Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2010:BO2751

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
26-10-2010
Datum publicatie
04-11-2010
Zaaknummer
09-450 WWB
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Afwijzing aanvraag bijstandsuitlering. Gezamenlijke huishouding. Geen commerciële relatie.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

09/450 WWB

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[Appellant], wonende te [woonplaats] (hierna: appellant),

tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 10 december 2008, 08/1344 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellant

en

het College van burgemeester en wethouders van de gemeente Amsterdam (hierna: College)

Datum uitspraak: 26 oktober 2010

I. PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. D. van der Wal, advocaat te Amsterdam, hoger beroep ingediend.

Het College heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 24 augustus 2010. Appellant is, met voorafgaande berichtgeving, niet verschenen. Het College heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. J.E. Carter, werkzaam bij de gemeente Amsterdam.

II. OVERWEGINGEN

1. De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.

1.1. Op 16 november 2007 heeft appellant zich gemeld om op grond van de Wet werk en bijstand (WWB) bijstand naar de norm voor een alleenstaande aan te vragen. Het College heeft vervolgens een onderzoek ingesteld naar de woon- en leefsituatie van appellant. In dat kader heeft appellant op 18 december 2007 een verklaring afgelegd en heeft op diezelfde datum een huisbezoek plaatsgevonden op het adres [adres] te [woonplaats]. De resultaten van het onderzoek, waarvan de bevindingen zijn neergelegd in een rapportage van 20 december 2007, zijn voor het College aanleiding geweest om bij besluit van 21 december 2007 de aanvraag om bijstand van appellant af te wijzen. Daaraan heeft het College ten grondslag gelegd dat appellant onjuiste informatie heeft verschaft door niet bij het College te melden dat hij een gezamenlijke huishouding voert en dat als gevolg daarvan niet kan worden vastgesteld of hij recht heeft op bijstand.

1.2. Bij besluit van 26 februari 2008 is het bezwaar van appellant tegen het besluit van

21 december 2007 ongegrond verklaard. Daaraan heeft het College ten grondslag gelegd da[H.]lant met M[H.]] een gezamenlijke huishouding in de zin van artikel 3, derde lid, van de WWB voert en daarom niet als zelfstandig subject voor bijstandsverlening kan worden aangemerkt.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het besluit van

26 februari 2008 ongegrond verklaard.

3. Appellant heeft zich in hoger beroep gemotiveerd tegen deze uitspraak gekeerd. Hij stelt zich op het standpunt dat geen sprake is van een gezamenlijke huishouding omdat van wederzijdse zorg van appellant en [H.] niet kan worden gesproken.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1. Naar vaste rechtspraak van de Raad bestrijkt de te beoordelen periode in geval van een aanvraag om algemene bijstand de periode vanaf de datum van de aanvraag tot en met de datum van het primaire besluit. Dit betekent dat hier beoordeeld dient te worden de periode van 16 november 2007 tot en met 21 december 2007.

4.2. Ingevolge artikel 3, tweede lid, aanhef en onder a, van de WWB wordt als gehuwd of als echtgenoot mede aangemerkt de ongehuwde die met een ander een gezamenlijke huishouding voert. Van een gezamenlijke huishouding is op grond van artikel 3, derde lid, van de WWB sprake indien twee personen hun hoofdverblijf hebben in dezelfde woning en zij blijk geven zorg te dragen voor elkaar door middel van het leveren van een bijdrage in de kosten van de huishouding dan wel anderszins. Naar vaste rechtspraak van de Raad dient de vraag of in een bepaald geval sprake is van een gezamenlijke huishouding te worden beantwoord aan de hand van objectieve criteria. Daarbij zijn omstandigheden die tot het voeren van een gezamenlijke huishouding hebben geleid, de motieven van de betrokkenen en de aard van hun onderlinge relatie niet van belang.

4.3. De Raad stelt vast dat niet in geschil is dat appellant en [H.] hun hoofdverblijf hebben in dezelfde woning zodat aan het eerste criterium van een gezamenlijke huishouding is voldaan.

4.4. Het tweede criterium waaraan moet zijn voldaan, is dat van wederzijdse zorg. Deze kan blijken uit een bepaalde mate van financiële verstrengeling tussen de betrokkenen die verder gaat dan het uitsluitend delen van de woonlasten en hiermee samenhangende lasten. Indien van een zodanige verstrengeling niet of slechts in geringe mate sprake is, kunnen ook andere feiten en omstandigheden voldoende zijn om aan te nemen dat de betrokkenen voor elkaar zorgen.

4.5. De Raad is met de rechtbank van oordeel dat het rapport van 20 december 2007 voldoende feitelijke grondslag biedt voor het standpunt van het College dat appellant en [H.] in de hier in geding zijnde periode blijk hebben gegeven zorg te dragen voor elkaar. De Raad hecht met name betekenis aan de door appellant op 18 december 2007 afgelegde verklaringen en de bevindingen van het op die datum afgelegde huisbezoek. Appellant heeft verklaard dat hij regelmatig voor [H.] kookt en dat zij dan gezamenlijk eten, waarbij [H.], indien nodig, de boodschappen verzorgt. Voorts heeft hij verklaard dat de keukenspullen van [H.] zijn en hij deze mag gebruiken. Hij heeft verder verklaard dat de toiletspullen van hem en van [H.] door elkaar staan, dat hij in de kamer van [H.] diens televisie en DVD mag gebruiken en zijn hond in de kamer van [H.] mag verblijven. Daarnaast heeft appellant verklaard dat [H.] en hij gezamenlijk televisie (DVD) kijken. Uit het verslag van het huisbezoek blijkt voorts dat tijdens het huisbezoek kleding en een gitaar van appellant in de kamer van [H.] zijn aangetroffen en dat de etensbakken van de hond van appellant in diens kamer staan. In het licht van voorgaande merkt de Raad tevens op dat sprake is van een tweekamer woning, waarbij de kamer van appellant niet kan worden afgesloten in verband met het ontbreken van een deur in de deurpost, er in deze kamer voorts geen verwarming is en deze kamer uitsluitend te bereiken is via de kamer van [H.] waarin zich tevens de open keuken bevindt.

4.6. De in 4.5 vermelde feiten en omstandigheden duiden naar het oordeel van de Raad op een, in een zakelijke relatie, ongebruikelijke verbondenheid die de grenzen van een zakelijke relatie overschrijden. De Raad verwerpt dan ook de beroepsgrond dat sprake is van een commerciële relatie.

4.7. Het voorgaande betekent dat het hoger beroep niet slaagt, zodat de aangevallen uitspraak voor bevestiging in aanmerking komt.

5. De Raad ziet geen aanleiding voor een veroordeling in de proceskosten.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door J.J.A. Kooijman, in tegenwoordigheid van R. Scheffer als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 26 oktober 2010.

(get.) J.J.A. Kooijman.

(get.) R. Scheffer.

Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na de datum van verzending beroep in cassatie instellen bij de Hoge Raad der Nederlanden (Postbus 20303, 2500 EH ’s-Gravenhage) ter zake van schending of verkeerde toepassing van bepalingen inzake het begrip gezamenlijke huishouding.

HD

05.10