, aan het College kenbaar te maken. De Raad wijst in dit verband nog op het onder 1.1 genoemde besluit van het College van 27 juni 2007 waarin appellant uitdrukkelijk is gewezen op zijn verplichting als bijstandsgerechtigde om - eventuele - inkomsten uit zijn werkzaamheden als zelfstandige maandelijks te melden.

5.6. Uit hetgeen onder 5.1 tot en met 5.5 is overwogen volgt dat het hoger beroep tegen uitspraak 2 niet slaagt zodat deze uitspraak, voor zover aangevochten, dient te worden bevestigd en dat het beroep voor zover dat geacht wordt mede te zijn gericht tegen het besluit van 3 februari 2010 ongegrond dient te worden verklaard.

6. De Raad komt ten aanzien van uitspraak 1 tot de volgende beoordeling.

6.1. Uit hetgeen onder 1.3 tot en met 1.5 is vastgesteld volgt dat het College eerst de bijstand van appellant over de maand januari 2008 heeft verlaagd, vervolgens heeft ingetrokken en ten slotte bijstand over die maand heeft toegekend op een andere grondslag zonder verlaging toe te passen. Verlaging van bijstand is slechts mogelijk indien en voor zover er recht op bijstand bestaat. Het College was dus na de intrekking van de bijstand bij besluit van 28 februari 2008 met ingang van 1 januari 2008, niet meer bevoegd de bijstand over die maand te verlagen. Het College kon dus het besluit tot verlaging van bijstand in bezwaar niet handhaven. Daaraan doet niet af dat het College appellant nadien op andere grondslag bijstand heeft verleend. De rechtbank heeft dit niet onderkend.

6.2. Hieruit volgt dat het hoger beroep tegen uitspraak 1 slaagt en dat deze uitspraak voor vernietiging in aanmerking komt. Doende hetgeen de rechtbank zou behoren te doen zal de Raad het beroep tegen het besluit van 27 mei 2008 gegrond verklaren en dat besluit vernietigen. De Raad ziet voorts aanleiding om met toepassing van artikel 8:72, vierde lid, van de Awb het primaire besluit van 17 januari 2008 te herroepen, omdat dit besluit op dezelfde onhoudbare grond berust en niet aannemelijk is dat dit gebrek nog kan worden hersteld.

6.3. Nu de herroeping van het besluit van 17 januari 2008 plaatsvindt wegens aan het College te wijten onrechtmatigheid, zal de Raad aan appellant een vergoeding toekennen voor de in verband met de behandeling van het bezwaar tegen dat besluit gemaakte kosten van rechtsbijstand. Deze kosten worden begroot op een bedrag van € 644,--.

7. Tot slot ziet de Raad aanleiding het College te veroordelen in de proceskosten van appellant. Deze kosten worden begroot op € 644,-- in beroep tegen het besluit van 27 mei 2008 en op € 874,-- in hoger beroep tegen uitspraak 1 voor verleende rechtsbijstand. De Raad ziet geen aanleiding voor een veroordeling in overige proceskosten.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Vernietigt uitspraak 1;

Verklaart het beroep tegen het besluit van 27 mei 2008 gegrond;

Vernietigt het besluit van 27 mei 2008;

Herroept het besluit van 17 januari 2008;

Bevestigt uitspraak 2, voor zover aangevochten;

Verklaart het beroep tegen het besluit van 3 februari 2010 ongegrond;

Veroordeelt het College in de kosten van het bezwaar van appellant tegen het besluit van 17 januari 2008 tot een bedrag van € 644,-- en in de proceskosten van appellant in beroep tegen het besluit van 27 mei 2008 en in hoger beroep tegen uitspraak 1 tot een bedrag van in totaal € 1.518,--;

Bepaalt dat het College aan appellant het in beroep tegen het besluit van 27 mei 2008 en in hoger beroep tegen uitspraak 1 betaalde griffierecht van in totaal € 149,-- vergoedt.

Deze uitspraak is gedaan door J.C.F. Talman als voorzitter en O.L.H.W.I. Korte en W.F. Claessens als leden, in tegenwoordigheid van R. Scheffer als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 26 oktober 2010.

(get.) J.C.F. Talman.

(get.) R. Scheffer.

JvS